Spel met de lezer dat ergens over gaat

Waar de oorsprong van de moderne poëzie ligt, is een vraag waarover je langdurig kunt filosoferen, maar dat het compacte oeuvre van Stéphane Mallarmé (1842-1898) een ijkpunt is, zal door weinigen betwijfeld worden....

Hij was niet de eerste dichter die zich toelegde op het schrijven van goeddeels onbegrijpelijke gedichten, maar hij heeft meer school gemaakt dan enige andere 19de-eeuwer. Krijg je bij Rimbaud weleens het gevoel dat hij maar wat aanrotzooit, de gedichten van Mallarmé zitten muurvast in elkaar en laten iedere interpretatie, hoe ingenieus ook, met superieure onaandoenlijkheid van zich afglijden. Er is geen beweging in te krijgen.

In zijn verzamelde gedichten staan drie gedichten over waaiers: 'Éventail', waarbij de dichter heeft aangegeven dat het om een waaier van zijn vrouw gaat, 'Autre éventail', ditmaal die van zijn dochter, en ten slotte 'Éventail', opgedragen aan zijn vriendin Méry Laurent. Zowel het eerste als het laatste gedicht was door de dichter, toen hij het aanbood, op een waaier geschreven. Het zijn uitermate complexe gedichten, maar één ding is duidelijk: de waaiers zijn een beeld voor het gedicht. Dit is de eerste strofe van de waaier van mevrouw, in de vertaling van Paul Claes: 'Als om anders niets te uiten/ Dan een wiekslag in de zon/ glijdt het komend vers naar buiten/ Uit de kostbare cocon'. Poëzie is niets dan verplaatsing van lucht. Dat juist gedichten die staan als een huis zichzelf vergelijken met het meest vluchtige voorwerp dat je je kunt voorstellen, is een van de grote paradoxen van de nieuwe literatuur.

Waar eindigt de moderne poëzie? Ook daarover kun je lang praten, maar ik vermoed dat we, als we in 2050 terugblikken, zullen vaststellen dat de moderne poëzie in Nederland eindigt met Tonnus Oosterhoff. Vanaf zijn debuut in 1990 is hij met een ijzeren consequentie zijn eigen weg gegaan, hetgeen heeft geresulteerd in de vreemdste en geestigste poëzie van het afgelopen decennium. Het is niet meer dan terecht dat hij voor zijn laatste bundel, Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen, vanavond de VSB-prijs krijgt uitgereikt.

In deze bundel staat het gedicht 'Eventuele', dat als volgt begint: 'Zit daar, op de dieprode crapaud, niet de verraste Madame?/ Hoe schrijft rode inkt op zilverpapier? Is een nieuwjaarswaaier/ een bruikbaar geschenk?' In de laatste strofe zien we Mallarmé tegenover Madame staan. 'Heeft hij iets in beweging/ gebracht, tot stand, tot staan?' Wie de poëzie van de laatste eeuw overziet, zal die vraag bevestigend beantwoorden. Mallarmé heeft iets in beweging gezet, hij heeft iets tot stand gebracht, maar zijn poëzie is zeker ook die van de stilstand. Zijn gedichten zijn dingen. En de moderne poëzie zou met enige overdrijving beschreven kunnen worden als een verzameling dingen.

Dat Tonnus Oosterhoff een andere visie op poëzie heeft, is zo langzamerhand bekend. Het eerste wat je als lezer van zijn werk opvalt, is dat hij nergens een houvast geeft. De ene keer schrijft hij een melodieus kleinood, de volgende keer een krankzinnig verhaal, de derde keer een typografisch experiment. Sommige gedichten zijn mysterieus in de trant van Hendrik de Vries, andere blinken uit in Alzheimer-achtige ellipsen, weer andere lijken opgebouwd te zijn als fuga's van Bach. Veel gedichten bevatten dialogen, in zeer veel gedichten ontspoort de taal op een manier die te vergelijken is met wat er gebeurt wanneer een laagopgeleide gek een gebruiksaanwijzing vertaalt. Valt de poëtica van dichters als Kouwenaar, Rawie en Enquist zonder veel moeite uit hun bundels te reconstrueren, bij Oosterhoff is dat onbegonnen werk omdat hij iedere keer iets anders doet. Hij wil niet alleen de lezer verrassen, maar ook zichzelf.

Het openingsgedicht van de bekroonde bundel is betrekkelijk traditioneel:

Klemde het deurtje? Een beetje.

Maar ik stiet het open en liet

- diep snoof ik de zeelucht,

toen blies ik mijn hand leeg -

de dief los.

Dicht boven de golvende golven,

- natuurlijk klemde het hout,

zo lang hield het dieren

en goden gescheiden -

vloog ik mijn dief.

Het klemmende deurtje zou kunnen staan voor de drempel die iedere dichter over moet voor hij in de stemming is om een gedicht te schrijven, de dief die wordt weggeblazen - misschien een insect - voor het gedicht dat zijn weg zoekt. In de laatste regel worden dief en spreker met elkaar geïdentificeerd. Oosterhoff heeft overvloedig van klankeffecten gebruikgemaakt, de woorden 'dicht' en 'natuurlijk' hebben dubbele betekenissen. Welke kant je met dit gedicht ook op wilt, een schoolse close reading levert voldoende resultaten op om bevredigend te kunnen zijn.

Bij het tweede gedicht lukt dat al niet meer. De spreker heeft het over een dikke vogel op zijn kinderbroekriem, die wil zingen over wat hij ziet, bijvoorbeeld de rivier. 'Heeft ie geen ideeën dan? Jawel,/ beste ideeën! Maar piet vindt die zing je niet.' Tot dusver geen probleem, al kun je je afvragen of 'piet' de naam van de vogel is. Direct daarna loopt het uit de hand:

Dus

Maar

neem een ho ding bo ding in je vetklem

ho punt bo punt vogelstaart de gollefies

vormen een lichtstorm plat op de bek

vormen stormstromen in de snavel

snijdt het eigen licht het riet

Waarom ik bij deze regels iedere keer weer in de lach schiet, kan ik niet verklaren, en wat het betekent zou ik niet weten, behalve dat er sprake is van een hobo en een rietkraag. Maar het gedicht is een perfecte illustratie én weerlegging van de stelling dat poëzie iets anders is dan het zingen van ideeën.

Toch staat hier nog gewoon een gedicht op het papier. Sinds enige jaren experimenteert Oosterhoff ook met teksten die zichzelf becommentariëren, of zelfs tegengesproken worden door regels die er in handschrift overheen geschreven zijn. Hij trad op met gedichten op een bandje waar hij live doorheen ging praten. En hij opende een website met gedichten die tijdens de lectuur langzaam van vorm veranderen (www.tonnusoosterhoff.nl). De nieuwe bundel gaat vergezeld van een cd-rom waarop je zogenaamd getuige kunt zijn van het ontstaan van een gedicht. Een volgende stap is wellicht interactieve poëzie, maar zo ver heeft Oosterhoff nog niet durven gaan.

Hoe dan ook is het onmogelijk geworden deze gedichten als onwrikbare objecten te beschouwen, als sculpturen waar je omheen kunt lopen of labyrinten waarin je kunt verdwalen. Het gedicht is weer een proces geworden, zoals het dat vóór de uitvinding van het schrift was, en in het hoofd van dichters en de lezers altijd is gebleven. Waarbij je direct moet vaststellen dat het nog steeds, misschien zelfs meer dan ooit, de dichter is die het proces stuurt, en niet de lezer. Je wordt gemanipuleerd waar je bij staat en je wilt niet anders.

Een eenvoudig voorbeeld biedt het gedicht over een onvoldoendes behalend jongetje dat, in plaats van naar school te gaan, achter de billen van Ankie aanloopt. 'Rustig beklimt ze de Hondsrug/ op haar staatkundige benen,/ niet mooi volgens de schenners. De wereld// ruikt naar oud brood.' In de laatste strofe steekt ze over, de Carolieweg in, 'want zij werkt al'. Tussen de laatste twee strofen heeft de dichter in zijn eigen handschrift de woorden 'Ach jongetje! Ik weet eens je naam niet' toegevoegd.

Zonder twijfel wordt hier Ankie geciteerd, toch roept de regel tal van vragen op. Spreekt Ankie het jongetje aan? Dat is in strijd met de rest van het gedicht. Stelt het jongetje zich voor dat zij dit zou kunnen zeggen? Maar waarom zijn de woorden dan niet gewoon in het gedicht opgenomen? En vanwaar de inversie van 'niet eens'? Het meest verwarrende is echter dat het overduidelijk het handschrift van de auteur betreft. De in de eerste strofen opgeroepen situatie is zo herkenbaar, dat de lezer zich graag door het verhaal laat meevoeren. Door het commentaar van Ankie/Oosterhoff wordt de illusie wreed verstoord. We blijken fictie te lezen, die door de woorden in handschrift enerzijds aan authenticiteit wint, anderzijds wordt ontmaskerd. Oosterhoff speelt een spel met de lezer.

Geen spel dat nergens over gaat. De bundel bevat gedichten over Dutroux, over kinderen van NSB'ers, over de ongemakkelijke spanning van een jongen die weet dat zijn moeder naakt in haar slaapkamer staat. Dat betekent niet automatisch dat alle gedichten even goed zijn. Bij enkele gedichten blijf je ook na zorgvuldige herlezing het gevoel houden dat je moedwillig een sleutel wordt onthouden, soms heeft Oosterhoff zich laten meeslepen door zijn behoefte altijd de leukste te zijn. Maar zou originaliteit het voornaamste criterium zijn om poëzie aan te toetsen - wat niet zo is -. dan was Oosterhoff de grootste dichter van dit land.

Rest ons de vraag: hoe moet het nu verder met de poëzie? Alsof er niets gebeurd is doorgaan met het wrochten van 'monumenten, duurzamer dan brons', om Horatius aan te halen, wiens trotse slotgedicht door Oosterhoff op zijn kop wordt gezet? Of allemaal op internet en aan de cd-rom? Zeker is dat het volmaakte gedicht zoals het Mallarmé voor ogen stond, zijn langste tijd gehad heeft. 'Volmaaktheid neemt altijd/ weinig ruimte in, ook in onze gedachten', zegt Oosterhoff.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden