SPAANSE SOCIALISTEN Borrell is kapitein op stuurloos schip

GAAT de Spaanse premier Aznar eindelijk een beetje politieke oppositie krijgen? Binnen zijn Partido Popular vreest men van wel. De PP had voorspeld dat Joaquín Almunia de socialisten zou blijven leiden, maar daarbij leek de wens weer eens de vader van de gedachte....

Bij de primaries heeft de achterban van de socialistische partij (PSOE) echter de illusie van zowel de PP als van het eigen doorgewinterde partijkader om zeep geholpen. Niet de grijze Almunia moet de strijd met de rechtse regering aanvoeren en de socialisten terugbrengen in het Moncloa-paleis, maar José Borrell, een liefhebber van en specialist in de directe verbale confrontatie.

'Pepe for president', klonk het enthousiast in het kamp van José (troetelnaam Pepe). In Spanje mag de premier zich tooien met de hoogdravende titel 'president van de regering' en voor die positie, meent de meerderheid van de PSOE-aanhang, is Borrell in de wieg gelegd. In de eerste opiniepeiling na zijn verkiezing tot lijsttrekker werd Borrell prompt een voorsprong van 10 procent op Aznar toegekend.

De algemene verkiezingen zijn echter nog ver weg. Ze staan pas op de agenda van het jaar 2000. Tot die tijd zal de nieuwe partijleider van de PSOE zijn handen vol hebben aan het uit de grond stampen van een serieuze oppositie. Daarvoor zal hij met name in zijn eigen partij orde op zaken moeten stellen en de tot dusver met de mond beleden vernieuwing van de PSOE tot een praktische werkelijkheid moeten maken.

De PSOE lijkt sinds de verkiezingsnederlaag van 1996 rond te drijven als een stuurloos schip. Dertien jaar lang had de partij aan één stuk geregeerd en vooral in de laatste periode daarvan was zij ernstig gehavend door een eindeloze reeks schandalen. De PSOE was de partij van de corruptie geworden waarin de ene na de andere hoge functionaris tegen de lamp liep als een ordinaire zakkenvuller.

De nederlaag was onvermijdelijk en, na dertien jaar socialistisch bewind, uit democratisch oogpunt ook wenselijk. De partij zou de gelegenheid kunnen aangrijpen om de wonden te likken en het opgelopen gezichtsverlies ongedaan te maken. Maar twee jaar na dato lijkt de PSOE nog altijd bezig die wonden te likken, zonder dat de interne bezem een nieuw elan onder het stof vandaan heeft gehaald.

De socialistische partij lijdt bovendien ernstig aan het Felipe-syndroom. Bijna een kwart eeuw was Felipe González de onbetwiste leider van de PSOE. Na dertien jaar premierschap miste González echter de energie om vanuit de oppositie weer van voor af aan te beginnen. Hij trok zich terug als secretaris-generaal en wenste als 'simpel militant' slechts een steun en raadsheer van zijn opvolger Alumnia te zijn.

Maar de schaduw van Felipe bleef onverminderd boven de partij hangen. Hij was vaak ver van huis en liet zich zelden in het parlement zien, maar telkens wanneer hij zijn mond opende, trok hij alle aandacht naar zich toe.

'González is helemaal niet weg en het Felipismo is nog springlevend', oordeelden de PP en de regeringsgezinde pers keer op keer gnuivend. Almunia, jarenlang een onvoorwaardelijk trouw medewerker van González, kon die schijn niet wegnemen.

Het Felipismo wordt belichaamd door het hoge partijkader, het bestuur en de 'rode baronnen', de machtige socialistische leiders in de Spaanse deelstaten. Stuk voor stuk oudgedienden met een lange carrière achter de rug en niet echt genegen ten koste van zichzelf een vernieuwing na te streven. Vandaar dat zij zich in grote meerderheid bij de primaries achter Alumnia opstelden.

'De partijleider, dat ben ik', stelde José Borrell onmiddellijk nadat de achterban het kader links had ingehaald en hem had aangesteld als de nieuwe kandidaat-premier. 'Ik bepaal de strategie die de socialisten in de oppositie gaan volgen en ik verwacht van het kader dat het mij onvoorwaardelijk zal steunen'. De eerste tekenen wijzen er op dat Borrell zijn zin krijgt.

Voor de Spaanse politiek is dat hard nodig. Het politieke debat staat de laatste tijd op een treurig peil, zowel door het onvermogen van de socialisten als door de arrogantie in het regeringskamp. De affaires uit het verleden van het socialistische bestuur blijven vrijwel alle discussies benevelen, hetgeen het uitzicht op het heden aanzienlijk beperkt.

De regerings-Aznar heeft de gewoonte kritiek niet met argumenten te beantwoorden, maar met een jij-bak. Of het nu gaat om omstreden benoemingen, corrupte PP-functionarissen of een afluisterschandaal, nooit komt er een relevant antwoord, maar steevast een verwijzing naar het socialistische tijdperk: toen jullie de macht hadden, was het allemaal veel erger.

Aan Borrell de schone taak deze dood uit de politieke pot te verwijderen en een poging te ondernemen de parlementaire discussie op een wat zindelijker en zakelijker niveau te tillen. Een voordeel is dat hij persoonlijk nooit bij enige affaire betrokken is geweest.

Bovendien heeft Borrell een naam op te houden als een zakelijk debater die zich bij voorkeur tot de kern van het onderwerp beperkt. Als hij die gave ook als leider van de oppositie weet aan te wenden, is dat niet alleen goed voor de socialistische partij, maar ook voor Spanje.

Cees Zoon

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden