Status in de Steentijd

Metalen bijlen waren de hoogland-papoea's te min als geschenk. Schelpen wilden ze, want die verhoogden hun aanzien. Oude jagersvolken van Europa gedroegen zich op soortgelijke wijze, denken twee Leidse archeologen....

MAARTEN EVENBLIJ

WANNEER het precies was, zal altijd in het ongewisse blijven. Maar op een dag, zo'n 7250 jaar geleden, trok een groepje kolonisten vanuit Duitsland Limburg binnen. De groep mannen, vrouwen en kinderen, die geiten en varkens aan touwen met zich meevoerden en zakken met zaaigoed torsten, drong door het heuvellandschap steeds verder naar het noordwesten.

Uiteindelijk hielden de reizigers halt op een wat vlakker gebied tussen Maas en Geul, een vijftiental kilometers boven het latere Maastricht. Daar op de lössgrond van het Graetheide-plateau vestigde zich de eerste boerengemeenschap van Nederland, in een streek die verder werd bevolkt door rondtrekkende jager-verzamelaars.

Deze oorspronkelijke bewoners moeten hun ogen hebben uitgekeken: mensen die zoveel macht over het wild hadden dat dit gedwee met ze meeliep; grond die werd gekneed tot aardewerken potten en stenen die geslepen waren tot krachtige instrumenten om de lindebomen mee te kappen en de grond te bewerken. Ze zagen woningen van leem en takken en zware palen in de grond in plaats van de gebruikelijke hutjes, en akkers waarop eenkoorn, emmer, gerst en lijnzaad werden geteeld.

De kolonisten waren de nazaten van de allereerste boeren, die in de vijfduizend jaar daarvoor langzaam over Europa waren uitgewaaierd. Wellicht door overbevolking gedreven waren ze vanuit het Nabije Oosten via de vruchtbare lössgronden van de Balkan naar het noordwesten getrokken. In eerste instantie hadden de boeren van de bandkeramische cultuur, zoals ze worden genoemd naar de versiering op hun aardewerk, en de traditionele bewoners van de lage landen weinig met elkaar te maken.

Elk had z'n eigen gebied: de jagers gaven de voorkeur aan het open en gevarieerde landschap van het dekzand, waar het wild welig tierde, terwijl de boeren voor hun akkerbouw waren aangewezen op de bosrijke en vruchtbare lössgronden. Toch hebben beide culturen elkaar geregeld ontmoet, zoals blijkt uit de verspreiding van een aantal typische bandkeramische voorwerpen, zoals potscherven en geslepen stenen hakken en dissels.

Over wat er bij die ontmoetingen gebeurde, buigen twee Leidse archeologen, M. Wansleeben en L. Verhart, zich het hoofd. Ten behoeve van een promotie-onderzoek proberen zij zich, op grond van etnografische en archeologische gegevens, zeven millennia terug in de tijd te verplaatsen en in de huid van de boeren en jagers van weleer te kruipen.

Wansleeben, die aan het Instituut voor Prehistorie van de Leidse Universiteit werkt, heeft zich gestort op de talloze vondsten en opgravingen die in Nederland de resten van menselijke activiteiten uit de overgang van het mesolithicum naar het neolithicum hebben blootgelegd. Het mesolithicum (de midden-steentijd) kenmerkt zich door het ontbreken van landbouw en permanente nederzetingen, terwijl die in het neolithicum volop aanwezig zijn.

In Nederland heeft die overgang van jagen naar landbouw, het neolithisatie-proces, zich volgens de onderzoekers in ruim duizend jaar tijd voltrokken. Van 5250 jaar voor Christus, als de eerste bandkeramiekers zich bij de Geul vestigen, tot 4100 voor Christus als op veel plaatsen in Nederland agrarische nederzettingen zijn te vinden.

'Van een neolithische revolutie, zoals altijd werd aangenomen, is geen sprake', zegt Verhart. 'Wij denken niet dat de jager-verzamelaars, toen ze met de akkerbouw in contact kwamen, direct het licht zagen en deze methode uit economische overwegingen overnamen. Wij zijn ervan overtuigd dat de overgang in Nederland zeer geleidelijk is gegaan en veel meer te maken heeft met sociale aspecten, zoals status en macht van bepaalde individuen, dan met economie.'

Wansleeben heeft de gegevens over gevonden bandkeramische scherven, hakken en dissels en resten van jager-verzamelaars, gecombineerd met de databestanden van het Geografisch Informatiesysteem. Hierin is informatie over landschap en bodem van Nederland verzameld.

OP GROND daarvan concludeert hij dat jagers en boeren elkaar niet in de weg zaten, omdat de boeren op de löss en de jagers op de zandgrond bleven. Maar toen de boeren hun vee wat verder van hun nederzettingen op de zandgronden gingen weiden, namen de contacten toe.

Tijdens opgravingen die latere eeuwen behelzen, worden bandkeramische scherven en gebruiksvoorwerpen steeds vaker buiten de Limburgse lössgebieden gevonden, tot zelfs in Friesland. Zijn die relikwieën oorlogsbuit van de jagers, het resultaat van ruilhandel, of van expedities van de boeren? Om die vraag te kunnen beantwoorden, is meer kennis nodig over wat er gebeurt als twee vreemde culturen, en bij uitstek een agrarische en een niet-agrarische samenleving, elkaar ontmoeten.

Etnografen hebben hele boekenkasten volgeschreven over contacten van jagende en verzamelende volkeren met hun agrarische omgeving. In Afrika hebben onderzoekers bijvoorbeeld de Kung-bosjesmannen, de Hadza en de Mbuti-pygmeeën bestudeerd.

Maar deze jagende en verzamelende volkeren leven soms al duizenden jaren in contact met een agrarische omgeving en hebben zich daaraan aangepast. Soms door zich terug te trekken in onherbergzame streken, zoals de Hadza in woestijngebieden van Tanzania, soms door een symbiose met hun buren te onderhouden, zoals de pygmeeën in Zaïre doen. Zij voorzien de omringende Bantu-boeren van wild en voorwerpen uit het bos, waar de boeren niet durven komen.

Dit is echter niet het soort contact waarnaar de twee Leidse onderzoekers op zoek zijn. Zij willen weten wat er in de eerste contactfase gebeurt, als de culturen elkaar net hebben ontmoet. Daarvoor is Verhart, die conservator is bij het Rijksmuseum van Oudheden, in de etnografische literatuur gedoken.

Vele verslagen van ontdekkingstochten uit het begin van deze eeuw en van ver daarvoor, heeft hij uitgeplozen. De meeste waren onbruikbaar omdat ze te veel waren gekleurd door de 'missie' van de ontdekkingsreiziger of door de wensen van zijn broodheer. Maar een aantal verslagen was wel geschikt.

Zoals de rapporten van Engelse kolonisten in Australië (waar de aboriginals inheems zijn), van Nederlanders in de regio New York (bij de Irokezen-indianen), van Baskische walvisvaarders bij de Labrador-eskimo's in Canada en van Spaanse ontdekkingsreizigers bij de Coosa-indianen in het zuiden van Noord-Amerika.

Bijzonder gecharmeerd was Verhart van een ontmoeting van de Australische goudzoeker Michael Leahy, die vanaf 1929 jaarlijks een groepje hoogland-papoea's in Nieuw-Guinea bezocht. Zijn ervaringen zijn goed gedocumenteerd, hij maakte foto's en vijftig jaar later bezocht een filmploeg de papoea's die het in de jaren dertig en veertig allemaal hadden meegemaakt.

De contacten waren in eerste instantie vriendelijk en gebaseerd op ruilhandel. Leahy kocht daarmee vijandigheid af en verwierf voedsel. De papoea's op hun beurt verhoogden hun sociale status met de westerse gebruiksvoorwerpen. Leahy had kralen, spiegeltjes, zout en metalen bijlen bij zich, maar de hoogland-papoea's waren vooral geïnteresseerd in schelpen, een zeldzaamheid in de binnenlanden.

Schelpen had Leahy niet, wel porseleinen borden en die vonden - als een exotisch soort schelp - gretig aftrek. De metalen bijlen, waarvan Leahy dacht dat erom gevochten zou worden, bleven onaangeroerd. Verhart: 'Ze waren niet geinteresseerd in een metalen bijl of mes, maar wel in objecten die een rol spelen in hun sociale leven. Daarbij gaat het meestal om een laag niveau van individuele of groepscompetitie.'

Die statusverhogende objecten moeten in verband kunnen worden gebracht met de vreemdeling, exotisch van karakter zijn en vertaald kunnen worden naar de eigen situatie. In feite gaat het om het ruilen van objecten van geringe waarde voor de gever, soms is het zelfs afval. Een leeg haringblikje is voor een chief gewild als sieraad, terwijl de kolonist blij is met wat zoete aardappelen als voedsel.

LANGZAMERHAND ontstaat er echter inflatie. Zo werden de schelpen op den duur door Leahy met vliegtuigladingen aangevoerd. Verhoogde in het begin een stukje schelp of bord al de status van de drager, later waren hele kettingen, of zelfs complete gewaden van schelpen nodig om de status hoog te houden. Andere voorwerpen, zoals de metalen bijl, gingen de rol van de schelpen overnemen. Verhart: 'Eerst vond je de metalen bijlen met gaten doorboord terug als sieraden, later werden ze gebruikt om de voedselproduktie te vergroten, zodat er meer varkens konden worden gehouden, wat voor de hoogland-papoea weer meer status betekende.'

Aanvankelijk werden dus voorwerpen van geringe waarde geruild die niet waren bedoeld ter vergroting van het economisch voordeel, maar ter verhoging van de status. Later kwam er inflatie en ten slotte ruil van nuttige gebruiksvoorwerpen. Verhart heeft onderzocht of dit patroon ook in andere reisverslagen was terug te vinden. Inderdaad bleek dit het geval.

'Maar dat wil niet zeggen dat dit ook zevenduizend jaar geleden in Nederland heeft plaatsgehad. Daarvoor moesten we onderzoeken of de archeologische feiten overeenkomen met een dergelijke hypothese', zegt Verhart. Hoewel ruil van voedsel en vrouwen (en bont bij de Nederlanders in New York) tegen objecten tijdens de contacten gebeurt, moet de archeoloog het hebben van minder vergankelijk materiaal: potscherven en stenen voorwerpen.

Wansleeben en Verhart menen genoeg steun te kunnen vinden in het verspreidingspatroon van aardewerken scherven en stenen voorwerpen gedurende een aantal eeuwen: uitwaaierend vanuit de löss-gebieden noordwaards. Stenen dissels van boerenoorsprong werden in graven van jagers gevonden, waaruit hun statusverhogende eigenschappen kunnen worden afgeleid.

Dat ook de invoering van de landbouw en een vaste woonplek slechts langzaam haar beslag heeft gekregen, blijkt, aldus de onderzoekers, onder meer uit de restanten van de zogenoemde Michelsberg-cultuur in west-Nederland en het oostelijk rivierengebied bij Nijmegen uit 4200 voor Christus. Deze mensen gebruikten aardewerk en slepen hun stenen werktuigen (een boerse traditie), maar ze jaagden en verzamelden ook. Ze lijken het zwerversbestaan te hebben gecombineerd met een meer vaste verblijfplaats.

Verhart: 'Vanuit economisch oogpunt ligt landbouw niet zo voor de hand, want een jager-verzamelaar had ongeveer twee uur per dag nodig om aan z'n voedsel te komen, terwijl landbouw veel arbeidsintensiever is. Wij denken dat status en macht veel belangrijker waren voor de introductie van een aan één plek gebonden leefwijze.'

Macht en status kunnen dan gemakkelijker uitgeoefend worden omdat clanleden die het niet bevalt, niet zo gemakkelijk weg kunnen als bij een zwervende leefwijze. Ook uit etnografisch onderzoek blijkt dat de onderlinge gelijkheid in trekkende gemeenschappen veel groter is dan in dorpsgemeenschappen.

Natuurlijk blijft het speculeren over wat er zevenduizend jaar geleden precies gebeurde, erkent Verhart. Maar het is wel een speculatie die overeenkomt met zowel etnografische als archeologische feiten. 'Ik denk niet dat er een revolutie plaatsvond, maar dat het proces zeer sluipend is geweest. Als je eenmaal begint met het aanleggen van een akker, is er bijna geen weg terug meer.

'De gemeenschap centreert zich steeds meer rond die velden. Dan ontstaan er taak- en rolverdelingen, treden er sociale veranderingen op waardoor het ene individu meer status en macht kan krijgen dan het andere en wordt de gemeenschap hiërarchischer. Wij denken dat dit in de periode tussen vijf- en vierduizend voor Christus in zuid- en midden-Nederland is gebeurd.'

De oorspronkelijke bandkeramiekers uit Limburg waren toen allang weggetrokken. Zij waren indertijd de Amerikanen van Europa, die hun hele cultuur (van cornflakes tot videobanden) overvliegen als ze op een vreemde plek zijn, zegt Verhart. 'De bandkeramiekers kenden een hoog gespecialiseerd trucje - de landbouw - maar waren waarschijnlijk niet in staat zich aan te passen aan de omstandigheden in Nederland.'

Maarten Evenblij

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden