AnalyseOuderenzorg

Statusverschil tussen zorgen en genezen wreekt zich nu

In het coronaprotocol van begin maart stond geen woord over de plek waar veel kwetsbaren wonen: verpleeghuizen. Het is tekenend voor de positie van de ouderenzorg.

Pas half april kregen ouderenzorginstellingen meer beschermingsmiddelen. Beeld ANP

Het is donderdagochtend 5 maart en Conny Helder krijgt buikpijn van wat ze leest op de website van het RIVM. Een week eerder is in Brabant de eerste coronapatiënt het ziekenhuis in Tilburg binnengebracht, die donderdag neemt het aantal geregistreerde besmettingen in hoog tempo toe. Wat dan al bekend is uit China en Italië: ouderen zijn bij dit virus het kwetsbaarst. Dat baart Helder, bestuurslid van de Brabantse ouderenzorgorganisatie TanteLouise en van branchevereniging Actiz, grote zorgen.

Ze leest het protocol dat het RIVM en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen in allerijl hebben opgesteld. Ziekenhuismedewerkers, staat er, werken gewoon door als zij met een coronapatiënt in aanraking zijn geweest, bij de geringste verkoudheidsklachten dienen zij thuis te blijven.

Maar hoe het dan zit met de medewerkers in de ouderenzorg, waar al die kwetsbare 80- en 90-plussers bij elkaar wonen? Daarover geen woord.

‘Het was het eerste signaal’, zegt Helder, ‘dat er bij de experts op het ministerie, bij het RIVM en in de regionale crisisteams niemand dacht: hé, er is ook nog zorg buiten de ziekenhuizen.’

Samenstelling OMT

Hetzelfde gevoel bekruipt Jeroen van den Oever, bestuursvoorzitter van Fundis, een Zuid-Hollandse ouderenzorgorganisatie, als hij die dagen naar het Journaal kijkt. Veel nieuws over de ziekenhuizen, over de heroïek van de intensive care. Niets over de verpleeghuizen of over de mensen met thuiszorg, waar het overgrote deel van de ernstig zieke patiënten dan al lijdt en sterft. ‘Datzelfde beeld zag je in de samenstelling van het Outbreak Management Team (OMT): niemand daar was gespecialiseerd in de ouderenzorg.’ Het zou tot half april duren voordat er een specialist ouderengeneeskunde bij het OMT mocht aanschuiven.

Als er iets duidelijk is geworden in deze crisis, zegt Tineke Abma, hoogleraar en directeur van de Leyden Academy, een kennisinstituut op het gebied van veroudering, ‘is het dat de ouderenzorg onder aan de zorghiërarchie staat.’

Zo ook bij de verdeling van de beschermingsmiddelen. In de appgroep van alle 55 Brabantse ouderenzorgbestuurders is er de eerste zes weken dat het coronavirus door Nederland waart dagelijks paniek als weer eens bij een instelling een tekort aan mondkapjes dreigt. De zorgorganisaties zien zich genoodzaakt beschermingsmiddelen uit te wisselen, schorten heen en weer te rijden en een eigen distributiecentrumpje op te richten.

Het probleem is dat het ministerie de verdeling van de beschermingsmiddelen op dat moment heeft belegd bij het Roaz. Maar daarin zijn de organisaties voor de langdurige zorg – zoals verpleeghuizen en gehandicaptenzorginstellingen – niet goed vertegenwoordigd. Pas half april, na weken lobbyen en duizenden mailtjes en appjes richting Den Haag, wordt het landelijke verdeelbeleid van de hulpmiddelen aangepast en hebben de ouderenzorginstellingen recht op een groter deel uit de pot. ‘Maar eerlijk gezegd’, zegt Helder, ‘is de distributie pas sinds anderhalve week echt op orde.’

Het testbeleid, nog zoiets. Pas begin april kunnen ouderenzorgmedewerkers zich laten testen, daarvoor moeten zij bij klachten maar gewoon thuisblijven, hun collega’s uit het ziekenhuis gaan voor.

Grootste teleurstelling

Op 21 april volgt de grootste teleurstelling voor de ouderenzorg: de persconferentie waarin premier Rutte en RIVM-baas Jaap van Dissel aankondigen dat de basisscholen weer opengaan. Van tevoren hebben de ouderenorganisaties met het RIVM afgesproken dat Van Dissel nog een keer rustig zal uitleggen waarom mondkapjes alleen zin hebben bij een een covid-verdenking. De verpleeghuisbestuurders snakken naar zo’n publieke verklaring van de experts, want de onrust onder medewerkers is inmiddels gigantisch.

Zeven miljoen Nederlanders zien hoe Van Dissel omstandig uit de doeken doet waarom kinderen nauwelijks besmettelijk zijn. Over het mondkapjesbeleid in de ouderenzorg opnieuw geen woord. Vergeten.

De telefoons van de ouderenzorgbestuurders kunnen de enorme stroom aan woedende, onderlinge app-berichten nauwelijks aan. De volgende ochtend stuurt branchevereniging Actiz, bij uitzondering, een ongekend fel persbericht de deur uit, waarin ze schrijft ‘verbijsterd’ te zijn over de ‘gevaarlijke onduidelijkheid’ van het kabinet. Diezelfde middag is er spoedoverleg met de ministers en tijdens zijn briefing in de Tweede Kamer geeft Van Dissel alsnog uitleg. 

‘Met alle respect,’ zegt Conny Helder, ‘maar onze medewerkers gaan op woensdagochtend niet naar een livestream van een Kamerdebat kijken.’ Ze verzucht: ‘Elke keer opnieuw moeten wij moeite doen om de ouderenzorg op het netvlies te krijgen, en elke keer wordt het uit de hersenpan gewist.’

Desastreuze gevolgen

Met desastreuze gevolgen, zegt Tineke Abma. ‘De voorrang die ziekenhuizen kregen bij het testen en de beschermingsmiddelen heeft tot veel angst en onzekerheid geleid bij ouderenzorgmedewerkers die onbeschermd moesten werken. En tot schrijnende situaties waarin mensen zonder familie kwamen te overlijden. Maar op het moment dat er besmettingen optreden, wordt er wel met de vinger naar de sector gewezen, omdat die er te weinig ­tegen zou hebben gedaan.’

Wat zich hier wreekt, zeggen ouderenzorgexperts, is het statusverschil tussen de ‘cure’ en de ‘care’, tussen genezen en zorgen, tussen de hightech-wereld van het ziekenhuis en de bedachtzaamheid van het verpleeghuis. Het verschil ook tussen de waardering voor het jonge, productieve leven en de angst voor de aftakeling en de dood.

De vraag is: waar komt dat verschil vandaan?

Voor het antwoord moeten we terug naar het einde van de negentiende eeuw. Het huidige zorgsysteem is op­gebouwd in een tijd dat de bevolking veel jonger was, en dat velen jong stierven aan infectieziekten. De ziekenhuizen, en alle andere vormen van zorg die ontstonden, waren erop gericht deze mensen te genezen.

Ontstaan verpleeghuizen

De verpleeghuizen ontstonden een halve eeuw later, eind jaren vijftig, vertelt Henk Nies, al decennia ouderenzorgexpert bij kennisinstituut Vilans. Het waren afsplitsingen van de ziekenhuizen, die te kampen hadden met ouderen die zij verder niet konden behandelen, maar die ook nog niet doodgingen. Daarom zetten de ziekenhuizen nieuwe gebouwen neer, die er architectonisch hetzelfde uitzagen en waar een ‘oud-huisarts die het rustiger aan wilde doen’ als geneesheer-directeur aan de slag ging.

Al begin jaren zeventig klonken de eerste kritische geluiden over dat het accent altijd maar op die cure-kant van de zorg lag. De bevolking werd ouder, kreeg chronische aandoeningen, zelfs meerdere tegelijk, en daar vloeiden andere behoeften uit voort. Het ging niet langer om genezen, maar om het verzachten van de klachten, om het voorkomen van complicaties, om het bieden van kwaliteit in de laatste levensfase.

De afgelopen vijftig jaar is het niet gelukt om de waardering voor de ouderenzorg op hetzelfde niveau te krijgen als de waardering voor de ziekenhuiszorg.

Blijkbaar, zegt Henk Nies, zit in mensen dat zij niet willen worden geconfronteerd met hun eigen sterfelijkheid. ‘Ouderdom is toch de levensfase die mensen associëren met de eindigheid van het bestaan. Niet alleen ga je dood op het eind, maar wellicht kun je niet meer lopen, vallen functies uit door een hersenbloeding, raak je dement, ga je met poep smeren. Dat verlies aan menselijke waardigheid wekt afschuw.’

Botoxklinieken

Oud worden vinden mensen ingewikkeld, denkt ook Inge Rinzema, voorzitter van het netwerk van verpleegkundig specialisten in het verpleeghuis. ‘Kijk maar naar de botoxklinieken, naar de mentaliteit van spuit elke rimpel maar plat. Je moet vooral niet je leeftijd laten zien.’ In zo’n maatschappij, zegt Rinzema, is het logisch dat het veel aantrekkelijker is om te leven met het idee dat iemand die ziek is ook weer beter wordt. ‘Oud worden heeft een parallel met doodgaan, en doodgaan is ook nog een enorm taboe. Dat maakt dat mensen denken dat het verpleeghuis een treurige bende is, terwijl het dat absoluut niet is.’

Die ‘treurige bende’, zegt Tineke Abma, is in de beeldvorming ook nog eens een kostenpost, een plek waar de economisch niet-rendabelen wonen. ‘De Zwitserleven-oudere die het gemaakt heeft, is de norm geworden, gevoed door de neoliberale denkbeelden dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun eigen succes. Maar als dat de norm is, dan zijn de mensen met dementie de hulpeloze gevallen.’

Tja, en wie wil er nou op zo’n plek werken? Abma: ‘Zorgstudenten zeggen dat ze willen werken met baby’s of met kinderen. Bijna niemand kiest voor het verpleeghuis. Daar kun je geen heldendaden verrichten, daar kun je niemand genezen. Je kunt er alleen voor zorgen dat mensen op een waardige manier sterven, en dat is niet heel glamoureus of sexy.’

Het maakt de sector vatbaarder voor bezuinigingen, denkt Abma. In 2008, tijdens de vorige crisis, werd heel hard gesneden in de huishoudelijke zorg, in 2015 moesten de verzorgingshuizen eraan geloven. De afgelopen jaren is er een kentering gekomen, voor een groot deel te danken aan een manifest van Hugo Borst. ‘Daar zijn we hem zeer dankbaar voor’, zegt Doede Veltman, specialist ouderengeneeskunde in het noorden van het land. ‘Maar dat daar een voetbalcriticus voor nodig was, vind ik beschamend. Geluiden uit de sector zelf, drongen kennelijk onvoldoende door tot de politiek.’

Nu gaat er zo’n 11 miljard per jaar naar de verpleeghuizen, een bedrag dat de komende tien jaar mogelijk verdubbelt. Ter vergelijking: de ziekenhuizen zetten nu zo’n 25 miljard euro om.

Paracetamolletje voorschrijven

De eerste keer in zijn leven dat Doede Veltman zelf een verpleeghuis van binnen zag, was de eerste dag dat hij er als arts ging werken. Door persoonlijke problemen had hij tegen heug en meug zijn artsendiploma gehaald, en hij dacht: ‘Een paracetamolletje voorschrijven in het verpleeghuis lukt me nog wel.’

In de praktijk bleek het vak juist ingewikkeld en uitdagend, een dagelijkse puzzel van ethische, medische en persoonlijke vraagstukken, ver weg van het protocollaire denken dat hem als arts in opleiding in het ziekenhuis zo verstikte. Dat Veltman dat niet wist, is niet verwonderlijk, want gedurende de zes jaar van zijn studie geneeskunde had hij niet één keer een verpleeghuis hoeven binnen gaan.

Eenmaal aan de slag als arts in het verpleeghuis, kwam er weleens een arts uit het ziekenhuis langs. ‘Dan moest iedereen aanwezig zijn en bij wijze van spreken op het puntje van z’n stoel zitten om de medisch specialist welkom te heten. Er heerste een soort nederigheid.’

Die hiërarchie is terug te zien in de getallen: aan één medische faculteit zijn meer hoogleraren cardiologie te vinden dan er in heel Nederland hoogleraren ouderengeneeskunde zijn.

Hiërarchie op congressen

Ouderenzorgbestuurder Jeroen van den Oever merkte die hiërarchie ook op de zorgcongressen waar hij kwam. ‘Als je binnenkwam, zag je het al gebeuren. De ziekenhuisbestuurders verzamelden zich in groepjes, in ouwejongenskrentenbroodsfeer, en je voelde een zeker dedain tegenover de andere zorgbestuurders, daar zochten ze geen contact mee.’

Het was een verschil in ‘natuurlijke habitat’, zegt Van den Oever, in achtergrond. ‘Bestuurders in de ouderenzorg waren nogal eens verpleegkundigen die waren opgeklommen, ziekenhuisbestuurders meestal oud-medisch specialisten. Die hadden samen gestudeerd, of kenden elkaar van de golfbaan.’

Toch zijn de tijden voorzichtig aan het veranderen.

Doede Veltman ziet dat niet langer huisartsen-die-het-rustiger-aan-willen-doen het vak betreden, maar juist jonge, frisse artsen die uit overtuiging de zorg buiten het ziekenhuis opzoeken. Een studie geneeskunde zonder in een verpleeghuis te zijn geweest, is nauwelijks meer mogelijk.

Inge Rinzema lukt het om jonge collega’s die ze opleidt enthousiast te maken voor het vak. ‘Ik vraag altijd aan nieuwe patiënten: waar word je nog blij van? Dan krijg je de prachtigste antwoorden. Als je weet dat de laatste etappe is ingegaan, vallen alle futiliteiten weg. Dan wil je alleen nog maar tijd besteden aan waar je echt gelukkig van wordt. Dat is een mooi stuk van de gezondheidszorg.’

Een ‘verdomd ingewikkeld’ werkveld bovendien, met patiënten die soms wel zes ziektes tegelijk hebben. In het verpleeghuis hebben zorgmedewerkers zoals zij nog iets te vertellen, hebben zij hun eigen patiënten, maken behandelplannen, bouwen over langere tijd een band op met hun bewoners, zegt Rinzema.

De waarde daarvan, zegt Tineke Abma, komt nu dan eindelijk, na de eerste weken van de coronacrisis, duidelijk naar voren. ‘Dat is de andere kant van de crisis. Mensen zijn verongelijkt als onze ouderen niet de zorg krijgen die ze verdienen. Daarvoor willen ze zich inzetten. Het stilleggen van de economie om de kwetsbaren te beschermen, kun je zien als een ultieme daad van solidariteit. Die waardering die er nu komt, dat is het wenkend perspectief dat we vast zullen moeten houden.’

Lees ook

Grootschalige Nederlandse studie moet helpen corona in verpleeghuizen in te dammen
Een grootschalig onderzoek moet antwoord geven op een van de prangendste vragen van de coronapandemie: hoe kunnen verpleeghuizen de razendsnelle verspreiding van de ziekte onder hun bewoners beteugelen? 

Februari: de verloren maand in de strijd tegen het coronavirus
Niemand had het door, maar al in februari verspreidde het coronavirus zich als een veenbrand door Nederland. Toen de omvang van de epidemie duidelijk werd, was het te laat. Wat gebeurde er in die cruciale maand? Een reconstructie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden