Stabiliteitspact straft kleintjes en ontziet groten

Nu Duitsland is ontsnapt aan een terechtwijzing wegens overschrijding van de EMU-normen, rijst de vraag of Europa gewoon verder kan gaan waar het was gebleven....

NU DE ministers van Financiën van de Europese Unie vandaag voor het eerst weer bijeenkomen sinds de miraculeuze ontsnapping van Duitsland aan een schrobbering over zijn oplopend overheidstekort, is het tijd voor enige reflectie. Op de agenda staat in de eerste plaats de boordeling van de convergentieprogramma's van de lidstaten. De vraag is echter of de ministers nu zonder meer kunnen overgaan tot de orde van de dag, of dat zij ter voorbereiding van de Europese top in Barcelona hun regeringsleiders advies moeten vragen hoe nu verder met het stabiliteits- en groeipact om te gaan.

Duitsland was overigens al eens eerder ontsnapt, namelijk bij de besluitvorming over de vraag welke landen lid van de EMU mochten worden. De door Duitsland zelf, in ruil voor het opgeven van de D-mark, afgedwongen strenge toelatingsnormen voor de EMU hadden er bijna toe geleid dat uitgerekend Duitsland niet kon toetreden.

Deze normen waren vooral bedoeld om de zwakke broeders buiten de kerngroep van de EMU te houden, maar op het moment dat de landen het 'toelatingsexamen' moesten afleggen, overschreed de Duitse overheidsschuld de bovengrens van 60 procent van het bruto binnenlands product (BBP) en steeg de schuld op dat moment nog steeds. Het Verdrag van Maastricht spreekt van een tekort onder die 60 procent of tenminste afnemend. De regeringsleiders die in 1998 de prestaties van de EMU-kandidaten moesten beoordelen, toonden zich echter - terecht - geen boekhouders.

Ironisch genoeg kon de EMU in 1999 mede dankzij de dus ook toen al zwakke Duitse prestaties met een grote groep landen van start gaan. Hetzelfde Duitsland dat met een superstreng stabiliteitspact de zwakke broeders uit het zuiden in de klem wilde houden, is nu een eerste waarschuwing over de hoogte van zijn begrotingstekort ontlopen. De wijze waarop dit is gebeurd, draagt enkele leerzame lessen in zich.

In de eerste plaats blijkt onomstotelijk het ware karakter van het stabiliteits- en groeipact: het is een soort atoombom, zeer geschikt om af te schrikken, en ook als zodanig bedoeld, maar ongeschikt om toe te passen. Zelfs bij dreiging met het lichtste instrument dat het pact kent, blijkt een groot aantal lidstaten al op zijn achterste benen te gaan staan. Want de snelle solidarisering van een aantal grote lidstaten met Duitsland had duidelijk trekken van 'dit kan ons ook overkomen'.

Er is weinig fantasie voor nodig om te bedenken wat er zou gebeuren als de volgende fasen van het pact in werking zouden treden: dwingende beleidsaanwijzingen aan het land in overtreding, met financiële sancties bij onvoldoende naleving van die aanwijzingen, zonder dat het eigen parlement er nog enige invloed op kan hebben. Een dergelijke straf zal zeker de grote lidstaten nooit worden opgelegd, dat is na de kwestie-Duitsland wel duidelijk geworden.

In de tweede plaats is de reactie van de financiële markten opmerkelijk. Alle onheilsvoorspellingen ten spijt, gaven dezen geen krimp. In deze kringen wordt het pact eerder gezien als een gevaarlijk instrument dat procyclisch beleid uitlokt, dan als een garantie voor de gezondheid van de eurozone. Wat de financiële markten interesseert is groei, en daar draagt het pact, ondanks het te elfder ure onder franse druk toegevoegde epitheton met die naam, niet aan bij.

In de derde plaats is interessant hoe de Europese Centrale Bank onder Duisenberg steeds meer blijk geeft van pragmatisme. De suggestie om in ruil voor concrete toezeggingen een formele waarschuwing maar achterwege te laten, was enkele dagen voor de bewuste vergadering van de EU-ministers van Economische Zaken en Financiën door Duisenberg op zijn persconferentie in Maastricht gedaan. Wel suggereren andere ECB-bestuurders nu dat renteverlagingen afhankelijk gemaakt zullen worden van de mate waarin Duitsland zijn beloften nakomt.

Ten vierde worden nu de beperkingen duidelijk van de vorm van soft government die de architecten van het Verdrag van Maastricht bedacht hadden voor de economische poot van de EMU. Bij economische samenwerking in de EMU is niet gekozen voor een krachtige positie voor de Europese Commissie (evenmin als er een controlerende taak is weggelegd voor het Europese Parlement of welk ander parlement dan ook), maar mogen de lidstaten alles onderling bedisselen, inclusief de toepassing van de sancties op niet-naleving. Dit in afwijking van de procedure die op andere terreinen van de Europese samenwerking wordt toegepast. Bij de eerste echte test blijkt de 'peer pressure' niet opgewassen tegen 'election pressure'.

Het angstige vermoeden rijst echter dat een klein land als Portugal, dat nu in het kielzog van de Duitse revolte aan een reprimande ontsnapte, wel degelijk een formele waarschuwing gekregen had als zij als enige niet aan de EMU-normen had voldaan. Peer pressure is geen garantie voor gelijke behandeling van groot en klein, zoals Ierland vorig jaar heeft mogen ervaren. Dat land kreeg toen als eerste EMU-lid een reprimande omdat de regering in Dublin bij een reeds hoge economische groei doorging met het voeren van een stimuleringsbeleid, met het risico van een oplopende inflatie. Alleen gemeenschapsinstellingen als de Europese Commissie en het Europeees Parlement kunnen een garantie voor een gelijke behandeling bieden.

De verzwakking van de rol van de Commissie, die met het Verdrag van Maastricht al is ingezet en door de val van de Commissie-Santer in een stroomversnelling is geraakt, kan daarom de kleine landen, inclusief Nederland, nog opbreken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden