Spectaculaire muziek voor orgel en tape

In Utrecht is een festival gewijd aan Ton Bruynèl (1934-1998), pionier in elektronische muziek. Een eerbetoon aan een man die bruggen sloeg tussen het speelse musiceren en de ogenschijnlijk kille techniek....

Niemand kon conussen van luidsprekers zo lekker laten knisperen als Ton Bruynèl. Twinkelende baaierds van boventonen, tot oorstreling gefilterde ruis, elektronische oprispingen met het aura van natuurklank, Bruynèl wist het trommelvlies te bekoren met onvermoede akoestische aroma’s.

Maar toch hield hij ook de traditionele instrumenten in ere. Vrijwel al zijn muziek is geschreven voor de combinatie van levende musici en ‘klanksporen’, zoals dat met een mooi woord nog steeds heet. ‘Ik heb een groot respect voor de instrumentale klank’, zei hij ooit. ‘Het geluid van een vleugel, of een goede fagot, dat zijn timbres die, met zorg, door generaties zijn gemaakt. Zoiets moet je niet op band zetten of versterken met contactmicrofoons en luidsprekers. Het gaat er altijd op achteruit, omdat je twee dingen door elkaar gaat gooien.’

Bruynèl is al tien jaar niet meer onder ons. Maar hij was al langer weg uit Nederland. Hij overleed op 5 mei 1998, 64 jaar oud, in het Franse plaatsje Mailly, waarheen hij in de jaren tachtig was verhuisd, samen met de elektronische studio die hij in 1957 voor zichzelf had ingericht en die hij beschouwde als zijn atelier. Bruynèl was een kunstenaar in hart en nieren, een eigengereid artiest, een pionier ook in de wereld van het elektronische geluid, die toen nog voor een groot deel ontgonnen moest worden.

Zoals bij veel componisten die er niet meer zijn, is het geluid van Bruynèls muziek zwakker geworden. Maar komend weekeind is het er weer, in volle glorie, Dan vindt in Utrecht het festival Listening Landscapes plaats: een drietal concerten in de Nicolaïkerk en Theater Kikker, met spectaculaire muziek voor orgel en tape, intieme kamermuziek, een dvd-presentatie en nieuwe werken in de geest van Bruynèl.

Vier jaar terug verscheen er een klinkend monument voor Bruynèl, in de vorm van een doos met zes cd’s die zijn complete oeuvre bevatten. Zes, zeven uur muziek – het is meer dan Varèse of Webern hebben nagelaten, maar nog altijd niet veel voor een componist die veertig jaar lang zijn eigen studio bestierde.

Nu was het produceren van elektronische klanken destijds heel wat arbeidsintensiever dan tegenwoordig. Anno 2008 kan iedere tiener aan de lopende band soundbites uit zijn computer goochelen, maar Bruynèl moest het in het begin stellen met sinusgeneratoren, filters en bandrecorders. In de loop der jaren breidde hij zijn arsenaal uit, en werd vanzelfsprekend ook steeds behendiger.

Zijn muziek evolueerde mee met de tijdgeest: in zijn vroege werk overheersen de stekelige geluiden en de knarsende dissonanten die de avant-garde in de jaren vijftig en zestig prefereerde. Maar al snel trad er een vermildering in: in veel van zijn stukken domineren brede klankbanen vol tinkelende en tintelende microgeluidjes, en de verhouding met de instrumenten die meespelen is er gewoonlijk een van vreedzame coëxistentie, tot en met versmelting toe. Met zijn nadruk op het sensuele aspect was Bruynèl zijn tijd misschien wel vooruit. Een hedendaagse dj zou wel raad weten met dit klankmateriaal, dat opvalt door zijn organisch verloop en zijn landschappelijke werking.

Omdat Bruynèl een buitenmens was is dat niet zo merkwaardig. Hij woonde een poos op het oude landgoed Amelisweerd, later in een boerderij aan de Vechtdijk, en ten slotte dus in Frankrijk, waar hij gelegenheid te over had om te luisteren naar de geluiden om hem heen. Dat vond zijn weerslag in de composities: zo opent Serène met de roep van een uiltje, dat hij had opgenomen in de Languedoc, wat dan overgaat in een dialoog tussen elektronica en dwarsfluit. En titels als Brouillard en Rain spreken voor zichzelf, al zijn de klanken hier niet rechtstreeks aan de natuur ontleend, maar ontsproten aan de verbeelding van de componist. Het kon ook prozaïscher: een van zijn stukken heet Schrootsonate.

De combinatie van verschillende zintuiglijke ervaringen speelt een belangrijke rol in Bruynèls werk – en hij liet het niet bij muziek alleen. Zo schakelde hij voor sommige stukken kunstenaars in, die dan de voor de musici zo nodige weergave van de elektronische ‘laag’ in de partituur op artistieke wijze mochten verfraaien. In 1971 maakte hij samen met beeldhouwer Carel Visser voor het Stedelijk Museum in Amsterdam het Kubusproject, een environment, die vanaf juli dit jaar opnieuw te ondergaan is in het Kröller-Müller Museum in Otterlo. Een ander groot project, dat hij pas kort voor zijn dood voltooide, was de ‘video-opera’ Non sono un uccello, op teksten van Bert Schierbeek en een beeldregie van Fred van Dijk. Dit werk zal ook te zien zijn tijdens het festival en maakt bovendien deel uit van de dvd The art of Ton Bruynèl, die daar gepresenteerd wordt.

Het is een postume, maar verdiende hommage voor de man die voortdurend bezig was bruggen te slaan tussen ratio en intuïtie, en tussen het speelse musiceren en de ogenschijnlijk zo kille techniek. Maar in feite maakte hij daar geen onderscheid tussen. ‘Ik zou eigenlijk willen zeggen: elektronische muziek bestaat niet’, zei hij in 1983. ‘We hebben trillingen en spanningen, net zoals een snaar een trilling en een spanning heeft. Er is muziek, er is geluid, er zijn timbreconstructies. Wat je daarmee doet is een volgend verhaal, op papier zetten, of op band zetten. . . het uiteindelijk resultaat zal toch dat hóren, dat klinken zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden