‘Sport is het bewieroken van oneerlijkheid’

Kijken we naar een wielerronde of naar een soort WK farmacie? Ach, straks zullen we meewarig terugkijken op de dopingdebatten van nu, verwacht sportfilosoof Ivo van Hilvoorde....

Hoe harder de zon schijnt, hoe sterker de herinneringen aan de hete flanken van de Alpe d’Huez, waar Nederlandse coryfeeën als Joop Zoetemelk en Hennie Kuiper slag leverden met Eddy Merckx, Bernard Thevenet en Bernard Hinault. Het gesprek voor de tv ging over ‘stoempen’ en ‘de dood of de gladiolen’, niet over epo en andere middelen waarmee de gladiatoren harder de berg op konden.

Toch valt het moeilijk vol te houden dat de Tour de France ‘bedorven’ is door doping. De helden van weleer waren heel wat minder onbespoten dan de tv-kijkers destijds aannamen. Thevenet, de winnaar van 1975 en 1977, gaf naderhand toe dat hij gebruikt had. Onze eigen held Zoetemelk, winnaar van 1980, werd gedurende zijn carrière meermalen betrapt. Maar toen geloofden de fans hem nog als hij met zijn hoge stemmetje uitriep dat hij ‘geflikt’ was, of dat ‘iemand’ heimelijk ‘iets’ in zijn eten had gedaan.

Niet de renners zijn veranderd, maar de toeschouwers die hun naïviteit zijn verloren. Maar is het nog leuk om met die wetenschap naar de Tour te kijken, en straks naar de Olympische Spelen? Of zitten we naar een wereldkampioenschap farmacie te kijken, waarin niet de sterkste wint, maar de atleet die dopingcontroleurs het handigst om de tuin kan leiden?

Natuurlijk is topsport nog altijd leuk, zegt Ivo van Hilvoorde, sportfilosoof aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Op vakantie liep hij nog door een museum met een radiootje aan zijn oor, om de finish van een Touretappe te volgen. ‘Sport is een toneelstuk waarbij de toeschouwer zelf kan beslissen hoeveel hij wil weten over alles wat zich in de coulissen afspeelt’, zegt hij.

Maar wat misschien nog belangrijker is: de Tour win je misschien niet op een boterham met pindakaas, maar ook niet op een infuus met epo. In de Tour werd ook de Spaanse renner Moisés Dueñas gepakt, en dat gebeurde niet doordat hij zich verdacht had gemaakt met fantastische prestaties. ‘Om te winnen heb je heel veel talent nodig en moet je keihard trainen’, zegt Van Hilvoorde.

Doping vormt het sluitstuk van een enorme inspanning om de top te bereiken. Van Hilvoorde: ‘Ik spreek liever van prestatie bevorderende middelen. De term doping roept allerlei connotaties op, waardoor de discussie wordt voorgestructureerd. In de term doping zit al besloten dat het verboden is. Zo’n terminologie roept morele reflexen op, die soms een meer rationele discussie in de weg staan.’

Van Hilvoorde houdt van sport, om naar te kijken en zelf te doen. In zijn jeugd voetbalde hij vooral, tegenwoordig doet hij aan wielrennen, squash en zwemmen. Tijdens zijn studie bewegingswetenschappen aan de VU raakte hij geïnteresseerd in de filosofische kanten van sport. De sportfilosofie stelt fundamentele vragen (‘wat is sport?’), maar reflecteert ook over de ethische grenzen van de sportbeoefening. Daarbij is doping uiteraard een prominent thema.

Hij was onlangs medeondertekenaar van een artikel in het British Medical Journal, waarin een groot aantal ethici en sportwetenschappers stelling nam tegen het huidige anti-dopingbeleid. De controles hebben veel weg van een tombola, zeggen de wetenschappers. Veel atleten gebruiken prestatie bevorderende middelen, maar slechts een enkeling wordt betrapt, omdat hij dom is, pech heeft of wordt ontmaskerd door politieonderzoek. De dopingjacht die de sport eerlijk moet maken, heeft daarmee een averechts effect.

Bovendien hebben niet alle atleten gelijke toegang tot de nieuwste, moeilijk op te sporen middelen, omdat doping is verbannen naar een schimmig zwart circuit. Ook dat maakt de competitie minder eerlijk. Bovendien kan het slecht zijn voor de gezondheid: niet zelden zoeken sporters hun toevlucht tot duistere figuren die bereid zijn met gevaarlijke nieuwe middelen te experimenteren.

‘De dopinglijst zou in elk geval een stuk korter kunnen’, zegt Van Hilvoorde. Middelen die weinig kwaad kunnen, zouden moeten worden toegestaan. ‘Daarnaast zou je meer over gezondheidsgrenzen in plaats van morele grenzen moeten spreken. Als atleten gezond zijn, zou je je verder niet zo druk hoeven maken over de middelen die ze gebruiken’, meent Van Hilvoorde.

Sluitend is ook zo’n systeem niet, erkent hij. Sommige atleten zullen ook een liberaal controlesysteem proberen te manipuleren, omdat ze op zoek zijn naar middelen die hun prestaties nog verder opzwepen. Van Hilvoorde: ‘Sport haalt nu eenmaal ook het slechtste in de mens naar boven. Een topsporter wil winnen, en heeft daar alles voor over.’

Maar het huidige systeem is een heilloos kat-en-muisspel tussen atleten en dopingbestrijders, vindt hij. ‘Doping is een spelregel die niet functioneert zoals andere spelregels en die moeilijk te handhaven is. Dopingbestrijders zitten er dichter op dan ooit, maar ze zullen nooit alles kunnen opsporen. In de toekomst zal dat waarschijnlijk nog moeilijker worden, door de ontwikkeling van gendoping.’

Bij genetische doping wordt het dna van de atleet gemanipuleerd, waardoor hij zelf epo of andere prestatie bevorderende stoffen gaat aanmaken. In theorie – er is veel hype rond deze technologie die zichzelf nog moet bewijzen – zou doping dan niet meer te traceren zijn. Daarom willen de dopingbestrijders nog dichter op de sporter gaan zitten. Elke sporter zou een biologisch paspoort moeten krijgen waarin zijn fysieke waarden zijn vastgelegd. Vreemde fluctuaties kunnen dan worden uitgelegd als dopinggebruik.

‘Ik betwijfel of zo’n systeem echt werkt. Talentvolle sporters komen al op jonge leeftijd bij begeleiders die manieren zullen vinden om ook zulke gegevens te manipuleren. Bovendien is het geen harde wetenschap: fluctuaties zijn op zichzelf geen bewijs voor doping. Daardoor krijgen wielrennen en andere sporten steeds meer trekken van een jurysport. Nu al mag de organisatie van de Tour de France een ploeg weigeren omdat zij verdacht is, niet omdat dopinggebruik bewezen is.’

De oude Grieken zagen sport als een spiegel van de mens. Net als dichters en filosofen lieten atleten zien tot welke hoogte de mens kan stijgen. Prozaïscher maar geestiger is een moderne sportdefinitie van de Canadese sportfilosoof Bernard Suits: ‘Sport is een vrijwillige poging om onnodig opgeworpen obstakels te overwinnen.’

Sporters proberen die obstakels kleiner te maken, met technologische hulpmiddelen. Zwemmers willen een snel pak, waardoor de weerstand van het water kleiner wordt. Schaatsers een klapschaats, waardoor ze plots sneller zijn. Van Hilvoorde: ‘Het tekort aan zuurstof in het bloed bij grote inspanningen is ook zo’n obstakel. Epo is een technologische manier om dat obstakel kleiner te maken.’

Maar het manipuleren van de chemie in je eigen lichaam is toch iets anders dan het aantrekken van een snel zwempak? ‘Ik zie daar niet zo’n kwalitatief verschil tussen. Een zwempak is een soort prothese voor de huid, waardoor je sneller door het water gaat. Waarom mag je wel je huid beter maken en niet je bloed?’

Omdat we, net als de oude Grieken, sport zien als een spiegel van de menselijke mogelijkheden. Geknoei met het ‘natuurlijke’ lichaam verstoort dat ideaal, een extern hulpmiddel als een zwempak niet. ‘Maar wat is natuurlijk? Der Mensch ist was er ißt, je bent wat je eet, zei de filosoof Feuerbach al. Door voeding verander je ook de chemie van je lichaam, zeker als je allerlei supplementen gebruikt, zoals topsporters doen. Ook door training verandert de chemie. Een topsporter leidt een onnatuurlijk leven. Hij is 24 uur per dag met sport bezig en slaapt gescheiden van zijn vriendin in een hoge druktent die de opname van zuurstof in zijn bloed moet bevorderen’, zegt Van Hilvoorde. ‘Dat is prima, maar wat is daar natuurlijk aan?’

Sport is een inherent oneerlijke activiteit. ‘Genetische aanleg speelt nu eenmaal een belangrijke rol in de sport. Daar doe je niets aan’, zegt Van Hilvoorde. ‘Sport is het bewieroken van oneerlijkheid.’ Het publiek juicht onbeschroomd voor de winnaar, anders dan in de gewone samenleving waar democratische idealen de ongelijkheid dempen.

Maar de wedstrijd moet wel eerlijk verlopen. Dat ideaal van eerlijke sport is echter in de loop der tijd sterk veranderd. Baron de Coubertin, de grondlegger van de moderne Olympische Spelen, vond trainen oneerlijk. Sport moest een ‘zuivere’ krachtmeting zijn, die niet bedorven mocht worden door het ‘kunstmatig’ oppompen van de atletische capaciteiten. Later werd professionele sport als spelbederf gezien. De ware sportman zag de wedstrijd als een spel, niet als een beroep.

Onlangs tikte Van Hilvoorde een paar exemplaren op de kop van het weekblad Sportief, verschenen aan het einde van de jaren veertig Onder de kop Een bedrieger gesnapt schreef de befaamde sportjournalist Joris van den Bergh niet over doping maar over een Britse ‘amateur’-wielrenner die geld vroeg voor een wedstrijd in Amsterdam.

Volgens een flink aantal filosofen zullen we over vijftig jaar even meewarig terugkijken op de hedendaagse dopingdebatten. De hedendaagse mens is nu eenmaal bezig zichzelf op te voeren, zeggen de radicalen onder deze groep, die zich ook wel transhumanisten noemen. Hij wordt mooier door plastische chirurgie, gelukkiger door Prozac, potenter door Viagra, slimmer door ‘leerpillen’ en sterker door epo of gendoping. Tegen zulke vormen van enhancement bestaat een grote emotionele weerstand, omdat zij niet natuurlijk zouden zijn. Maar de mens leeft allang niet meer natuurlijk, betogen deze filosofen. Als we nieuwe mogelijkheden krijgen om ons te ‘verbeteren’, moeten we daar niet zo bang voor zijn.

Van Hilvoorde gaat dit te ver. ‘De transhumanisten slaan stappen over. Ze zeggen: wat is erop tegen als de mens zichzelf kan verbeteren? Dat is filosofisch prikkelend. Maar juist in de tussenliggende stappen liggen ingewikkelde praktische vragen. Stel dat iemand enorme risico’s wil nemen en de dood in de ogen durft te zien door prestatie bevorderende middelen te nemen. Willen we dat sport ontaardt in een circusattractie waarbij de atleten winnen die het verst durven gaan in het nemen van levensbedreigende risico’s?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden