Sporen van een eeuwenlang vergeten ballingschap

De mat werd gemaakt om Allah te prijzen. Ergens in Turkije, aan het eind van de negentiende eeuw. Vervolgens kwam er een handelaar, een reislustige gelovige of bij God weet wie, die de mat onder zijn arm nam en meesleepte naar de stad Derbent, in het Russsische Dagestan....

Van onze verslaggeefster

Judith Koelemeijer

AMSTERDAM

Op de expositie Een onbekend bestaan - Oriëntaalse joden van Centraal Azië en de Kaukasus, in het Joods Historisch Museum in Amsterdam, kijk je gemakkelijk over deze mat of Namazlyk heen. Het is eigenlijk een lelijk ding; een grauwig wit, dik dekentje met simpele versiersels. Wat onverschillig lees je daarom het bijschrift: 'Namazlyk uit Derbent, oorspronkelijk een moslim-gebedskleed, gebruikt in een joods huis op de vloer of aan de wand.' Pas dan realiseer je je de betekenis van dit onooglijke kleedje uit Turkije.

Het laat zien dat de oriëntaalse joden zich de afgelopen eeuwen weliswaar hebben aangepast aan hun omgeving - de geëxposeerde joodse kostuums, potten, pannen, schoenen, wiegjes en zadeltassen verschillen vrijwel niet van de spullen van hun moslim- of christenburen uit Oezbekistan, Azerbeidzjan en Georgië -, maar dat zij niettemin altijd sterk hebben vastgehouden aan hun eigen geloof en tradities. Veel sterker dan de zogeheten asjkenazische (Europese) joden in de rest van Rusland. De aanpassing is buitenkant. Het moslim-gebedskleed mag het huis in, maar alleen aan de wand, versierd met joodse symbolen. De kern is en blijft onveranderlijk joods.

Eeuwenlang wist vrijwel niemand iets over het bestaan van de Boechaarse joden uit Oezbekistan (Centraal Azië), de Bergjoden uit Azerbeidzjan en Dagestan (Kaukasus) en de Georgische joden. Ook al woonden zij er al sinds mensenheugenis; in hechte, geïsoleerde gemeenschappen. Zij zijn nakomelingen van de tien mysterieuze 'stammen' die in 597 voor Christus uit Juda verdreven werden naar Mesopotamië en niet meer terugkeerden in het heilige land - de Babylonische ballingschap. Vanuit Perzië trokken zij eerst verder naar Georgië en Centraal-Azië (vanaf de zesde eeuw voor Christus) en later naar Azerbeidzjan (vanaf de zevende en achtste eeuw).

Ter herinnering aan de oostwaartse vlucht van hun verre voorvaderen, bouwen oriëntaalse joden hun synagogen nog steeds in westelijke richting, met de ark in de westelijke muur, richting Jeruzalem. Maar daar houdt de overeenkomst zo'n beetje op. Elke groep heeft haar eigen, specifieke geschiedenis, die pas sinds de perestrojka stukje bij beetje naar buiten komt.

Het Russisch Museum voor Etnografie in Sint Petersburg haalt sinds 1995 de schade in. Er wordt intensief onderzoek gedaan naar de joodse collecties, die vaak al in het begin van deze eeuw door nijvere etnografen verzameld zijn maar decennia lang lagen te verstoffen. Het Joods Historisch Museum, dat nauw samenwerkt met het museum in Sint Petersburg, biedt nu voor het eerst een blik op deze vergeten, maar fascinerende geschiedenis.

Aan de hand van kostuums, gebruiksvoorwerpen, sieraden en historische foto's, alle uit het eind van de vorige en begin van deze eeuw, wordt een beeld opgeroepen van joden die er alleen oppervlakkig beschouwd uitzien als Oezbeken, Azerbeidzjanen en Georgiërs, inclusief moslimsluiers, ruiterpakken met puntschoenen en amuletten voor meer liefde en geluk. Wie goed kijkt, ziet dat in de amulet een Hebreeuwse tekst verstopt zit.

Het is het oude joodse lied van onderdrukking, aanpassing en overleving. Voordat Centraal-Azië in de negentiende eeuw bij Rusland werd ingelijfd, moesten de joden zich voegen naar de strenge wetten van de plaatselijke moslim-heersers. De Boechaarse joden woonden in aparte wijken, moesten een speciale muts en riem dragen, en kregen bij het betalen van de belasting gewoontegetrouw twee keer een mep in het gezicht van de dienstdoende ambtenaar. Ook de Bergjoden leden onder tal van bepalingen. Zo mochten zij niet paardrijden in bijzijn van een moslim. Gedwongen bekeringen kwamen veelvuldig voor; er zijn nu nog moslims die zich hun joodse achtergrond herinneren.

De Georgische joden waren het minst vrij: zij waren veelal lijfeigenen, eigendom een landheer die hen naar wens kon verkopen of weggeven. Tijdens de invasies van de Byzantijnen, Perzen, Mongolen en Turken hadden deze joden bescherming gezocht bij de Georgische koningen en in ruil daarvoor hun onafhankelijkheid opgegeven. Pas in 1864, toen het lijfeigenschap werd afgeschaft, werden zij zelf pachters.

De invasie van de Russen veroorzaakte aanvankelijk een religieuze revival in veel joods-oriëntaalse gemeenschappen. Er was eindelijk contact met de asjkenazische joden in de rest van Rusland, er werden joodse boeken geïmporteerd uit Vilnius en Warschau (in Centraal Azië werd tot dan vrijwel niets gepubliceerd). In de jaren twintig en dertig was er zelfs sprake van een zekere bloei van het intellectuele en culturele leven. Er werden joodse musea en theaters geopend, een nieuwe generatie schrijvers liet van zich horen. Tot Stalin kwam, en de Goelag.

Op de expositie zijn meer gewaden, sieraden en huisraad te zien dan religieuze voorwerpen. De oriëntaalse joden schijnen er wat dat betreft een bescheiden praktijk op na te hebben gehouden. Europese joden, op bezoek in de Kaukasus, spraken herhaaldelijk hun verbazing uit bij de aanblik van zoveel eenvoud.

'Zij hebben geen kandelaars, geen Chanoeka-lampen, geen kidoesj kopjes', schreef een negentiende-eeuwse reiziger. 'De meeste inwoners begrijpen niet waar ik het over heb als ik hen ernaar vraag. Ze zitten op de vloer, en de enige versiering, naast tapijten en doeken, zijn ingelijste amuletten met beelden van Jeruzalem aan de muur. Hun huizen zijn al net zo kaal. Geen Sabbat-lamp, geen Sederschotel, en geen kruidenbus voor Havdala.'

Dat de oriëntaalse joden hun tradities zo goed bewaard hebben, is misschien juist aan die eenvoud te danken. In Centraal-Azië en de Kaukasus was het leven traditioneler dan in het westen van Rusland. De joden woonden er in hechte gemeenschappen bij elkaar, vaak leefden drie of vier generaties van een familie rond één erf. Het onderwijspeil lag relatief laag, het modernisme drong maar langzaam door. Gebruiken werden van generatie op generatie doorgegeven.

Toch is de expositie evengoed op te vatten als een zwanenzang. De imposante, kleurrijke zijden gewaden, de muziekinstrumenten, de foto's van diners en religieuze feesten in kamers vol tapijten: het is voorgoed geschiedenis. Sinds de late negentiende eeuw zijn de joden gestaag weggetrokken uit Centraal-Azië. Aanvankelijk voornamelijk uit religieuze en zionistische overwegingen; tussen 1880 en 1914 vestigden zich alleen al 1500 Boechaarse joden in Jeruzalem. Na de perestrojka kwamen daar economische en politieke redenen bij. Het broeit op de Kaukasus en in Centraal-Azië. Er zijn etnische conflicten en burgeroorlogen, de armoede is soms nijpend.

'Het zou het einde kunnen betekenen van tweeduizend jaar joodse geschiedenis in deze streken', schrijft het Joods Historisch Museum. Net nu ze in Sint Petersburg met afstoffen begonnen zijn.

Een onbekend bestaan. Oriëntaalse joden van Centraal-Azië en de Kaukasus. Joods Historisch Museum Amsterdam, tot en met 22 september.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden