Sportdag is hel voor speelse kinderen

Op de sportdagen die de afsluiting van het schooljaar plegen op te luisteren, heersen volgens Liesbeth Wytzes nog de spelregels van de jaren zeventig: er mogen geen winnaars en verliezers zijn....

WEINIG dagen zijn zo frustrerend voor de jeugdige basisscholier als de jaarlijkse sportdag. Het is verbazend dat de kleintjes zich lang van tevoren enorm verheugen op dit treurige hoogtepunt: eens te meer een bewijs dat hoop triomfeert over ervaring.

De kinderen worden slordig bijeen geharkt, en moeten vervolgens een onoverzichtelijk parcours afleggen - een parcours waar zelfs de vele ouders die de leiding over de groepjes hebben, een dag over hebben moeten studeren.

Voor de spelletjes beginnen, staat het hele veld dan ook vol met klontjes ongeduldige kinderen en dommige ouders die met allerlei papieren in de hand proberen uit te zoeken waar ze moeten beginnen. Dat er van evenementen als touwtrekken, blikjes omgooien en hoepelen nog zoiets ingewikkelds gemaakt kan worden!

Dat is allemaal nog tot daar aan toe, want rommeligheid hoort nu eenmaal bij het kinderleven, en ze hebben daar zelf altijd veel minder last van dan hun ouders. Veel erger is het dat de natuurlijke competitiedrift van kinderen tijdens deze dag werkelijk totaal niet aan bod komt.

De sportdag van een basisschool - en dan vooral van de onderbouw - is een puur en ongeschonden overblijfsel van de mentaliteit die in de jaren zeventig heerste. Het is namelijk heel eenvoudig: kinderen willen winnen, of in elk geval weten wie de verliezers en de winnaars zijn.

Al heel jong roepen ze bij de geringste prestatie heel blij dat zij gewonnen hebben: verliezen is uiteraard een stuk moeilijker te accepteren. Ze springen van een bank, en roepen: 'ik ben de winnaar'

Zo gaat het dus ook op sportdag. Na het zakjes gooien, willen die kinderen allemaal weten wie de beste was en wie gewonnen heeft. Met een door de jaren bevochten wijsheid vertellen de ouders dat het niet om winnen en verliezen gaat, als ze maar plezier in het spelletje hebben.

Ze kijken daarna zo blij en ruimdenkend voor zich uit, dat ze niet zien hoe teleurstellend en onbegrijpelijk hun antwoord is. En het is nog fout ook: het gaat namelijk wél om winnen en verliezen, iets waar die ouders zelf elke dag mee bezig zijn. Ze proberen hun kinderen gewoon iets anders wijs te maken.

Het is dus helemaal verkeerd om kinderen te vertellen dat ze maar plezier in het doen en niet in het doel moeten hebben: een Zen-achtige wijsheid die indruist tegen alles wat kinderlijk is. Niet voor niets wordt het leven vaak vergeleken met een wedstrijd waarin verliezers en winnaars zijn.

Het zou dus getuigen van realiteitszin om de natuurlijke competitiedrang van kinderen niet te ontkennen. Ze moeten leren winnen, en ze moeten vooral leren verliezen. Als na afloop van een spelletje iedereen een cadeautje krijgt, zelfs die oen die niet één blikje omver kreeg, is de lol er voor de echte winnaars al snel van af.

En wie met sportdag niet wint, die wint wel weer ergens anders mee. Het zou dus een heel goed idee zijn om dat ereplatform van zolder te halen, af te stoffen en opnieuw in te stellen.

Liesbeth Wytzes is journalist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden