Springplank naar Italië

Veel Nederlandse museumdirecteuren, conservatoren en hoogleraren woonden er ooit tijdelijk – in de villa van het Nederlands Kunsthistorisch Instituut in Florence, dat nu vijftig jaar bestaat....

Je dringt door tot Italië en komt in palazzi en archieven waar je normaal geen toegang toe hebt. Je wordt geïntroduceerd in een mondiaal academisch circuit, en kan tussen de talloze kunstobjecten van de stad aan een onderzoek werken. Dat zijn de argumenten van veel academici die ooit, vaak meerdere malen, in het Nederlands Interuniversitair Kunsthistorisch Instituut in Florence verbleven.

In de zuidelijke heuvels, net over de rivier Arno, staat de villa van het ‘NIKI’, zoals het instituut nogal persoonlijk wordt afgekort. Het is inmiddels een tijdelijk huis geweest voor zo’n tienduizend studenten en onderzoekers.

En nu is het NIKI jarig. Vijftig jaar wordt het. Afgelopen week was er een feestje in aanwezigheid van veel NIKI-recidivisten, onder wie oud-Rijksmuseumdirecteur Henk van Os en huidig Rijksmuseumdirecteur Ronald de Leeuw.

Voor directeur Bert Meijer is het feest ook een afscheid. Hij geeft zijn post na 32 jaar over aan kunsthistoricus en Leonardo da Vinci-deskundige Michel Kwakkelstein.

Meijer is tevreden: ‘Het instituut heeft een grote sprong gemaakt. Toen ik er in de jaren zestig met een groep studenten voor het eerst kwam, zat er één vrouw in de bibliotheek te werken. Ze was er al de hele winter en ze was dolblij dat wij er waren. Nu studeren hier driehonderd mensen per jaar.’

Het NIKI is een van de weinige kunsthistorische instituten die Nederland in de wereld heeft. Het werd in 1958 opgericht door de Universiteit Utrecht om onderzoek naar de Italiaanse kunst en de relaties tussen Italiaanse en Nederlandse kunst te bevorderen. Vrijwel direct konden er mensen van alle Nederlandse universiteiten terecht.

Bert Meijer wilde een impuls aan het professionaliseren van kunsthistorici geven. En dat lijkt gelukt. De invloed van het instituut op het circuit van oude kunst in Nederland is zichtbaar. Een behoorlijk aantal van onze huidige museumdirecteuren, conservatoren en hoogleraren deden ooit onderzoek in de villa. Behalve Rijksmuseumdirecteuren Van Os en De Leeuw ook conservatoren als Carel van Tuyll van Serooskerken (Louvre, Parijs), Wouter Kloek (Rijksmuseum), Norbert Middelkoop (Amsterdams Historisch Museum), hoogleraren als Jeroen Stumpel (Utrecht) en Henk van Veen (Groningen). De bibliotheek groeide uit tot een van de beste plekken voor Italianen om in eigen land over Nederlandse kunst te lezen, en voor Nederlanders om Italiaanse kunst te bestuderen.

Het is voor veel mensen de springplank naar Italië. De mogelijkheid om te verblijven in Florence, waar op iedere straathoek wel een kerk staat met de meest hoogwaardige kunstwerken, werkt stimulerend. Bovendien ontmoeten de jonge kunsthistorici die in het NIKI verblijven in korte tijd veel kunstprofessionals op de lezingen en symposia in de stad.

Directeur Bert Meijer is daarbij de bemiddelaar. Hij kent de mores van Italië en begeeft zich met gemak onder de collega’s van andere instituten. En hij heeft de reputatie een eigenwijs geloof in mensen te hebben, vertelt docent Arjan de Koomen van de Universiteit van Amsterdam. ‘Toen ik op mijn 24ste op het NIKI verbleef voor onderzoek naar de beeldhouwer Donatello, gaf Bert me op om te spreken op een groot internationaal congres. Stond ik daar tussen de enorm gearriveerde academici.’ De Koomen bouwde een nauwe band op met het NIKI – hij werkte er vier jaar als bibliothecaris en komt er al jaren als begeleider van studentenexcursies.

Ook Henk van Os is het instituut dierbaar. Hij verbleef er al in 1958, het jaar dat het NIKI opende. De liefde ging niet meer over. Van Os woonde er af en aan gedurende decennia, begeleidde werkgroepen en excursies: ‘Voor veel mensen is het een thuishaven. Ik bedoel, je was al gek als je als jongen koos voor kunstgeschiedenis. Je kon er wel zeker van zijn randmaatschappelijk te worden. Maar eenmaal in Florence bleek het normaal. Er liepen veel mensen rond met dezelfde interesse.’

Het grootste belang van het instituut, zegt onder meer Van Os, is de internationale oriëntatie die het biedt aan studenten, voordat ze een afstudeerrichting gekozen hebben. Van Os is ‘als de dood’ voor nationalisme in de kunst: ‘Het cultuurbewustzijn in Nederland is verschrikkelijk nationalistisch. Studenten moeten vroeg in de studie een verbreding aangeboden krijgen.’ Het NIKI heeft daaraan de afgelopen jaren bijgedragen, door een verblijf voor studenten betaalbaar mogelijk te maken.

Maar ook aan jonge professionelen geeft het NIKI een bredere blik, zegt Jeroen Stumpel. Hij is hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht: ‘De Nederlandse kunstgeschiedschrijving is erg veel met Nederland bezig. Het instituut is de drempel tegen provincialiteit.’

In de afgelopen jaren is er veel ontdekt door de mensen die er verbleven. Henk van Os kon er met behulp van fotodocumentatie altaarstukken reconstrueren waarvan de losgezaagde delen over de hele wereld verspreid waren. Kunsthistoricus Saskia Cohen, die een dissertatie afrondt over de Italiaanse kunstenaarsbiografieën van Karel van Mander (een 16de-eeuwse Nederlandse auteur), vond in Florence een tekening van een schilderij waarover Van Mander schrijft. En de nieuwste ontdekking is van bibliothecaris Gert Jan van der Sman, die al jaren in het NIKI woont. Hij kon vaststellen wie er afgebeeld staan op twee beroemde fresco’s van de schilder Botticelli, in de collectie van het Louvre.

Nu het jubileum wordt gevierd, is het volgens scheidend directeur Meijer tijd voor een nieuwe, bredere koers: ‘In de toekomst wil ik dat het instituut mogelijkheden voor andere vakken aanbiedt. Mode, design, misschien film. Mensen van hoge scholen en universiteiten moeten hier terecht kunnen.’

Ook moet het instituut dringend worden uitgebreid, benadrukte onder meer Ronald de Leeuw vorige week in zijn jubileumtoespraak. De bibliotheek puilt uit, het instituut is uitgewoond en er zijn slaapplaatsen tekort. Arjan de Koomen zou juist graag zien dat het NIKI ‘meer wordt zoals I Tatti’, het instituut van Harvard in Florence waar professoren in residence verblijven. ‘Met fellowships van onderzoekers op niveau’.

Wat het ook zal worden, de romantiek van het instituut blijft. De Koomen zegt dat er veel verliefdheden ontstaan: ‘Het is mooi en de excursies zijn intensief. De verantwoordelijkheden van thuis vallen weg’. Ook Henk van Os zegt dat de villa en de stad iets doen met de mensen. Het is een vluchtoord: ‘Er was een tijd dat mensen er zaten om hun liefdesverdriet te compenseren met een scriptie die toch nooit afkwam’. Sommigen krijgen ook last van een heus Stendhal-syndroom bij het zien van al die kunst. Van Os: ‘Veel mensen krijgen een soort extase. Ik heb het ook jaren gehad, steeds bij terugkomst, maar het slijt. Op een gegeven moment is het weg.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden