Staatssecretaris is leven stuk minder zeker dan minister

In Nederland is het aftreden van een minister een zeldzaamheid. Anders dan in de VS of Frankrijk, brengt dit immers het voortbestaan van het kabinet in gevaar.

Wie in de parlementaire geschiedenis terugkijkt naar afgetreden bewindslieden, ziet een duidelijke rode draad. Een minister die wordt weggestuurd is een veel grotere zeldzaamheid dan een staatssecretaris die opstapt. Wel is het patroon hetzelfde: de bewindspersoon raakt het vertrouwen van het parlement kwijt, wacht een motie van wantrouwen niet af en houdt de eer aan zichzelf.


Een staatssecretaris offeren is een kleiner risico voor het voortbestaan van een kabinet dan het verlies van een minister. Rutte II verloor al twee staatssecretarissen. Co Verdaas (PvdA, Economische Zaken) stapte in december 2012 op toen zijn declaratiegedrag in een vorige functie niet bleek te kloppen. Frans Weekers (VVD, Financiën) schutterde in het dossier van de toeslagen en wachtte twee weken geleden tijdens een rampzalig debat daarover een uitspraak van het parlement niet af. Het kabinet kwam in beide gevallen niet in de problemen.


In Frankrijk benoemt en ontslaat de president zijn ministers. Dat maakt wisselingen relatief makkelijk. In de Verenigde Staten is één partij aan de macht. Ook daar komen ministerswisselingen daarom vaak voor; ze destabiliseren niet. Nederland wordt geregeerd door coalities van politieke partijen. Zo'n coalitie kan uit haar evenwicht raken als bewindslieden opstappen. Zeker als het om ministers gaat: een ministerscrisis draagt het risico te escaleren tot een kabinetscrisis. Daarom gebeurt het zelden.


'En als het al gebeurt', zegt Jit Peters, emeritus hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam, 'zie je dat, niet toevallig, duo's van verschillende politieke kleur vertrekken. In 2006 de ministers Donner en Dekker na de Schipholbrand. De een van het CDA, de ander van de VVD. Of in 1994 de ministers Van Thijn (PvdA) en Hirsch Ballin (CDA), vanwege de IRT-affaire.' Overigens waren in beide gevallen al nieuwe verkiezingen uitgeschreven, respectievelijk gehouden: een nieuw kabinet zou er toch al komen.


De geschiedenis leert dat bewindslieden ook om andere redenen dan een vertrouwensbreuk met het parlement kunnen vertrekken. In het kabinet-Balkenende I (2002) maakten de LPF-ministers Bomhoff en Heinsbroek zoveel ruzie, dat ze beiden hun ontslag indienden. Ze sleurden het kabinet mee in hun val.


D66-minister Thom de Graaf (Bestuurlijke vernieuwing) stapte in 2005 op nadat hij in de Eerste Kamer een politieke nederlaag had geleden. Coalitiepartner VVD steunde zijn plannen voor de gekozen burgemeester niet. Balkenende II regeerde door; De Graaf werd als minister opgevolgd door Alexander Pechtold.


Bram Peper (PvdA, Binnenlandse Zaken) trad in 2000 af vanwege beschuldigingen over zijn declaratiegedrag als burgemeester van Rotterdam. Hij vond dat die zijn functioneren belemmerden en dat hij zich als bewindsman lastig kon verdedigen. In de jaren nadien wist hij zich vrij te pleiten van de aantijgingen, maar zijn ministerspost was hij kwijt.


Een bijzondere ministerswissel was in 2008 de opvolging door Eberhard van der Laan van Ella Vogelaar. De PvdA-partijtop vond dat de minister voor Wonen, Wijken en Integratie te weinig bereikte. Ze haalden de Amsterdamse advocaat Van der Laan, nu burgemeester van Amsterdam, met succes naar Den Haag. Bijzonder was ook het vertrek van D66-minister Hayo Apotheker (Landbouw) in 1999: hij kon niet aarden in Den Haag.


MINISTER MAAKT EIGEN AFWEGING

Staatssecretaris Frans Weekers (Financiën) wachtte vorige maand een dreigende motie van wantrouwen niet af en stapte op. Staatssecretaris Fred Teeven kreeg in april vorig jaar een motie van wantrouwen voor zijn kiezen, in het debat over de asielzoeker Dolmatov die in de cel zelfmoord pleegde. De motie werd door de Kamer niet aangenomen. Teeven bleef aan en wees op het feit hij niet alleen door de beide coalitiepartijen was gesteund, maar ook door een aantal andere fracties. Hij kon zich beroepen op breed draagvlak in de Kamer.

In 1988 traden minister Van Eekelen (VVD) en staatssecretaris Van der Linden (CDA) af na kritiek van een parlementaire enquêtecommissie. Van Eekelen was op dat moment minister van Defensie, maar werd verantwoordelijk gehouden voor de paspoortaffaire in zijn eerdere functie als staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. De CDA-top dwong daarop om politieke redenen Van der Linden (Europese Zaken) ook af te treden.

In 2002 trad het kabinet-Kok (Paars 2) af na het NIOD-rapport over Srebrenica. Het kabinet-Balkenende IV maakte in 2010 een andere afweging na het rapport-Davids over de Irak-oorlog. In het eerste geval waren al verkiezingen uitgeschreven. In het tweede geval viel het kabinet vijf weken later alsnog.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden