Sprookjes als van God gezonden ANDERSEN WAS EEN PATHOLOGISCHE ZWARTKIJKER

SOMS ZOU je wensen dat een groot en geliefd schrijver begraven was samen met alle stoffelijke resten uit zijn leven....

ALEID TRUIJENS

Een kind kan niet geloven dat zijn lievelingssprookjes ooit door iemand zijn verzonnen, en daarom blijft het moeilijk om je Hans Christian Andersen (1805-1875) anders voor te stellen dan als een tovenaar, die zijn wijze, grappige en ware verhaaltjes als zachtgekleurde bellen de wereld inblies, en vervolgens op zijn sneeuwwitte paard glimlachend in de wolken verdween. 'Het lelijke jonge eendje', 'De nieuwe kleren van de keizer', 'De sneeuwkoningin' en zo'n honderddertig andere, nooit meer weg te denken sprookjes liet hij voor ons achter, om voor te lezen aan telkens nieuwe, slaperige kleuters in pyjama, die ze later weer zouden doorvertellen aan hun kinderen.

Andersen was een reus van een man met een glimmend zwarte hoge hoed en een lange, uit hout gesneden puntneus, maar voor het overige was hij toch gewoon een Deense schrijver. Aanvankelijk een toneelschrijver, die vaak vruchteloos leurde met zijn stukken, en een dichter die door de kritiek van zijn tijd niet als een enorm talent werd beschouwd. In de jaren dertig van zijn eeuw kreeg hij enig succes als schrijver van romans en reisverhalen. Maar het waren de sprookjes, voor de lol naast zijn echte werk geschreven, die hem bekendheid gaven. Eerst in Duitsland, later in Denemarken, in heel Europa en in Amerika. De arme schoenmakerszoon uit Odense stierf als een beroemd man, kind aan huis bij de Deense koning, bij wereldleiders en grote tijdgenoten. Held van alle kinderen en miljonair bovendien. Uit het lelijke jonge eendje was een prachtige zwaan gegroeid.

Dat was 'het sprookje van zijn leven' dat hij graag de wereld in stuurde; zo luidde ook de titel van zijn rooskleurige autobiografie uit 1847, die hij later tweemaal met nieuwe wapenfeiten aanvulde. Maar een trotse zwaan voelde hij zich zijn leven lang allerminst, zo blijkt uit zijn dagboek en de vele brieven die hij naliet. Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd is de goed gekozen titel voor een bundel met een klein deel van zijn egodocumenten - slechts drie procent van het aanwezige materiaal - dat Edith Koenders vertaalde en van summier, nuttig commentaar voorzag.

Van die drie typeringen was alleen de middelste echt waar, de beide andere berustten op inbeelding. Arm was hij als schrijver niet: al jong kreeg hij een jaarlijkse toelage van de koning, en na enkele bundels sprookjes stroomden de royalty's binnen. Verliefd was hij vaak, maar steeds op de verkeerde. Altijd ontevreden, dus. Want Andersen was een pathologische zwartkijker, een ongedurig, gekweld en verongelijkt man, voor wie het geringste blijk van kritiek alle lof overschaduwde.

Natuurlijk, hij wist dat zijn sprookjes hem zouden overleven, al overleefd hádden, toen hij op 70-jarige leeftijd, omhangen met eerbewijzen, stierf als de beroemdste Deen die zijn land had voortgebracht. Zelfs beroemder dan de Duitse gebroeders Grimm, zijn grote concurrenten, die hij verbeten volgde. Hij wist ook dat de dagboeken, waarin hij lucht gaf aan zijn kwetsbare, klagerige gemoed, een ontluisterend beeld van hem zouden geven. 'Het is mijn bedoeling om al deze aantekeningen te verbranden', schreef hij in 1871, een paar jaar voor zijn dood. Maar hij deed het niet, want hij was een ijdeltuit. Zijn vele brieven gaf hij in bewaring bij de criticus Nicolai Bgh, een zeldzaam goed mens, die nooit één akelig woord over hem had geschreven. Afgesproken werd dat de brieven pas acht jaar na zijn dood gepubliceerd mochten worden, maar in 1878 lag het eerste deel al in de boekhandel.

Andersens brieven en dagboeken hadden tot de meest interessante en informatieve documenten van de negentiende eeuw kunnen behoren. Op de reizen die hij maakte, kan menig twintigste-eeuwer jaloers worden. Elk jaar verliet hij zijn gehate vaderland, en vertrok naar Duitsland, Engeland, Italië, Frankrijk en 'de oriënt'. Hij reisde per trein, de wereld ontsloot zich. Maar het is opmerkelijk hoe weinig hij - althans in zijn dagboeken en brieven; het beste bewaarde hij voor zijn reisverslagen - over al die reizen te melden heeft. Of hij nu in Granada, Lissabon of Rome is, hij voelt zich er moe of niet lekker: op de tocht gezeten, verkeerd voedsel, slecht bed, lawaai. Altijd gaat het geld te snel op. En bijna nooit deugt het reisgezelschap, jonge jongens die hij meenam en die zich stelselmatig ontpopten als onattente vrienden en ongemanierde vlerken.

Anderson ontmoette op zijn reizen 'iedereen' die iets voorstelde in zijn tijd, maar we krijgen bitter weinig van hen te zien. De voornaamste verdienste van Liszt is dat zijn minnares, de vorstin Wittgenstein, had gezegd dat hij op hem, Andersen, leek. Heinrich Heine prijst zijn werk, maar 'toch vertrouw ik zijn gezicht niet'. Brahms is een lomperik. Gelukkig is Alexandre Dumas 'buitengewoon beminnelijk' tegen hem, evenals Dickens, maar als deze laatste sterft is het vooral jammer dat 'ik geen verklaring meer van hem zal krijgen waarom hij mijn laatste brieven niet heeft beantwoord'.

Nederland, dat hij op doorreis enkele keren bezoekt, is 'de idylle van Europa'. Immers, Andersen wordt er hartelijk ontvangen door de schrijvers Van Lennep, Ten Kate en Kneppelhout, en de componist Johannes Verhulst, die zijn werk in alle toonaarden bejubelen - maar geen woord over hún werk. Het belang van alle anderen wordt afgemeten aan de positieve of negatieve uitlatingen over zijn persoon of werk. Eigenlijk is Andersen alleen onbedreigd in zijn nopjes als een of andere koning of prinses, in Weimar, of Oostenrijk, hem 'welwillend' heeft toegesproken, of zelfs gekust. Maar dan is er meteen ook weer alle reden om te klagen over zijn landgenoten, die zo'n grote, aan ieder hof gefêteerde figuur niet op waarde schatten.

Het gekke is dat deze door en door egocentrische huilebalk zich toch niet onsympathiek weet te maken in deze aantekeningen. Dat komt waarschijnlijk doordat hij, bij al zijn succes, werkelijk tragisch was. Een 'kinderschrijver' wilde hij niet zijn, hij gruwde bij die gedachte en valt ook niet te betrappen op bovenmatige liefde voor kinderen. Maar hij was zelf een groot kind dat na ieder complimentje een flink pak slaag verwachtte, en niet kon geloven dat die roem hem zomaar toeviel. Hij werd zo verdrietig door al die vermeende vernederingen dat hij geen aandacht voor anderen kon opbrengen.

Aardig is echter dat Andersen zeurt over alles en nog wat, maar nooit over zijn werk. Dat kwam hem aangevlogen, geschenken van God op wiens voorzienigheid hij blind vertrouwde. Hij schreef het ene sprookje na het andere, soms één per dag, en vertelt daarover slechts dat het 'zich meldde'. Een molen, een sneeuwklokje, een ezeltje - hij ziet ze en transformeert ze tot emblemen, tot waarheden over de menselijke ziel, waaraan je geen woord hoeft vuil te maken. In 1874, kort voor zijn dood, is hij klaar met toveren; zijn 'sprookjestrommel' is leeg. 'Kijk ik naar het brede waterlelieblad, dan heeft Duimelijntje haar reis erop al volbracht. Luister ik naar de wind - die heeft verteld van Waldemar Daae en weet niets beters.' Andersen beschouwde zichzelf als een medium dat ingeblazen sprookjes naar de aarde doorzond. En dat is precies zoals zijn sprookjes bij al die miljoenen kinderen binnensijpelen. De veelgeplaagde schrijver van weleer doet er niet meer toe. Van zijn leven resten kruimeltjes, interessant voor hongerige cultuurgrazers, maar kruimeltjes.

Aleid Truijens

Hans Christian Andersen: Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd - Een keuze uit zijn dagboeken en brieven.

Vertaald uit het Deens en bezorgd door Edith Koenders.

De Arbeiderspers; 275 pagina's; * 39,90.

ISBN 90 295 0004 2.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden