Spanje dient als voorbeeld voor onze monarchie

Niet de Zweedse, maar de Spaanse monarchie zou model moeten staan voor een nieuwe inrichting van ons staatsbestel, meent S.W....

HET CONSERVATIEVE instinct dat iedere politieke klasse eigen is, heeft zich in Nederland ontwikkeld tot een dominante ideologie. Keine Experimente: dat is de hoogste Haagse wijsheid, zo merkte HP/De Tijd-columnist J.A.A. van Doorn onlangs op. Dat uit zich vooral als het om staatkundige vernieuwing gaat. In het licht hiervan waren de vele afwijzende reacties op het voorstel van D66-leider Th. de Graaf tot modernisering van onze monarchie niet zo verwonderlijk als de Graaf ze zelf ervoer. Wat hij voorstelt - behoud van de monarchie door haar meer in overeenstemming te brengen met onze democratische beginselen - is overigens helemaal niet zo'n drastische ingreep als in de media is gesuggereerd.

Progressief valt het moeilijk te noemen, hoogstens dynamisch conservatief ('preserve by changing', noemde de geestelijke vader van het Europese conservatisme, E. Burke, dit). In concreto betekent het niet zo veel nieuws. Uitschakeling van de rol van de koning bij de kabinetsformatie is al sinds de jaren zestig aan de orde, hetzij via een direct gekozen kabinetsformateur, hetzij via een door de Tweede Kamer voorgedragen kabinetsformateur.

De functie van de Koning als voorzitter van de Raad van State is puur symbolisch. Drastische inperking van het aantal leden van het Koninklijk Huis is al eerder aan de orde geweest. Dat de koning formeel niet langer deel dient uit te maken van de regering, is het belangrijkste punt in het voorstel. Men kan daarbij kiezen tussen het Zweedse en het Spaanse monarchie-model. Evenals de JOVD enkele jaren geleden is De Graaf voor het Zweedse model.

Ik heb herhaaldelijk een lans gebroken voor het Spaanse model. De koning maakt in Spanje ook geen deel uit van de regering, maar als staatshoofd en symbool van de eenheid en continuïteit van de staat behoudt hij nog wel een aantal belangrijke, zij het formele staatsrechtelijke bevoegdheden (o.a. bekrachtiging en afkondiging van alle wetgeving, benoeming van de leden van de regering nadat zij langs democratische weg geselecteerd zijn, ondertekening en bekrachtiging van verdragen met andere staten). Op die manier is hij als symbool van staatseenheid op duidelijk zichtbare wijze aanwezig in het dagelijkse staatsgebeuren en dat is de Zweedse koning niet. Die staat nagenoeg buiten alle staatshandelingen en is daarmee gereduceerd tot randfiguur en onbeduidend ornament.

De Graaf had er beter aan gedaan beide modellen als alternatief ter discussie te stellen. Het Spaanse model roept volgens mij minder weerstand op. Het is wel gênant dat Spanje met een veel minder democratisch verleden Nederland voorbijgestreefd is in het moderniseren van het koningschap in democratische zin. Niet minder gênant is de emotionele weerstand hier tegen een open en zakelijke discussie over deze kwestie.

Dat de monarchie een wezensvreemd element is in een democratie, is niet betwistbaar. We houden er alleen aan vast om pragmatische redenen. Maar dan moeten we toch ook op pragmatische wijze kunnen discussiëren over een vormgeving van onze monarchie die meer in overeenstemming is met democratische beginselen die we elders in de wereld met veel aplomb als norm stellen voor goed bestuur.

De reactie van de PvdA op De Graafs voorstel staat haaks op het nog vigerende republikeinsgezinde beginselprogramma van 1977. Dat een PvdA-prominent als Tjeenk Willink in een reactie zelfs een lans breekt voor uitbreiding van de bevoegdheden van de koning is verbijsterend, want zonder meer reactionair.

Dat drie partijprominenten onder wie de directeur van de Wiardi Beckmann Stichting, Paul Kalma, met het oog op het nieuwe beginselprogramma van hun partij de republiek opnieuw op de politieke agenda willen zetten, maakt niet veel indruk meer na de wijze waarop de PvdA haar beginselprogramma van 1977 zonder blikken of blozen verloochend heeft. Dat politici en media ons staatsbestel nog steeds als een constitutionele monarchie benoemen, is ronduit achterlijk. Begin twintigste eeuw hebben prominent staatsrechtgeleerden als Krabbe en Struycken die kwalificatie al als volstrekt verouderd van de hand gewezen.

De wijze waarop De Graaf zijn voorstel gelanceerd heeft, is wel discutabel om twee redenen. Waarom heeft hij voor dat voorstel niet eerst steun gezocht in veel bredere kring dan z'n eigen partij? Als hij dat gedaan had, had hij veel sterker gestaan. Nu is zijn voorstel onder meer afgedaan als een noodgreep van een partij in verval.

Bovendien is er alle reden dit voorstel in een bredere politieke context aan de orde te stellen. De politieke macht die de Koning achter de schermen kan uitoefenen, staat niet op zichzelf. Zij maakt deel uit van een veel breder spectrum van beleidsbeïnvloeding door niet gekozen actoren als ambtelijke instanties, invloedrijke belangengroepen, overlegorganen, Europese bureaucratie en lobbywezen en internationaal opererende financiers. Het parlement als hoogste koersbepalende orgaan is één van de vele staatsrechtelijke ficties die het zicht op de politieke realiteit belemmeren.

Het is sterk afhankelijk geraakt van buitenparlementaire machten. Verkiezingen boeten steeds meer in aan politiek inhoudelijke betekenis. In die veel bredere politieke context waarin het gaat om het realiteitsgehalte van onze democratie, dient ook de functionering van onze monarchie ter discussie gesteld te worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.