'Sport moet tussen onze oren zitten'

De Algemene Rekenkamer becijferde de kosten die de overheid maakte voor één olympische medaille op 4,4 miljoen euro. Volgens het onderzoek gaat het ‘verrassend goed’ met de topsport....

In Den Haag staat het Huis voor de Topsporter. Voor de deur stopt de tram waarmee Elise Tak, voetbalster van ADO Den Haag, snel naar stadion of trainingscomplex kan. Beachvolleybalster Sanne van Werkhoven heeft haar strand, zowel binnen als buiten, op loopafstand. Remco Hoeffnagel, jeugdig zeiler, hoeft maar uit zijn raam te kijken en hij ziet de Scheveningse haven, waar vanaf volgend jaar het epicentrum van zijn sport ligt.

Het Huis van de Topsporter aan de Statenlaan is een statig pand met vele kamers waarin verschillende sportbonden hun talenten onderbrengen. Het belang van het huis wordt verwoord door Bert Korteling, coördinator beachvolleybal bij de NeVoBo: ‘Als je wonen, sport en studie zoveel mogelijk bij elkaar brengt, gaat er zo min mogelijk tijd verloren.’

Vertaal het Huis van de Topsporter in het Duits en het wordt Das Haus für den Spitzensportler. De vergelijking met het vroeger zo verfoeide staatsamateurisme, in het vroeger zo verfoeide Oostblok, is gauw gemaakt.

Maar de Haagse wethouder Sander Dekker, die het Huis voor de Topsporter vrijdag officieel opende, vindt dat een flauwe vergelijking. De tijden zijn namelijk veranderd. ‘We zijn als overheid in Nederland altijd heel erg van de breedtesport geweest. Iedereen kon meedoen en wie excelleren wilde, moest zijn eigen boontjes maar doppen. Daar denken we nu heel anders over. Het is én-én. Topsport komt voort uit breedtesport en ook daarin hebben wij als overheid een taak.’

Den Haag neemt die taak buitengewoon serieus. Het Zuiderpark, waar ADO vroeger zijn thuiswedstrijden speelde, wordt omgetoverd in een goed geoutilleerde bakermat, een kruispunt tussen wetenschap en topsport. Als stad aan zee heeft Den Haag vooral de sporten op en rond het water in het vizier. Met een schuin oog naar de Olympische Spelen in 2028 wil de gemeente zich nu alvast profileren als ideale locatie voor zeilen, beachvolleybal en beachsoccer dat wellicht ook olympisch wordt.

Daarnaast heeft Dekker nog eens vijf miljoen euro uitgetrokken om talenten te ondersteunen, zoals met deze bijzondere huisvesting voor verschillende sporttalenten. ‘We moeten toe naar een cultuur waar sport tussen onze oren zit’, zegt de Haagse wethouder die zich in de uitoefening van zijn taak graag laten inspireren door het topsportklimaat in Australië.

De Australische aanpak komt ook aan de orde in een rapport van de Algemene Rekenkamer. Bij het onderzoek naar de financiering van topsport, dat vorige week naar buiten kwam, wordt een internationale vergelijking gemaakt. Nederland neemt een positie in tussen enerzijds landen die de sport aan de vrije markt laten en anderzijds landen die het centraal coördineren.

Meest in het oog springende uitkomst betrof de kosten die de overheid, ruwweg geschat, heeft gemaakt voor olympisch succes in Peking. Eén medaille kwam neer op 4,4 miljoen euro. Vergeleken daarmee was eremetaal op de Paralympische Spelen een koopje: 324 duizend euro.

Saskia J. Stuiveling, president van de Rekenkamer, is de eerste om die bedragen te relativeren. ‘Zo’n medaille hangt van verschillende schakels aan elkaar. Er zit al zo’n verschil in de kosten die zijn gemaakt voor een individuele medaille en die van een team.’

De rekensom van de Rekenkamer leert vooral dat de bijdrage van de overheid aan de valide medailleoogst relatief is. Het bedrijfsleven nam van elke medaille ruim 60 procent voor zijn rekening. Bij een paralympische plak ligt dat precies andersom en dat is volgens Stuiveling ook een alarmerende uitkomst van het onderzoek.

De inkomsten uit De Lotto lopen al een paar jaar terug en daarmee droogt de belangrijkste financieringsbron op. Vooral de gehandicaptensport dreigt dus gefnuikt te worden in haar ambities.

De vraag of 4,4 miljoen euro voor een olympische medaille veel is, kan Saskia Stuiveling niet beantwoorden en als ze het wel kon, zou ze het niet willen. De Algemene Rekenkamer oordeelt niet over beleid, maar beantwoordt de vraag of dat beleid ‘ordelijk’ is uitgevoerd. Pas aan het einde van het gesprek veroorlooft Saskia Stuiveling zich een opmerking in die richting. ‘Ik vind het goed dat we op het gebied van topsport een streefniveau hebben. De tijd dat we ons opstelden als Calimero is voorbij.’

In het rapport wordt dus niet de principiële vraag gesteld of de overheid zich wel moet bemoeien met topsport. Als het dienstverband van judoka’s bij Defensie wordt vergeleken met het communistische staatsamateurisme van weleer, valt Stuiveling zelfs even stil. ‘Daar heb ik helemaal geen associatie mee’, zegt ze na een tijdje.

Sterker nog, de Rekenkamer vindt dat het topsportbeleid van Defensie, en sinds kort ook de politie, navolging verdient. De overheid zou meer medewerkers moeten hebben, die hun sporttalent onder werktijd ontwikkelen. ‘Topsporters zijn rolmodellen, helden binnen zo’n organisatie.’

Topsport staat er volgens de Algemene Rekenkamer goed voor, op een paar puntjes na. Aan de scouting en ontwikkeling van talent schort het nog, terwijl ook de bijdrage van het bedrijfsleven meer structuur moet krijgen. Belangrijkste punt van zorg is de moeizame verhouding tussen overheid en NOC*NSF. Zeker nu de toptien in het olympisch medailleklassement wordt geambieerd, is het volgens de Rekenkamer zaak ‘robuust’ samen te werken.

Stuiveling: ‘Maar als ik het vergelijk met ander onderzoek dat wij hebben verricht, gaat het verrassend goed met topsportbeleid. We maken het niet vaak mee dat in negen van de tien gevallen afspraken goed worden uitgevoerd, terwijl het beleid op dit gebied nog tamelijk jong is.’

In 1984 besloot de overheid zich te gaan bemoeien met topsport. Marathonloper Gerard Nijboer is een van de atleten voor wie dat net te laat kwam. Zijn mooiste prestatie behaalde hij vier jaar eerder: zilver op de Spelen in Moskou. Eerste werd Waldemar Cierpinski, zo’n Oost-Duitse staatsamateur.

Toch kijkt Nijboer zonder wrok op die periode terug. Hij gelooft niet dat zijn loopbaan heel anders was gelopen als zijn talentontwikkeling op professionele wijze ter hand was genomen. ‘Ik had een gymleraar die meer oog had voor de meisjes en mij waarschijnlijk niet eens in de gaten had.’

Nijboer ging aan duurlopen doen nadat een vriend hem er warm voor had gemaakt. Het was een manier om als leerling-verpleegkundige met onregelmatige diensten overdag zijn energie kwijt te raken. Nijboer was op dat moment 17 jaar, achteraf gezien de perfecte leeftijd om lange-afstandsloper te willen worden.

Langzaam maar zeker schroefde Nijboer het aantal trainingen op, maar de verpleegkunde bleef er een limiet aan stellen. ‘Langer dan tien dagen kon ik niet van mijn werk wegblijven.’ Dankzij het schoeisel van Adidas kon hij onderhands wat bijverdienen, maar sport kreeg door de IOC-reglementen nooit een professionele status.

Kamiel Maase, die twee generaties later in Nijboers voetsporen trad, kon al wel de vruchten plukken van zijn talenten. Aanvankelijk waren zijn verdiensten, afkomstig van het Finse sportkledingmerk Karhu, nog karig. Maar in 2001, Maase behoorde al een jaar of vier tot de internationale top, durfde hij het aan fullprof te worden. Een jaar later werd die investering beloond met een vorstelijk contract dat Nike bood.

Kamiel Maase is al die jaren een interessante atleet voor het bedrijfsleven gebleven. Daarom heeft hij nooit een beroep hoeven doen op de stipendia die de overheid toekent als financiële tegemoetkoming aan topsporters. Wel kan Maase kosteloos gebruik maken van de faciliteiten die hem van overheidswege ten deel vallen. ‘Vroeger moest je daarvan altijd de bonnetjes bewaren, maar nu gaat de betaling rechtstreeks.’

Het verschil met de huidige sporttalenten is dat Maase naar het Amerikaanse Austin moest om met een studiebeurs zich als hardloper te ontwikkelen. Voetbalster Elise Tak, beachvolleybalster Sanne van Werkhoven en zeiler Remco Hoeffnagel kunnen studie, stage en sport op elkaar afstemmen.

Talentontwikkeling wordt volgens de betrokkenen bij het topsporthuis nu snel ter hand genomen. Bert Korteling van de NeVoBo: ‘Het is expliciet in de Troonrede genoemd, dat is voor het eerst.’

Als het Huis voor de Topsporter een succes wordt, gaat Den Haag meer panden als zodanig in gebruik nemen. Hoewel de huur bescheiden is (228 tot 480 euro), neemt de volleybalbond een deel van die kosten voor zijn rekening. Bert Korteling: ‘De meeste mensen hebben daar geen idee van, maar op deze leeftijd moeten jongeren elk uurtje gebruiken om beter te worden in hun sport.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden