Spraakverwarring

De Britse psychoanalyticus Darian Leader vindt de diagnoses in het handboek DSM veel te beperkt. Ook de Amerikaanse historicus Edward Shorter ziet niets in het afvinken van lijstjes. Hij pleit voor een zorgvuldige observatie van patiënten.

Darian Leader: Manisch

***


Uit het Engels vertaald door Stanneke Wagenaar en René van de Weijer.


De Bezige Bij; 126 pagina's; euro 16,90.


'We zijn koningen van de wereld, niets gaat ons te hoog, de maatschappij gaat te langzaam voor onze voortrazende geest, alles hangt met elkaar samen in een magnifiek gekleurd, creatief en betekenisvol web.'


Zo beschrijft Stephen Fry zijn manische periodes, die hem als acteur, schrijver en presentator - om een paar van zijn bezigheden te noemen - eerder lijken te helpen dan te hinderen. Dat gaat niet op voor de loodzware depressies die hem op andere momenten treffen en in de richting van de dood duwen. Stephen Fry is manisch-depressief. Of bipolair. Beide termen worden vaak door elkaar gebruikt, hoewel manisch-depressief als ouderwets geldt en bipolair de officiële diagnose is volgens het alom gebruikte handboek van de psychiatrie, de DSM.


Hebben beide termen ook dezelfde lading? Absoluut niet, stelt de Britse psychoanalyticus Darian Leader, in zijn jongste boek, Manisch. Bipolariteit is in de afgelopen decennia steeds verder verwaterd door een opdeling in subcategorieën. Tegenwoordig, aldus Leader, is er zelfs al zoiets als 'licht bipolair', met als belangrijk criterium dat iemand 'heftig reageert op verliezen'. De nadruk is komen te liggen op de stemmingswisselingen, op de aanwezigheid van pieken en dalen. De bijzondere aard van met name de manie is daarmee volledig uit zicht verdwenen.


In Manisch geeft Leader een bijna lyrisch portret van de werkelijke kenmerken van de stoornis: de voortrazende gedachtevlucht, die door associaties van woorden van hot naar her kan springen; het gevoel dat alles met alles samenhangt in, zoals Fry zei een 'betekenisvol web'; de dwingende behoefte aan gehoor, aan anderen om zich mee te verbinden, ook als die anderen zich aan hun stoel moeten vastklampen om de woordenstroom van de manische spreker het hoofd te kunnen bieden; en natuurlijk het vaak excessieve gedrag: seksuele uitspattingen, als Jezus op pad gaan om de wereld te redden, geld over de balk smijten dat je niet hebt, stelen, drank- en drugsgebruik, of een nieuwe identiteit uitproberen. Fry, een van de mensen rond wie Leader zijn betoog opbouwt, raakte in zijn jonge jaren verslaafd aan drank en cocaïne en nam met gestolen creditcards van vrienden van zijn ouders de levensstijl en kleding van een rijke, The Ritz frequenterende dandy aan.


Wat van deze ouderwetse, gedetailleerde beschrijving van een ernstige psychische stoornis is overgebleven, zijn af te vinken lijstjes criteria, waarvan patiënten er een voorgeschreven aantal moeten hebben om voor een DSM-diagnose in aanmerking te komen. De samenstellers van de DSM lijken met deze lijstjes hun oorspronkelijke missie ondergraven te hebben.


Toen de DSM-III in 1980 werd geïntroduceerd, was het de uitdrukkelijke bedoeling een einde te maken aan de op dat moment heersende spraakverwarring in de psychiatrie. Wie wat mankeerde, zou met zorgvuldige beschrijvingen wereldwijd op dezelfde, wetenschappelijk onderbouwde manier vastgesteld kunnen worden. Het bleek geen eenvoudig doel. De zorg dat de aanvankelijke beschrijvingen tekort schoten om iedere patiënt op te sporen, leidde tot nieuwe versies van het handboek met iedere keer meer uitbreidingen en zo vervaagde, aldus Leader 'een oorspronkelijk nauw omschreven diagnose tot een steeds onduidelijker spectrum aan stoornissen'.


Vanaf de introductie van de DSM-IV in 1994, begon op te vallen dat de grenzen tussen psychische stoornissen en gewone levensellende vervaagden. Met de in mei van dit jaar uitgekomen nieuwe versie, de DSM-5, is alleen maar een verdere medicalisering van alledaagse problemen te verwachten.


Kritiek op deze ontwikkeling zwelt al jaren aan en dan vooral met de strekking: trek de muren om de diagnoses hoger op, scherp de criteria aan, en laten we de normale problemen van rouwende mensen of drukke kinderen vooral buiten de psychiatrie oplossen, en zeker niet met pillen.


Leaders kritiek sluit hierbij aan. Als psychoanalyticus vindt hij dat problemen sowieso beter op de divan opgelost kunnen worden dan met pillen, maar hij is ook voor een strakkere afbakening. Tot zover niets nieuws. Opmerkelijk in zijn kritiek is de nostalgie naar een diagnose van vroeger. De roep om de oude, beproefde en vooral rijkere diagnoses van meer dan een eeuw geleden is een geluid dat aan kracht wint.


In How Everyone Became Depressed bepleit de Amerikaanse historicus Edward Shorter een terugkeer naar de uit de oudheid stammende melancholie en naar het geheel van klachten dat sinds de 18de eeuw met 'de zenuwen' werd aangeduid en in een 'zenuwinzinking' kon resulteren.


Wat de melancholie betreft, volgt Shorter de koers van een aantal onderzoekers die deze diagnose tien jaar geleden dwars tegen iedere DSM-ontwikkeling in opnieuw onder de aandacht brachten. Waarom? Omdat het een van de weinige duidelijk te herkennen ziektebeelden is die de geoefende psychiater ogenblikkelijk herkent: 'de uitdrukkingen van totale hopeloosheid en wanhoop, de hangende schouders en het krampachtige glimlachje, bedoeld om het vaste plan een einde aan het leven te maken te verbergen. En dan wordt de patiënt een week later gevonden, hangend onder een brug.'


Maar vooral omdat melancholie bij een andere behandeling - met andere medicijnen en soms ook met de in het verdomhoekje geraakte elektroshock-therapie - gebaat is dan bij de pillen die nu tegen alles wat onder de noemer depressie valt, ingezet worden. En er valt veel onder die noemer. Ook, aldus Shorter, het geheel aan klachten dat van oudsher aan 'de zenuwen' werd toegeschreven en bestond uit een combinatie van milde depressie, angst, vermoeidheid, fysieke klachten en een obsessief bezig zijn met de gezondheid.


Shorter, die zijn naam als historicus van de psychiatrie met eerdere, gedegen publicaties vestigde, traceert zorgvuldig hoe dit geheel aan klachten in de loop van twee eeuwen is opgekomen, uiteengetrokken, veranderd en ten slotte is uitgekleed om als depressie, als stemmingsstoornis, in de DSM terecht te komen.


In de praktijk van de psychiatrie is een stemmingsstoornis gekoppeld aan, zoals Shorter schrijft, 'de biobabbel' over serotonine. Alsof een depressie afdoende is verklaard met een ontbrekend stofje in de hersenen dat met een simpel pilletje opgelost kan worden. Ongetwijfeld zal een serotonine-tekort onderdeel zijn van sommige depressies, maar enige wetenschappelijke grond dat het meer is dan dat, is er niet.


Wat Shorter stoort, is dat de DSM psychiatrie niet alleen grossiert in op niets gebaseerde zekerheden, maar vooral nauwelijks over historisch besef lijkt te beschikken. Zolang er geen zekerheden zijn, vraagt de psychiatrie om meer dan het afvinken van lijstjes klachten. De psychiaters die al wat langer meegaan, zullen dat zeker beseffen. Zoals Shorter naar aanleiding van de hernieuwde belangstelling voor melancholie schrijft: 'Het waren deze veteranen onder de clinici - de clinici die geloven dat psychiatrie zowel een kunst als een wetenschap is - bij wie het collectieve geheugen aan melancholie terugstroomde.'


Shorters behartigenswaardige pleidooi om weer de tijd te nemen voor mensen die psychisch lijden, zorgvuldig te observeren wat hen mankeert, om kortom terug te keren naar de kern van het vak, zal niet op een warm onthaal kunnen rekenen bij verzekeringsmaatschappijen en een bezuinigende overheid, maar zal menig psychiater uit het hart gegrepen zijn. Of ze ook allemaal terug willen keren naar de diagnoses van een eeuw geleden is natuurlijk nog de vraag.


Zou er al iemand bezig zijn de in vergetelheid geraakte hysterie weer terug op het schild te hijsen?


Edward Shorter: How Everyone Became Depressed - The Rise and Fall of the Nervous Breakdown

****


Oxford University Press; 256 pagina's; ca. euro 29,95.


BARRE VLAKTES, DONKERE DIEPTES

De Britse psychoanalyticus Darian Leader trok begin 2008 de aandacht met zijn boek The New Black - Mourning, Melancholia and Depression, in vertaling verschenen als Het nieuwe zwart. In de Volkskrant noemde Olaf Tempelman het 'een pleidooi voor het betreden van barre vlaktes en donkere dieptes. Leader hekelt de cultuur van het snelle streven naar geluk, waarin mensen bij wie het allemaal niet zo wil vlotten, worden opgelapt met antidepressiva of oefeningen in positief denken. Leader, een ouderwets freudiaan, vergelijkt dergelijke quick fit-behandelingen met het bombarderen van terroristische bases om van het terrorisme af te komen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden