Stasi-agenten blijven in de schaduw

Vroegere DDR-burgers kunnen in Berlijn hun Stasi-dossier inzien, maar de agenten en verklikkers blijven anoniem...

‘Soms krijg ik de indruk dat het Stasi-archief er is om de anonimiteit van de daders te waarborgen. De belangen van mij, als slachtoffer, worden hier in elk geval niet behartigd.’

De Leipziger Josef M., een gezette man van in de vijftig, is boos. En hij is ook een beetje bang, getuige het feit dat hij zijn volledige naam niet aan een Nederlandse krant wil toevertrouwen. Waarom niet? ‘Omdat ik anders gedonder krijg met de Stasi.’ De Stasi? Die bestaat toch al twintig jaar niet meer? ‘Dat zegt u, ik weet wel beter.’

Josef M. had zich in het voorjaar van 2007 tot de Bundesbeaufragte für die Stasi-Unterlagen (BStU) gewend met het verzoek inzage te krijgen in de akten van zijn overleden broer Gregor. Die was begin jaren tachtig tot een gevangenisstraf van 18 maanden veroordeeld, omdat hij een vlucht naar de klassenvijand in het Westen zou hebben beraamd. M. heeft naar eigen zeggen ‘gegronde redenen’ om aan te nemen dat zijn broer, die na zijn detentie in zwaarmoedigheid verviel, door een voormalige intimus bij de autoriteiten is aangegeven. Van dit ‘knagende vermoeden’ hoopte hij een onderbouwing te vinden in het dossier van zijn broer.

In eerste instantie was de BStU hem echter niet ter wille. Vroegere DDR-burgers kunnen alleen hun eigen dossier inzien. Derden genieten dit recht in beginsel niet. Het kostte M. ‘onredelijk veel tijd en inspanning’ om als zaakwaarnemer van zijn overleden broer te worden erkend. Toen hij deze procedure had doorlopen, wachtte hem een nieuwe ontgoocheling. ‘Ik mocht tegen betaling van de kosten die ermee gemoeid waren alleen de kopieën van de originele documenten bekijken. De namen van de Inoffizielle Mitarbeiter (de mensen die in opdracht van de Stasi hun medeburgers bespioneerden, red.) waren echter onleesbaar gemaakt.’

Een medewerker van het centrale Stasi-archief in Berlijn erkent dat de toegankelijkheid voor derden sterk is begrensd om ‘persoonsbescherming’ te kunnen bieden aan voormalige medewerkers van de Stasi. ‘Bij het Bundesarchiv zijn de regels veel soepeler dan in dit huis.’

Ook de openheid die wordt betracht bij de rondleidingen door de vroegere Stasi-centrale aan de Berlijnse Normannenstrasse is maar heel betrekkelijk. De kleine groepen worden, behalve door een gids, begeleid door twee geüniformeerde suppoosten, die de instructie lijken te hebben gekregen zich niet met de gasten te verbroederen. Hun aanwezigheid moet vooral voorkomen dat bezoekers een ongeautoriseerde blik in een van de dossiers werpen.

Het gebouwencomplex, waar ongeveer een derde van de 39 duizend medewerkers van Erich Mielkes ministerie van Staatsveiligheid was ondergebracht, wekt een natuurgetrouwe indruk van het tot systeem verheven wantrouwen dat de DDR-leiding tegenover haar burgers koesterde. In gangen met een intimiderende lengte hangt nog een vleugje lysol. Honderden in het gelid staande archiefkasten vormden de ruggengraat van een Überwachungsstaat, die op den duur onder zijn eigen last bezweek.

Het Stasi-archief in Berlijn en twaalf dependances elders in Oost-Duitsland bevat 39 miljoen systeemkaarten (op een bevolking van 16 miljoen), 1,4 miljoen foto’s van geobserveerde burgers, 169 duizend film-, video- en audiodocumenten en meer dan 15 duizend zakken met archiefmateriaal dat in de nadagen van de DDR werd vernietigd en nu wacht op reconstructie (een klus die met de huidige technieken pas over tientallen jaren zal zijn voltooid). Een toegewijde Stasi-officier slaagde erin een document in A5-formaat in 98 stukken te knippen.

Volgens vroegere DDR-dissidenten en Stasi-slachtoffers is de bevoordeling van de daders door de BStU symptomatisch voor de bangelijke omgang van het herenigde Duitsland met ‘de tweede Duitse dictatuur’. In het oosten van het land zijn nog altijd veel straten en pleinen vernoemd naar de vroegere KPD-leider Ernst Thälmann en Wilhelm Pieck, het eerste staatshoofd van de DDR. Een dergelijk eerbetoon is de voortrekkers van de vreedzame revolutie van 1989 echter onthouden.

Een nationaal monument dat aan de DDR-dictatuur herinnert, ontbreekt eveneens – twintig jaar na de Wende. Er zijn op plaatsen waar DDR-burgers bij vluchtpogingen naar het Westen zijn doodgeschoten wel musea (zoals het ‘muurmuseum’ bij het voormalige Checkpoint Charlie) en monumenten, maar deze zijn doorgaans het resultaat van een particulier initiatief.

De DDR-historiografie wordt beheerst door studies over het alledaagse leven in de DDR. Die wekken volgens Hubertus Knabe, directeur van het museum in de vroegere gevangenis Hohenschönhausen, bij het nageslacht het misverstand dat het koddige stoplichtmannetje en Spreewald-augurken de wezenskenmerken van de DDR vormden. Inmiddels verkeert meer dan de helft van de jongeren in Oost en West in de veronderstelling dat de Stasi een veiligheidsdienst was als alle andere, en dat ‘het andere Duitsland’ een democratie was. Konrad Adenauer, de eerste bondskanselier, wordt door velen voor een DDR-staatsman gehouden.

De relativering van het kwaad van de DDR wordt volgens Knabe door vele vroegere daders als een vorm van rehabilitatie uitgelegd. Zij verstoren bijeenkomsten van hun ‘tegenstanders’ en ze eisen onbeschroomd het recht op om de West-Duitse zienswijze op de DDR te corrigeren. Ze beroepen zich echter wel op West-Duitse rechtsprincipes bij hun aanspraak op persoonsbescherming.

Gregor Gysi, voorzitter van de Linke-fractie in de Bondsdag, heeft bijna elk smaadproces gewonnen dat hij heeft aangespannen tegen historici en publicisten die suggereerden dat hij in de jaren tachtig als advocaat van DDR-dissidenten informatie over zijn cliënten aan het ministerie van Staatsveiligheid heeft doorgespeeld.

Gysi, wiens vader Klaus van 1966 tot 1973 DDR-minister van Cultuur was, heeft altijd met kracht ontkend een dubbelspel te hebben gespeeld. Een beroep op persoonlijke onschuld is echter allang geen voorwaarde meer voor een succesvol verweer tegen onthullingen over een Stasi-verleden.

Zo hebben talrijke oud-gedienden van de veiligheidsdienst gedaan weten te krijgen dat verwijzingen naar hun verleden in boeken of op tentoonstellingen werden verwijderd om de ‘socialisering’ van de betrokkenen niet te belasten. Uit beduchtheid voor assertieve advocaten onderwerpen publicisten zich aan zelfcensuur door daders als ‘overste X’ of ‘majoor Y’ aan te duiden.

‘We dachten dat er gerechtigheid zou komen, maar we kregen de rechtsstaat’, zei de DDR-dissidenten Bärbel Bohley kort na de Wende al. En volgens Jochen Staadt, verbonden aan de onderzoeksgroep SED-staat van de Vrije Universiteit in Berlijn, is de wetenschappelijke vrijheid ondergeschikt gemaakt aan het recht op privacy. ‘De DDR verwordt tot een spookstaat zonder mensen’, schreef Der Spiegel. ‘Waar namen verdwijnen, zijn op den duur geen verantwoordelijken meer.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden