Speuren naar duidelijkheid in de Westerbork-archieven

Van honderden Joden die uit kamp Westerbork zijn gedeporteerd, klopt het officiële verhaal niet. Ze zijn nooit doodverklaard of worden vermist. Een onderzoeksteam probeert de vraagtekens weg te nemen. Wat gebeurde er met de kleine Aleida Aptroot?

Jonas en Sara Aptroot met hun oudste dochter Sara, op de foto die hun vroegere buurjongen naar het herinneringscentrum van Westerbork bracht.

Ze vertrekt op een grijze maandagmorgen in september, in een volgepakte veewagon naar het oosten. Nooit in haar leven heeft ze meer gezien dan de troosteloze barakken van kamp Westerbork, waar ze in juni 1943 is geboren. Aleida Aptroot is pas 1,5 jaar oud als ze met haar ouders en haar zus Sara vanaf de Drentse hei op transport wordt gesteld naar Theresienstadt, 800 kilometer verderop.

Het kamp is dan al bijna leeg, 91 treinen zijn het gezin Aptroot voorgegaan, ruim 100 duizend Joden zijn afgevoerd. Vader Jonas is als elektromonteur lange tijd vrijgesteld maar ten slotte kan ook hij niet meer ontsnappen aan het noodlot. Het is de dag voor Dolle Dinsdag, er gaan geruchten dat de oorlog op zijn einde loopt. De trein van 4 september 1944 is de een-na-laatste die uit Westerbork vertrekt: 2.087 mannen, vrouwen, kinderen, hoogbejaarden en zieken komen na een reis van twee dagen en nachten aan in het door Duitsland bezette Tsjechië. Lang blijft het gezin daar niet. Na een maand worden ze alle vier doorgestuurd naar Auschwitz waar ze de dood vinden.

Medewerkers van het Nederlandse Rode Kruis zoeken vlak na de oorlog naar de sporen van vermiste Joodse gedeporteerden. Beeld Nederlandse Rode Kruis, oorlogsarchief

Althans, dat is bijna 70 jaar lang het officiële verhaal. Totdat zich in het herinneringscentrum van kamp Westerbork de vroegere buurjongen van het gezin meldt, uit Groningen. Hij heeft een foto bij zich, die eind 1941 moet zijn gemaakt, een familieportret van Jonas, Sara en hun oudste dochter. 'Waar zijn ze eigenlijk overleden?', vraagt hij aan conservator José Martin. Luc Tros, nu 85, herinnert zich dat gesprek nog goed: 'Ze kwam terug met drie verhalen. Ik zei: er ontbreekt er één, er was nóg een kind. Wat is er met de kleine Aleida gebeurd? Dat wisten ze niet, toen zijn ze gaan zoeken.'

Van de ouders en dochter Sara is na de oorlog een overlijdensverklaring opgesteld. Maar Aleida is nooit doodverklaard. Was dat misschien een administratieve fout, een logisch gevolg van de chaos in die naoorlogse periode? Of is er iets anders aan de hand? Kan het zijn, vraagt de buurjongen hoopvol, dat de moeder haar kind heeft weggegeven en dat Aleida nog leeft?

Namenlijst

Het verhaal van Aleida staat niet op zichzelf. In Westerbork zijn ze honderden mensen kwijt: Joden die tussen 1942 en 1944 uit het kamp zijn gedeporteerd, maar van wie het officiële verhaal niet klopt. Ze zijn na de oorlog nooit doodverklaard of worden vermist, hun identiteit is onbekend, ze zijn met een andere trein gedeporteerd, waardoor hun overlijdensdatum niet klopt. Of ze zijn helemaal niet gedeporteerd.

De fouten kwamen aan het licht toen het herinneringscentrum besloot om een databank op te zetten met informatie over alle gedeporteerden. Al bij het invoeren van de gegevens werd duidelijk dat lang niet alles klopte; een indruk die werd versterkt toen Westerbork een bijzonder, gesproken monument oprichtte. Eens in de vijf jaar zouden de namen worden voorgelezen van alle 102 duizend gedeporteerde en vermoorde Joden, zes dagen en vijf nachten achtereen. Dirk Mulder, directeur van het herinneringscentrum, weet nog hoeveel reacties er na dat namen lezen binnenkwamen, van familieleden en overlevenden. 'Toen beseften we dat onze lijst echt te veel gebreken bevatte.' Hij besloot alle namen te laten controleren zodat de voordracht de keer daarop foutloos zou verlopen. 'Ik dacht toen nog dat vijf jaar onderzoek genoeg was, maar zo eenvoudig bleek het niet.'

Daarom is drie jaar geleden een speciaal team aan het werk gezet: drie onderzoekers checken de transportdata, speuren in het bevolkingsregister, in de cartotheek van de Joodsche Raad, in de persoonsdossiers van het Nederlandse Rode Kruis, in de lijsten van de concentratiekampen. Ze komen gedeporteerden tegen over wie helemaal niets is terug te vinden. 'Er zijn mensen onder de radar verdwenen', zegt onderzoeksleider José Martin. 'Ze werden na de oorlog niet gemist, niemand vroeg meer naar ze.' Het team ontdekte dat mensen die als overlevenden waren bestempeld niet altijd waren teruggekeerd uit de kampen. En stuitte zelfs op Joodse gedeporteerden die als dood of vermist te boek stonden, terwijl ze de oorlog hadden overleefd.

Zo kwam Martin in contact met de zoon van een Joodse vrouw die via Westerbork naar Auschwitz was gedeporteerd. De vrouw, gevlucht uit Duitsland, was na de oorlog doodverklaard en had dat met opzet zo gelaten. Ze was geëmigreerd naar Israël en daar overleden. 'Ze wilde haar dood niet herroepen', vertelde de zoon, 'zo bang was ze om opnieuw geregistreerd te worden.'

Meer dan duizend fouten zijn nu hersteld, er liggen nog zo'n zeshonderd levensverhalen met vraagtekens. Nu steeds meer archieven zijn gedigitaliseerd, heeft het speurwerk vaart gekregen, zegt Martin. In haar kantoor, op de eerste verdieping van het herinneringscentrum, navigeert ze in grote vaart langs bestanden, scans en namenlijsten.

Voortleven

Het verleden reconstrueren, daar komt het op neer, zegt Mulder. 'Ieder mens heeft er recht op om op een correcte manier in geschreven of gesproken woord te blijven voortleven. We zijn het aan de slachtoffers en hun nabestaanden verplicht om levensverhalen te ontdoen van iedere onzekerheid die we kunnen achterhalen. Het draait om menselijke waardigheid. Dat wat de nazi's wilden vernietigen, proberen wij terug te geven.'

Het dossier van Aleida is nagenoeg leeg. De vergeelde map, opgeborgen in het Nationaal Archief in Den Haag, geeft ook na zoveel jaar geen antwoorden: het ministerie van Justitie heeft haar zaak in 1951 afgestempeld, maar een overlijdensdatum ontbreekt en waarom blijft onvermeld. Navraag bij de gemeente Westerbork, waar ze is geboren, maakt duidelijk dat ze daar administratief nog in leven is: op haar persoonskaart staat geen datum van overlijden.

Maar het archief van Theresienstadt laat weinig ruimte voor twijfel. Het gezin is vlak voor de dood gescheiden, zo blijkt uit de transportlijsten die in het kamp bewaard zijn gebleven. Jonas vertrekt op 29 september naar Auschwitz waar hij te werk wordt gesteld. Sara volgt een week later, mét haar beide dochters; Aleida is nummer 600 op de lijst. Dat de moeder na aankomst nog snel een peuter heeft weggegeven, klinkt onwaarschijnlijk. Alle vrouwen en kinderen zijn volgens getuigen meteen vergast. Jonas moet zijn bezweken tijdens een van de beruchte dodenmarsen. Vlak voordat Auschwitz in januari 1945 wordt bevrijd, moet hij samen met de overgebleven kampbewoners te voet naar een volgend kamp. Daar is hij nooit aangekomen.

Duitse troepen tussen gedeporteerden, na april 1943: de mensen worden vervoerd in veewagons. Beeld Beeldbank WO2

Lange lijsten

Onwerkelijke documenten zijn het, de Justitiedossiers van al die Joodse slachtoffers, doodverklaard door reconstructie. Wie na de oorlog niet terugkeerde, was wettelijk gezien vermist, een onduidelijke status die grote juridische gevolgen had: erfenissen werden niet afgehandeld, levensverzekeringen niet uitgekeerd, achterblijvers konden niet hertrouwen. Een speciale commissie van het ministerie van Justitie moest aan die onduidelijkheid een einde maken.

Tussen 1949 en 1962 werd van iedere Joodse vermiste het lot uitgezocht. De commissie werd daarbij geholpen door het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis dat alle 93 transporten uit Westerbork analyseerde en aan de hand van getuigenverklaringen, kampregisters en andere gegevens vastlegde wat er met de gedeporteerden moest zijn gebeurd. Een graf ontbrak, de Justitiecommissie kon slechts bij benadering een overlijdensdatum vaststellen. Week na week werden in de Staatscourant lange lijsten met aangiften van overlijden gepubliceerd. Was er na drie maanden geen reactie, dan werd bij de burgerlijke stand een akte opgemaakt. Zo werden in 1951 en 1952 ook Jonas, Sara en hun oudste dochter publiekelijk doodverklaard.

Die ontzagwekkende administratieve klus kon niet anders dan tot onzorgvuldigheden leiden; de dossiers dragen er de sporen van. Namen en geboortedata kloppen niet ('Is Esther misschien Eva?'), hier en daar lijken mensen compleet verdwenen ('Hele familie naar Sobibor, alleen het kind van 1/2 jaar komt nergens voor') of ze duiken onverwachts op ('Hoera, zij leeft nog!'). 'Onvindbaar' staat met blauw potlood op de map van de 5-jarige Mozes die naar Theresienstadt werd afgevoerd. Dat sommige deportatielijsten nogal chaotisch waren, hielp niet erg mee: namen waren doorgehaald, gecorrigeerd, toegevoegd of verkeerd genoteerd. Vele honderden Justitiedossiers zijn met dezelfde, rode stempel afgedaan: 'Goede gronden tot het doen van aangifte van overlijden ontbreken'.

Puzzelstukjes

Al die onvoltooide levensverhalen hebben ook elders een zoektocht op gang gebracht. Op tal van plekken doen onderzoekers een ultieme poging om ontbrekende gegevens uit archieven te tillen, puzzelstukjes die de zoektocht van Westerbork vooruithelpen. Zo ging Miriam Keesing, verbonden aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), het lot na van de vijfduizend Joodse gedeporteerden die in de loop van 1944 vanuit Westerbork naar Theresienstadt werden gedeporteerd. Velen zijn daarna, net als het gezin Aptroot, alsnog naar Auschwitz gestuurd maar de kampadministratie is niet goed bijgehouden, vertelt ze, en daardoor is van relatief veel mensen het lot onbekend.

Keesing zocht naam voor naam na in binnen- en buitenlandse archieven en ontdekte nogal wat fouten. Zeker veertig Joodse kinderen bleken overleden terwijl ze op geen enkele slachtofferlijst stonden, enkele honderden mensen zouden zijn teruggekeerd terwijl dat nooit is vastgesteld. Over 26 Joodse gedeporteerden kon ook zij nergens informatie vinden. 'Het is verschrikkelijk om vast te stellen dat er zo lang na de oorlog nog steeds mensen in het niets lijken verdwenen', zegt ze. 'Als je naam niet eens meer wordt genoemd, dan ben je pas echt dood.'

Historicus Cecile aan de Stegge komt na jaren onderzoek tot dezelfde treurige conclusie. 'Er zijn in Nederland duizenden nabestaanden die niet weten wat er met hun familie is gebeurd', zegt ze. Aan de Stegge bestudeert een speciale groep oorlogsslachtoffers, de psychiatrische patiënten. Uit gegevens die ze verzamelde, blijkt dat zeker 1.500 à 1.600 Joodse patiënten via Westerbork zijn afgevoerd. 'De meesten gingen na aankomst meteen met de volgende trein mee.' Lang niet altijd komt hun naam op de transportlijsten voor. Omdat de nazi's dat niet belangrijk vonden - geisteskranke Frau voldeed. Maar ook omdat het personeel van de inrichtingen soms hun persoonskaarten had vernietigd, in een poging deportatie van Joodse patiënten te voorkomen.

Particuliere onderzoekers zijn erin geslaagd om van sommige anoniem gedeporteerden de identiteit te achterhalen. Zo wist Ton de Groot uit Castricum na intensief speurwerk de laatste maanden te reconstrueren van een groep psychiatrische patiënten uit Warnsveld. Hij heeft Westerbork op de hoogte gesteld. Ook bij de Haagse instelling Parnassia is het gelukt om namen van weggevoerde Joodse patiënten op te sporen.

Een bord uit het herinneringscentrum van Westerbork. Het beginpunt van de spoorlijn naar Auschwitz. Beeld anp

Recherchewerk

Af en toe stuit Aan de Stegge opeens op een document met nieuwe informatie. Laatst nog vond ze in een archief in Medemblik het logboek dat de directeur van een inrichting tijdens de oorlog had bijgehouden. 'Bleken er uit die plaats geen zeven maar negen Joodse patiënten afgevoerd. Het is bijna recherchewerk.'

Luc Tros heeft Aleida nooit gekend, het kamp mocht hij niet in. Maar hij herinnert zich de brief die in juni 1943 vanuit Westerbork bij zijn moeder werd bezorgd. Jonas en Sara schreven dat ze een tweede dochter hadden gekregen, die ze uit dankbaarheid naar hun oude buurvrouw hadden vernoemd. Aleida Tros stuurde wekelijks een pakket levensmiddelen naar het kamp, bij elkaar gesprokkeld bij de plaatselijke middenstand, en stopte daar opbeurende briefjes in. 'Mijn moeder was zo trots dat het meisje haar naam droeg', zegt hij. Toen het gezin niet terugkwam, moeten zijn ouders vanzelf hebben begrepen wat er met hun vrienden was gebeurd. Navraag hebben ze nooit gedaan. 'De hele familie was weg, waar moesten ze zoeken?'

Bij toeval wordt in 1961 ontdekt dat Josephina Aardewerk niet is omgebracht in Auschwitz. Lees hier haar verhaal.

Zijn vader, seinhuiswachter in Kropswolde, heeft alle 93 treinen uit Westerbork zien langskomen. Inzittenden gooiden afscheidsbriefjes naar buiten met een adres erop. Hij bezorgde ze of deed ze op de post. Ook de een-na-laatste trein naar het oosten moet hij hebben zien passeren. Hij heeft alleen nooit geweten wie er in zaten.

De dood van Aleida wordt op tal van plekken bevestigd: in de gedenkboeken van de oorlogsgravenstichting, op het digitaal Joods monument, in de databank van het internationale Holocaustherinneringscentrum Yad Vashem in Jeruzalem. Op haar kaart, in de cartotheek van de Joodsche Raad, zijn achter de transportdatum later twee woorden bijgekrabbeld: 'en vergast'. Maar als dat zo is, vraagt Westerbork-onderzoeker José Martin zich af, waar is haar overlijdensakte dan?

'Er zijn zaken die nooit zullen worden afgerond', zegt directeur Dirk Mulder. 'Over sommige mensen is in geen enkel archief iets terug te vinden. Ik weet het: als onduidelijk blijft waar iemand is gestorven, is het verhaal nooit af. Als iemand vermist is, houden nabestaanden altijd hoop. We streven ernaar om alles zo goed mogelijk uit te zoeken, maar we moeten er rekening mee houden dat er altijd vraagtekens overblijven.'

Totstandkoming

Dit verhaal kwam tot stand met hulp van Michiel Schwartzenberg, werkzaam bij het oorlogsarchief van het Nederlandse Rode Kruis. Het Noord-Hollands Archief in Haarlem en het Nationaal Archief in Den Haag stelden dossiers beschikbaar.

Is Sara van Weezel de 'unbekannte Frau'?

Op de dag dat psychiatrisch patiënt Sara van Weezel in Westerbork aankomt, stopt het verhaal.

Ze is de zesde in een gezin van acht kinderen die bijna allemaal omkomen in de gaskamers, maar alleen Sara wordt naamloos gedeporteerd. Op een dinsdagmorgen in april 1943 moet ze uit Westerbork zijn vertrokken, in een veewagon naar Sobibor, maar was dat op de 13de of de 20ste van de maand? De transportlijsten bieden geen uitkomst: Sara van Weezel is een psychiatrische patiënt, haar identiteit doet er voor de nazi's niet toe.

Sara is nog een kind als ze voor het eerst wordt opgenomen in een gesticht in Amsterdam. Later verhuist ze naar Duin en Bosch, een psychiatrisch ziekenhuis in de duinen rond Castricum, waar ze ruim twintig jaar lang een rustig bestaan leidt. Totdat de Duitsers in juni 1942 het ziekenhuis opeisen en Sara met 194 andere patiënten oostwaarts wordt geëvacueerd, naar het geneeskundig gesticht voor krankzinnigen Groot Graffel in Warnsveld. Het is er overvol, elektriciteit en stromend water ontbreken.

Daar vindt een jaar later een razzia plaats. Op 8 april 1943 worden dertien Joodse patiënten op transport gesteld naar Westerbork. Psychiater Marius ten Raa, die vanuit Duin en Bosch is meegekomen, noteert de mutaties in zijn dagboek. Er zitten twee van zijn patiënten bij, een van hen is Sara. Op haar patiëntenkaart is haar lot gevat in één tragische opmerking: niet hersteld, ontslagen.

In Westerbork loopt ze net haar oudere zus Sophia mis, die drie dagen eerder is afgevoerd. Op de dag dat Sara in Drenthe aankomt, wordt Sophia in Sobibor vergast. En dan stopt het verhaal. Na 9 april is over Sara niets meer terug te vinden. De meeste patiënten uit Warnsveld kunnen, dankzij hun persoonskaart, worden geregistreerd maar Sara krijgt bij aankomst in Westerbork geen naam. Ze moet snel op de trein naar Polen zijn gezet, drie beangstigende dagen en nachten, dezelfde route als haar zus. Maar wanneer? Is ze de 'onbekende vrouw' die helemaal onder aan de transportlijst van 13 april bungelt? Of mocht ze een week langer blijven en is zij de 'unbekannte Frau' die de dinsdag daarop vertrekt? De ruim 2.300 Joden op de twee transporten zijn meteen na aankomst vergast. Sterft Sara op 16 april, of een week later? Zonder vertrekdatum is er geen overlijdensdatum.

En zonder naam is er geen slachtoffer. Na de oorlog is van Sara nooit een overlijdensakte opgemaakt. In het oorlogsarchief van het Nederlandse Rode Kruis ligt geen dossier.

Dorpsgenoot Ton de Groot gaf Sara haar naam terug. Hij zocht haar geschiedenis uit en dankzij hem staat er op het plein naast de protestantse kerk van Castricum nu een zwerfkei met plaquette; 33 namen van omgekomen Joden en haar naam staat erbij. Een oude joodse traditie maakt duidelijk dat het monumentje wordt bezocht: alle dagen liggen er steentjes op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden