Spektakel in de zalen

Het museum is niet meer ter lering en vermaak alleen. Van de bezoeker wordt actie verwacht. Zijn musea doorgeslagen in virtuele vertellingen?

ANALYSE DE NIEUWE MUSEUMBELEVENIS - 'Oude meuk.' Krassere woorden had Paul Spies blijkbaar niet voorhanden. Waar de directeur van het Amsterdam Museum op doelde? Dat zo gauw bezoekers het woord 'historisch' in de naamgeving van een museum lezen ze denken dat er alleen maar ouwe troep te zien is. Niet meer van deze tijd. En vooral niet aantrekkelijk om er de auto voor te starten. Reden voor Spies om het Amsterdams Historisch Museum begin dit jaar om te dopen in Amsterdam Museum. Volgens hem scheelde dat al veel.


De naamsverandering past in de tijd waarin veel musea ook ín het gebouw een gedaanteverandering hebben ondergaan. De laatste jaren kwamen zowel de Twentse Welle in Enschede als het Scheepvaartmuseum, Amsterdam Museum en Tropenmuseum in Amsterdam dankzij een ingrijpende metamorfose in het nieuws. Musea die traditioneel iets van het culturele erfgoed laten zien, voorwerpen en rituelen uit exotische oorden, de aandacht vragen voor een bepaalde stad of streek. En dat grofweg gezegd deden met duizenden spulletjes in gesloten kasten, schilderijen tegen de muur, maquettes in gelid. Tot voor kort dan. Want wie nu de toegangspoort passeert, verdwijnt in een schimmige experiencewereld van donkere zalen, waarin beeldschermen opdoemen, lichtjes knipperen, projecties over de wand glijden, videobeelden opflikkeren, muziek klinkt en stemmen je iets duidelijk proberen te maken. En waar het zoeken is naar tastbare spullen uit de verzameling. 'Deze vertrutting, verkocht als nieuw museumconcept, is niets anders dan de stupide hang naar vermaak zonder zelf na te moeten (of te hoeven) denken', liet een verontruste briefschrijver in Het Parool weten.


Inderdaad vraag je je af wat al deze veranderingen hebben opgeleverd. Wat er verloren is gegaan. Voor wie het is bedoeld. Of het beoogde, nieuwe publiek inderdaad gestimuleerd wordt het museum te bezoeken. En of al dat publiek van zo'n bezoekje nu meer opsteekt dan voorheen.


Aan de gezichten van het publiek kun je wel iets aflezen. Velen zijn verrukt. Anderen geïnteresseerd. Sommigen bedrukt. Een enkeling geïrriteerd. En wat in ieder geval zeker geldt: nooit tevoren zie je zo veel mensen nerveus hun weg zoeken door het labyrint van zalen, zaaltjes, krochten en bochten. Voorovergebogen over touchscreens, in stilte luisterend naar een geprojecteerde theatervoorstelling over het leven tijdens de Gouden Eeuw, gebukt hun weg vervolgend in de buik van een walvis.


In Enschede toont een animatiefilmpje hoe Twente uit het verschuiven der continentale platen is ontstaan. In het Tropenmuseum zijn gefantaseerde monologen te beluisteren van vroegere Indiëgangers die als een pop uit Madame Tussauds hun verhaal vertellen. Met een druk op de knop hoor je in het Amsterdam Museum de carillons van de Zuiderkerk, de Westerkerk en het Paleis op de Dam. Maar het verst gaat het Amsterdamse Scheepvaartmuseum.


Het museum, dat deze zomer na een ingrijpende verbouwing werd heropend, biedt de bezoekers een heuse 'zeereis', verdeeld over meerdere zalen. Het begint met een cursus droogroeien in een blauwe gymnastiekzaal, onder leiding van tv-presentator Ron Boszhard ('Als ik op mijn fluitje blaas, trekken we allemaal tegelijk aan de riemen'). Waarna een gesimuleerde 3D-wereld volgt op volle zee, in een schip dat uiteindelijk door een torpedo wordt geraakt. Om te eindigen bij een wandvullende videoprojectie met een intocht voor het museum. En waarin je plots jezelf voorbij ziet varen in een roeiboot, en beseft dat je in de eerste zaal heimelijk bent gefilmd.


De hele trip maakt een licht verstrooiende indruk. Oorlogsschepen uit de 17de eeuw, moderne fregatten, olympische zeilsters en de boot van Sinterklaas - alles en iedereen passeert de revue als een tijdloze vlootschouw. Wie deze hilarische reis heeft overleefd, heeft na afloop niet alleen bibberende zeebenen, maar ook een hoofd vol nautische chaos - te versuft om nog verder het museum te verkennen.


Hoe dan ook, duidelijk is wel dat een beetje museum niet meer wegkomt met een wetenschappelijk verantwoorde hoeveelheid artefacten. Beleving en emotie zijn tegenwoordig de leidende begrippen. De bezoeker moet betrokken raken. Interactief. Van een passieve waarnemer in een actieve onderzoeker. Je moet zelf aan het werk. Iets ontdekken. En een hele batterij aan multi-mediale hulpmiddelen kan daarbij helpen.


Nieuw is deze ontwikkeling overigens niet. Een van de eerste, en misschien wel dé eerste tentoonstellingsruimte in Nederland waarin geëxperimenteerd werd met nieuwe media, interactiviteit en een sfeervolle ambiance was het Evoluon in Eindhoven.


De vliegende schotel aan de rand van de stad werd in 1966 geopend (en is nu als museum al weer jaren dicht). Het was destijds een instant succes. Met name dankzij alle technische snufjes en apparaten die het publiek zelf mocht bedienen. Drommen mensen reden in het weekeinde naar Eindhoven om zich te laven aan allerlei noviteiten die hun een blik op de toekomst voorspiegelde.


Daarna bleef het lange tijd stil. Het Eindhovense elektronicapaleis kreeg nergens in Nederland navolging. Achteraf begrijpelijk. Het Evoluon was een nieuw museum, in een nieuw gebouw, met een nieuwe collectie en nieuwe conservatoren - het kon dus vanaf nul beginnen. Die luxe hebben bestaande musea met bestaande verzamelingen en medewerkers niet. Dus duurde het even voordat zij overstag gingen. Want hoe krijg je als museumdirecteur je wetenschappelijke staf zover dat ze alles wat in de loop van decennia is gecollectioneerd loslaten, en zich in het digitale tijdperk storten? Pas nu, bij een nieuwe generatie directeuren en conservatoren lukt dat blijkbaar.


Belangrijke impuls was ook de inbreng van 'expositieregisseurs' als het Nederlandse ontwerpbureau Kossmann.dejong. Mark de Jong en Herman Kossmann worden wel gezien als de belangrijkste architecten van de nieuwe spektakelinrichting. Kenmerken van hun stijl zijn de aaneenrijging van donkere zalen, het gebruik van felle, contrasterende kleuren, en een uitgebreid aanbod van multimediale vondsten. Vaste ingrediënten die door meerdere musea in hun collectieopstelling of tijdelijke tentoonstellingen worden omhelsd, zoals het Tropenmuseum, Museum Amsterdam, het Joods Historisch Museum, Nederlands Fotomuseum en de Rotterdamse Laurenskerk.


Niet dat de glazen vitrinekasten inmiddels zijn verdwenen. De oudst gevonden schoen of een lijntje coke in Amsterdam, een stapel handdoeken uit de Twentse textielindustrie, Afrikaanse maskers in het Tropenmuseum - ze staan er nog steeds. Alleen: ze worden anders gepresenteerd. Niet als losse potjes en pannetjes, maar als een nieuw, alomvattend geheel.


Zei Mark de Jong niet enkele maanden geleden in een interview met de Volkskrant dat een expositie pas geslaagd is als 'collectie, licht, beeld, tekst en decor even belangrijk zijn'? Alsof het een noodzakelijk kwaad is, gaat het hen allang niet om de collectie zelf. Zelfs een schilderij van Rembrandt, zoals het portret van zijn vrouw Saskia van Uylenburgh in het Amsterdam Museum, hangt achteloos tegen de muur, verstopt tussen wereldbollen en andere schilderijen. Meer als een voorbeeld van de grote rijkdom die Amsterdam in de 17de eeuw vergaarde, dan om de artistieke kwaliteiten van de schilder.


Wat Kossmann.dejong nastreeftis een hoger doel: een verhaal. Over het 'DNA' van de hoofdstad, de 'Twentse identiteit', het ontstaan van religies of het dagelijkse leven in 'ons Indië'. In hetzelfde interview maakte Kossmann de vergelijking tussen een expositie en een stadswandeling: 'Je moet onderweg van alles meemaken. (...) Al wandelend ontvouwt zich een compleet verhaal. Wij zorgen voor deze spanningsboog, maar de bezoeker kan zelf het tempo bepalen.'


Kossmanns woorden zijn een afrekening met hoe het was. Vroegere museumbezoekers werden getrakteerd op eindeloze rijen vitrinekasten vol uitgestalde voorwerpen, met een doorgaans niet al te heldere uitleg vol Latijnse termen. Dertig vergelijkbare speren achter glas, twintig voodoomaskers uit Congo, opiumpijpjes uit China, historische scheepsmodellen, laden vol vlinders, honderd opgezette mussen per strekkende meter, noem maar op. Wie daarin niet echt is geïnteresseerd, kon zich over de hoeveelheid verbazen, maar echt beklijven deed het niet. Niet zelden kreeg je de indruk dat een museum een uit de hand gelopen hobby van een museummedewerker was, die zijn passie wilde botvieren op het publiek.


Dat er dus iets moest veranderen, was duidelijk. Want wie beweert dat hij jaren geleden wél alle schedels, gebedsriemen, kralen, bekertjes en scheepsmodellen bestudeerde, en begreep waar ze cultureel voor stonden, die liegt. De vraag is alleen of nu het kind niet met het badwater is weggegooid. Of de musea niet zijn doorgeslagen in hun virtuele vertellingen, waarin geen plaats meer is voor de rust en concentratie waarmee je vroeger nog eens iets kon bestuderen. Begrijpelijk dus dat op al die grote verhalen, verteld middels Wunderkammmer-achtige opstellingen vol toeters en bellen, de laatste tijd veel kritiek ontstond. Musea zouden te veel zijn gericht op vertier en ontspanning; op tentoonstellingen en collecties die als een kermisattractie zouden worden gepresenteerd. Een goed en gedetailleerd inzicht in elk getoonde voorwerp of schilderij krijg je niet meer. Bovendien, wat is het overkoepelende idee om het cultureel erfgoed zo kritiekloos het mediale tijdperk in te schieten?


Om met het laatste te beginnen: die visie verschilt inderdaad behoorlijk met hoe bijvoorbeeld het Evoluon begon. Het Eindhovense museum bezat een ideologisch motief: de jaren zestig kenmerkte een nieuw begin, na de desastreuze oorlogsjaren en de suffe jaren vijftig. De roaring sixties etaleerden een nieuwe dynamiek, die deels bleek uit de technologische vooruitgang. Huishoudelijke apparaten veroverden de keuken, de televisie nam bezit van elke woonkamer, de platenindustrie kende hoogtijdagen. Eindhoven en Philips zagen hun kans schoon zich te promoten als dé plaats waar innovaties plaatsvonden. En bij zo'n plaats hoorde een nieuw gebouw met een futuristische uitstraling. Waarin bezoekers zich konden wanen alsof ze leefden op een andere planeet. In de toekomst.


Zo'n onderliggende missie is tegenwoordig ver zoek. Eenvoudig gezegd, de museale veranderingen van de laatste tijd zijn eerder ingegeven door de angst voor vergrijzing en terugloop van inkomsten. Begrijpelijk. Lange tijd zag de toekomst van het cultuurhistorische museum er zorgelijk uit. De jeugd liet het afweten; toeristen gingen liever naar het strand of de Efteling. Het voortbestaan van deze musea lag onder vuur. Wie had er nog oog voor al die 'oude meuk'? Op zich is de constatering van menig museumdirecteur dus wel juist: het was vroeger zeker niet beter.


Het 'museum voor liefhebbers', zoals directeur Willem Bijleveld zijn vroegere Scheepvaartmuseum noemde, is ondertussen veranderd in een museum voor iedereen. En de presentatie is inderdaad een gelijkgeschakelde enscenering geworden van licht, kleur, collectie en ambiance, zoals De Jong voor ogen stond.


Tel de twee bij elkaar op en het beeld ontstaat van musea die wat aanbod en bezoekers betreft in sterke mate zijn gedemocratiseerd, misschien wel overgedemocratiseerd. Waar voor ieder wat wils is, maar voor niemand wat bijzonders. En waarin specifieke kennis is ingewisseld voor een algemene indruk. Laagdrempelig en voor het hele gezin.


Ondanks het succes van die formule zet dat je toch aan het denken. Wat zijn we er mee opgeschoten? Want het publiek mag zijn verjongd, tegelijkertijd laten de ouderen het afweten. De zoektocht naar nieuwe bezoekers is ten koste gegaan van degenen die naar het museum gingen om hun specifieke kennis aan te vullen. De balans blijft zogezegd dus in evenwicht. En dat terwijl er tonnen zijn geïnvesteerd in een nieuwe opstelling. In een digitale wereld van virtuele verhalen en technologische apparatuur die de komende jaren niet snel zal veranderen. Omdat geen enkele directeur zal overwegen deze over een paar maanden weer te verbouwen. Eenmaal bezocht zal het publiek zijn heil zoeken bij weer een ander spektakel. En zijn vergeten wat hij nu precies bij een eerder bezoek heeft gezien.


Een beetje museum komt tegenwoordig niet meer weg met een hoeveelheid wetenschappelijk verantwoorde artefacten. Beleving en emotie zijn de leidende begrippen. De bezoeker moet betrokken raken. Interactief.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden