Spontane demonstraties in universele liefde

Al eeuwenlang zoeken kunstenaars elkaars gezelschap. Ze zonderen zich en groupe af om gestalte te geven aan een alternatief voor de burgermaatschappij....

Toen Julian Beck en Judith Malina in 1948 officiëel het Living Theatre oprichtten, was hun eigen theatergroep niet meer dan een Amerikaanse droom. Er waren geen acteurs, er was geen theater, en de oprichters wisten alleen nog maar wat voor een toneelstukken ze niet wilden gaan spelen. Maar wat de jonge geliefden al wél bezaten was een uitgesproken onvrede met de wereld en een behoefte om die kenbaar te maken.

De Pools-Joodse Malina wilde actrice worden maar werd, in tegenstelling tot haar blonde en wulpse toneelschoolgenootjes, nooit voor een dragende rol gevraagd. Ze droeg het leed mee van haar vader, die al heel vroeg in de oorlog te veel wist over de Holocaust, tevergeefs probeerde anderen wakker te schudden en daar nooit overheen zou komen.

Beck, die schilder wilde worden, was ook joods, maar veel beschermder opgevoed in een rijke, geassimileerde familie. In hem sluimerde een ander soort protest: tegen de heterosexuele, burgerlijke gedragsregels. Hij vocht tegen zijn eigen homosexualiteit, en zijn huwelijk met Malina, bedoeld als vlucht naar de vrijheid, was ook een benauwende gevangenis.

Twintig jaar later was het kunstenaarsechtpaar nog steeds bij elkaar, en had het Living Theatre meer medespelers dan Beck en Malina in 1948 hadden durven denken. Ze vormden de kern van een commune van vijfentwintig acteurs met vrouwen, kinderen en andere aanhang. Een van die acteurs was Rufus Collins, die later in Amsterdam voortrekker werd van het multiculturele theater. Maar behalve deze acteurs betrad een ontelbaar aantal toeschouwers het podium.

Dat gebeurde al regelmatig in de experimentele, provocatieve theaterprodukties die de groep vóór 1968 maakte. Soms was dat uit woede, omdat de acteurs bijvoorbeeld een half uur lang doodstil stonden, een theatrale vertaling van de stelling van de bevriende componist John Cage dat stilte ook muziek is.

Bij de voorstelling Mysteries - waar onze eigen Simon Vinkenoog nog een bijdrage aan leverde door in een piano te kruipen en die van binnenuit te bespelen - gingen er steevast toeschouwers meedoen met de uitzinnige, rituele sterfscène tegen het einde. Die spontane publieksacties waren voor Beck en Malina het bewijs dat het publiek geraakt was.

Het toppunt van publieksparticipatie was Paradise Now, de voorstelling waarmee The Living Theatre in 1968 geschiedenis zou schrijven. De verstarde, geïnstitutionaliseerde mens moet weer leren om zijn medemensen te voelen, vonden Beck, Malina en hun vrienden. In een zogenaamd Ritueel van de Universele Gemeenschap begonnen de acteurs elkaar poedelnaakt en neuriënd te kussen en te omarmen. Met de uitnodiging aan het publiek om zich uit te kleden en mee te komen doen.

Deze demonstratie in universele liefde, waarbij het woord 'gemeenschap' regelmatig letterlijk werd genomen, werd ter afsluiting van de voorstelling buiten voortgezet. Acteurs met toeschouwers op de schouders liepen in een processie door de straten. Soms regelrecht in de armen van de plaatselijke politie, die acteurs én toeschouwers arresteerden wegens naaktloperij en verstoring van de openbare orde.

Arrestaties waren voor de leden van het Living Theatre aan de orde van de dag, zowel in de VS als in Europa, waar de groep jarenlang rondtrok. Dat kwam doordat het werkterrein van de revolutie-predikers veel breder was dan het theater. Meedoen aan stakingen en demonstraties, waar ook ter wereld, zag de groep als onderdeel van hun theatrale activiteiten.

Het was natuurlijk niet leuk om in de gevangenis te zitten, maar Beck en Malina zagen er als ware revolutionaire kunstenaars ook de romantiek van in. 'Het was het tegendeel van op een toneel staan, waar een acteur applaus en bloemen verwachtte', schrijft John Tyrell in zijn boek The Living Theatre: art, exile and outrage. Beck voelde zich in de gevangenis eindelijk één met de onderdrukten die hij met zijn theaterwerk wilde bevrijden. 'Gevangene nummer 483326 meldde dat hij door geen enkele daad in zijn leven zo intens bevredigd was als door de protestactie die hem in de gevangenis deed belanden', schrijft Tyrell met enige ironie over Becks eerste ervaring achter de tralies.

In de jaren zeventig speelde de groep voornamelijk buiten: het bourgeois-publiek dat de theaters bezocht werd verruild voor een doelgroep van mijnwerkers en fabrieksarbeiders. Die keken soms raar op als ze bezoek kregen van de hippiekolonie vol hashrokende kunstenaars die samen met hun proletarische broeders een scène kwamen instuderen over een geldloze maatschappij.

'Bonanza' werd de verzameling bebaarde mannen en gesoepjurkte vrouwen genoemd in het Belgische kunstplaatsje Heist-Sur-Mer. Daar verbleef het Living Theatre een tijdlang in een zomerkamp, op uitnodiging van de eigenaar, een Hollandse, pacifistische aristocraat die de Rode Baron werd genoemd.

Heist is een van de vele plekken waar het Living Theatre in zijn opmerkelijk lange bestaan is neergestreken. Een eigen theater, waar Beck en Malina in 1948 nog van droomden, bleek niet bij de groep te passen. Te burgerlijk en veel te duur voor theatermakers die consequent voor de marge kozen. Als er al ergens op de wereld een gebouw was veroverd en ingericht als woon-werk-commune, dan werd dat binnen de korste keren weer door deurwaarders, de brandweer of de binnenvallende politie gesloten.

Een nomadisch bestaan was voor het Living Theatre de goedkoopste én de veiligste optie. In 1971 werd de groep in Brazilië opgepakt en maandenlang vastgezet wegens bezit van een overwinteringsvoorraad marijhuana. Dat kwam doordat we te lang op één plek waren gebleven, zei Beck later in een kranteninterview. 'Als we langer dan twee maanden op één plek bleven, riepen we de toorn over ons af van bepaalde conservatieve elementen in de gemeenschap - die zich stoorden aan hoe we er uitzagen, of meenden dat we hun gemeenschap iets aandeden.'

Regelmatig vielen er leden van het Living Theatre weg omdat ze het zware bestaan niet volhielden of aan de drugs ten ondergingen. Het collectieve scheppingsproces - waarvan Beck en Malina zo ongeveer de uitvinders zijn - bracht urenlange discussies met zich mee over ieder detail. En intussen bleef het oprichtersechtpaar aan de touwtjes trekken, soms samen met de minnaars die in hun open huwelijk participeerden.

In 1974 splitste de groep zich op. De ene helft wilde hun revolutionaire ideeën met geweld gaan realiseren. De andere helft, rond Beck en Malina, bleef zweren bij een vredelievende aanpak. De tegenstelling culmineerde in een casting-probleem rond de voorstelling The Money Tower. De hard-core revolutionairen wilden absoluut de arbeiders vertolken, en vonden dat de pacifisten maar de bazen moesten spelen.

Met de dood van Beck in 1978 kwam er een einde aan de utopische theatergroep die waarschijnlijk ook de redding was van het scheve huwelijk van Julian Beck en Judith Malina. De achtergebleven Malina zet tot op de dag van vandaag haar protest-activiteiten voort. Het meisje dat ooit te lelijk was voor dragende rollen, speelde op haar 64ste de griezelige grootmoeder in de eerste Addams Family-film. Ze maakte zich drukker om de Golfoorlog dan om haar filmcarrière en weigerde in een van de scènes een liefdevol gebaar naar de Amerikaanse vlag te maken. In de volgende Addams Family mocht Malina dan ook niet meer meedoen.

Marijn van der Jagt

Dit is de dertiende aflevering in een serie die deze zomer op dinsdagen en zaterdagen wordt gepubliceerd. Eerdere afleveringen verschenen vanaf 11 juli.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden