Sowieso een goed begin

Ze weet dat het snel is gegaan, maar 'het vóelt als heel geleidelijk'. Violist Janine Jansen is de enige solist in Nederland die onder een exclusief contract staat bij Decca, de maatschappij van Riccardo Chailly en Cecilia Bartoli....

'Hij is rood, joh! Hij is knalrood. En niet een beetje, hè? Niet alleen maar hier of daar of zo. Maar echt van top tot teen. De hele jurk. Róód.'

Gisteren moest Janine Jansen (25) er nog om proesten. Het idéé: zij, tijdens het Bevrijdingsdagconcert, op een podium in een van de Amsterdamse grachten. Vioolspelen voor duizenden mensen. In een onmiskenbare rode jurk.

Of ze zou durven? 'Ach, nou ja.'

Vandaag staat ze in de haute couture salon van Mart Visser (bezoek alleen op afspraak), aan de Paulus Potterstraat in Amsterdam. Een tikje opgelaten, de schouders licht naar voren gebogen. Midden in een lichte lege ruimte; alleen de creaties van Mart Visser vullen de lange wand.

Met de afstandsbediening tovert een medewerkster een kleedkamer te voorschijn; een coupeuse helpt Jansen in de robe van helderrode satin duchesse. De veters over haar blote rug worden aangesnoerd, de wijde rok met sleep wordt uitgelegd. Het meisje van zonet (paardenstaartje, grijs vest, dito broek, geen make up) verandert voor de spiegel in een klassieke femme fatale.

Jansen strijkt voorzichtig over de stof. 'Hij is prachtig, maar niet zo praktisch', zegt ze verontschuldigend. Wil ze tijdens het concert niet struikelen, dan moet er van die sleep geheid twintig centimeter af. Grinnikend: 'Als ik vioolspeel, beweeg ik soms nogal.'

Dan, zichzelf kritisch keurend: 'Het kan wel hè, dat rood? Het publiek zit natuurlijk nogal op afstand. En van een afstand oogt het niet zo extreem.'

Op het podium is alles anders - Jansen weet het ook eigenlijk wel. Dan verdwijnt het vioolmeisje dat 'kleren kopen een crime' vindt, en liever niet te veel wil opvallen. Jansen: 'Tijdens een concert is het anders.' Het geeft een 'kick' om voor een orkest te staan. 'En voor grote zalen.' Ze verwijst naar de glamoureuze publiciteitsfoto's die Erwin Olaf van haar maakte. Jansen, zwaar opgemaakt, in sexy jurk met glimmende bustière. 'Kijk, daar ben ik dus niet vies van.' Op het podium wordt ze iemand anders. Of, misschien wel 'meer mezelf'.

Ze staat er al zo goed als haar hele leven. Zes was ze, toen ze haar eerste viool kreeg; tien toen ze de Iordens Viooldagen won; vijftien toen ze als jongste deelneemster aan het Oskar Back Concours de derde prijs in de wacht sleepte. Al tijdens haar studie aan het Utrechtse conservatorium (waar ze op haar zestiende begon en vier jaar later met een tien afstudeerde) gold ze als dé rijzende ster onder de Nederlandse violisten. Geroemd om haar technische trefzekerheid, muzikale bravoure en, niet in de laatste plaats, haar opvallende podiumpersoonlijkheid. Tijdens concerten levert Jansen zich zichtbaar en hoorbaar uit aan haar Stradivarius-viool. Laat haar lichaam en mimiek ongeremd op de muziek mee bewegen.

Sinds een jaar of drie is haar carrière in een stroomversnelling geraakt. Ze werd als soliste uitgenodigd door vermaarde dirigenten als Valeri Gergjev en Vladimir Ashkenazy; speelde van Berlijn tot Tokio en in de legendarische Carnegie Hall ('De kleine zaal, hoor'). En heeft sinds dit jaar als enige Nederlandse solomuzikant een exclusief contract bij Decca, de platenmaatschappij van musici als Riccardo Chailly en Cecilia Bartoli.

Wereldwijd wordt haar cd uitgebracht. Te beginnen in Nederland, waar de presentatie gisteren plaatsvond. En dus was het 'best wel druk', de week daaraan voorafgaand. Maandag stapte ze in de trein naar Schweinfurt - 'zo'n zes uur lang: overstappen, vertraging, stréssen' - om te soleren bij de Weimarer Staatskapelle. Woensdag staat ze met dat zelfde orkest in Keulen, maar veel tijd om met de musici op te trekken is er niet: de middag gaat goeddeels op aan een interview en de cameraploeg van 2 Vandaag.

's Avonds het concert na de pauze bijwonen is er nu niet bij. Kort nadat Jansen opus 77 van het vioolconcert van Brahms heeft gespeeld, stapt ze in de auto van haar manager - die het op een plankgas zet en haar 's nachts voor haar huis in Soest-Zuid aflevert. Morgen is het weer vroeg dag: jurk passen in Amsterdam.

'Ik wéét dat het de laatste jaren sneller met me is gegaan', zegt Jansen. 'Maar het vóelt als heel geleidelijk. Ik heb geen moment gedacht: nu moet ik oppassen, nu gaan de dingen met me op de loop. Nee, het voelt wel als natuurlijk toch.'

In de artiestenfoyer van de Keulse Philharmonie zit Jansen achter een kantinetafeltje. Ineengedoken in haar grijze vest, de handen om een beker thee geslagen. Ze spreekt spontaan, dan weer bedachtzaam. Schaterlacht om de suggestie dat haar cd wel eens haar definitieve internationale doorbraak kan gaan betekenen: 'Ik laat het allemaal maar een beetje over me heen komen eigenlijk. Het is altijd mijn manier geweest om niet heel erg veel over dat soort dingen na te denken. Ik heb ook nooit over mijn carrière gedacht: nu moet ik dat bereikt hebben, of nu ga ik hiervoor.'

Dat zij als klein meisje iets met muziek zou gaan doen, dat was 'niet meer dan logisch'. Vader Jansen is organist van de Utrechtse Domkerk, moeder zingt, haar twee oudere broers zijn inmiddels professionele musici. 'Er klonk altijd wel muziek bij ons thuis.' En Jansen wilde meedoen.

Natuurlijk, ze is wel nagejoeld, als ze op school weer eens een paar lessen oversloeg, omdat ze vioolles moest volgen: 'Heb je die Jansen weer, met haar viool!' En om in 4 vwo de school te verlaten, om naar het conservatorium te gaan - 'dat was best wel heftig'. Maar een buitenbeentje? Nee. 'Alleen in de zin dat ík al heel vroeg wist wat ik wilde worden.'

Zeven was ze dus, toen ze voor negen jaar in de leer ging bij Coosje Wijzenbeek, de vioolpedagoge die als 'streng' bekend staat. Opnieuw die schaterlach: 'Dat wordt altijd over haar gezegd inderdaad. En ja, ik heb het soms ook wel meegemaakt. Als Coosje erachter kwam dat je stukken niet uit je hoofd kende! Poeh! Ik herinner me ook nog dat na de Iordens Viooldagen in een interview in de krant stond dat ik tweeëneenhalf uur per dag studeerde, en andere kinderen zeiden: ''Oh? Ik studeer vier, vijf uur.'' Coosje wilde dat interview lezen. Toen heb ik met potlood die ''tweeëneenhalf'' heel dik weggestreept.

'Maar dat zijn dingen. . .' Jansen haalt haar schouders op. Waarom zou ze er moeilijk over doen? Coosje was góed ('Van haar heb ik leren spelen. Techniek, basisdingen, álles'). Of waarom zou ze dik doen over de Grote Namen met wie ze het podium deelde? Het zijn mensen die ze bewondert, van wie ze 'zo ontzettend veel' heeft geleerd.

Zoals van Menahem Pressler, de 79-jarige meesterpianist, bij wie Jansen een masterclass volgde: 'Elk woord van hem heb ik opgezogen. Hij dwingt je echt goed naar andere mensen in een ensemble te luisteren. Dan denk je: túúrlijk hoor ik dat, ik luister toch! Maar opeens gaan je oren dan toch op een andere manier open.'

Of zoals van Valeri Gergjev, de bevlogen dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest ('Die man is een en al muziek en beweging. Temperamentvol. Daar hou ik van'). Met Gergjev ging ze op tournee door Japan. En Gergjev vroeg haar te soleren op zijn eigen festival. Een maand voor haar concert moest Jansen uit de krant lezen dat ze daar niet Prokofjev, maar Tsjaikovski moest spelen - een stuk dat ze niet paraat had. 'Ik dacht: ja, dat kun je niet afzeggen! Ik bedoel, dat is zó gaaf! Dan maar studeren. Paniek? Nee, in eerste instantie niet.'

Goed, over Gergjev wil ze best bekennen: 'De eerste keer dat ik met hem speelde, echt náást hem stond: doodeng! We begonnen. En ik wist niet meer wat ik moest spelen. Gergjev keek alleen maar even opzij. Zei: ''Okaaay. Lét's stárt again!'''

Grinnikend: 'Ik was denk ik overdonderd.'

De musici van de Weimarer Staatskapelle vullen langzaamaan de gangen van de Philharmonie. Hoornisten blazen hun instrumenten warm voor de doorlooprepetitie, als de concertorganisator tussen neus en lippen door bij Jansen komt informeren: 'Haben Sie schon ein bisschen geübt?'

'Jaaa', grijnst Jansen: 'Ein bisschen.'

Twee uur, drie uur, 'niet veel meer' studeert Jansen op een dag wanneer zij geen concert heeft. Ze slaat 'vrij makkelijk' informatie in zich op. 'En ze kan zich in korte tijd concenteren', zegt haar manager Niels Veenhuijzen, al een aantal jaren impressario van klassieke musici, voorheen zakelijk leider van het Nederlands Jeugd Strijkorkest en zelf cellist. Laatst nog, bij een recital met Menahem Pressler: 'Die man repeteert tot vlak aan het concert door. En ook in de kleedkamer was nauwelijks tijd om even tot jezelf te komen. Ik heb soms de indruk dat Janine dan op het podium tot rust komt, dáár haar batterijen oplaadt.'

's Avonds, tijdens het vioolconcert van Brahms, en ook die middag bij de repetitie, lijkt dat inderdaad te gebeuren. Dirigent Jac van Steen heft zijn stokje. Jansen tuurt naar de grond, in opperste concentratie, de punt van de haar strijkstok tegen de kin. Dan, als de violen de klanken stuwend doen aanzwellen, gaat haar neus de lucht in. Siddert haar lichaam.

Haar solo speelt ze vol overgave. Fronsend bij de tere passages, ineengekrompen bij de meer dramatische. Jansen neigt voorover, zet grote ogen op naar de tweede violen, zwiert haar viool naar achter voor de inzet van de klarinettist.

Ze is een violist van het intuïtieve slag, beaamt ze. De legendarische violist Isaac Stern heeft haar daar in een masterclass nog om bespot; zei dat ze te veel bewoog, en zich vooraf eens wat meer in de muziek moest verdiepen. Jansen verliet huilend de zaal.

Het heeft haar sterker gemaakt, zegt ze. Al is haar standpunt geen millimeter gewijzigd. 'Uiteraard moet je de theorie van een muziekstuk bestuderen, maar je moet het daarna ook durven loslaten. Ik vind het belangrijker dat je speelt vanuit je gevoel.'

Vervloeien met het orkest wil ze. Dialogen aangaan, verbindingen leggen. Als in de kamermuziekensembles waarin ze speelde, voordat ze ging soleren. 'In een ensemble is dat makkelijker, je bent met een kleinere club. Maar toch wil ik ook met een orkest uitersten zoeken - soms te veel, wordt wel gezegd. Zo zacht mogelijk spelen, en proberen het orkest daarin mee te krijgen. Dat risico te nemen. Het gaat soms wel eens helemaal mis, maar ja. Het is zo'n machtig gevoel een orkest, dat enorme schip, op stoom te brengen.'

Natuurlijk helpt daarbij haar Stradivarius die ze drie jaar geleden in bruikleen kreeg aangeboden. 'Ja, dat is zo'n raar verhaal. Ik had in die tijd een instrument te leen dat ik opeens moest teruggeven, echt binnen twee weken. Een paar dagen nadat ik dat gehoord had, speelde ik in Amsterdam in het Zondagochtendconcert. Presentator Hans van den Boom kondigde toen op de radio aan: ''Als iemand nog een viool op zolder heeft liggen, Janine Jansen heeft er een nodig.'' Die middag kwam na afloop van een ander concert een meneer van het Elise Mathilde Fonds op me af. Of we eens konden praten.'

Het werd een Barrere uit 1727 - 'een fantastisch instrument, het klikte direct goed' - met een warm, rijk klankbeeld. 'Helder, maar niet penetrant.' Ze leert hem nog elke dag beter kennen, en 'hij' - hij reageert steeds beter op haar manier van spelen. Het vioolconcert van Alban Berg zou ze er graag eens op willen spelen. En binnenkort: de Tweede van Prokofjiev, de Eerste van Sjostakovitsj. Sibelius.

Serieuze vioolconcerten waarmee ze zich als soliste op het orkestpodium kan profileren. Stukken die nauwelijks op haar eerste cd staan. Die bestaat, buiten Ravels Tzigane en twee werken van Saint-Saëns, vooral uit het lichtere genre: een deel uit Het Zwanenmeer van Tsjaikovski of zelfs John Williams' filmmuziek bij Schindler's List. Jansen: 'Nou ja, Schindler's List, dat is gewoon een mooi stuk. En die andere korte stukken op de cd, de Katsjatoerian of Sjostakovitsj' The Gadfly, die kende ik zelf niet, ik vond het wel mooi ze over het voetlicht te brengen.'

Bij het zoeken naar geschikt repertoire, zegt Jansen, hebben zowel Decca als zijzelf voorstellen gedaan. 'En iedereen weet hoe het met de platenindustrie gaat. Natuurlijk zoekt die stukken waarvan verwacht wordt dat ze bij een groot publiek aanslaan. Ik kan me er wel in vinden. Ik denk dat het voor een eerste cd een goed begin is.'

En 'sowieso', ze wil zich nog nergens op vastpinnen. Zich zo breed mogelijk ontwikkelen: klassiek, maar ook hedendaags. Volgend jaar speelt ze een nieuw stuk van Henri Dutilleux, geschreven voor violist Anne-Sophie Mutter. En ook kamermuziek wil ze regelmatig blijven doen. 'Kamermuziek is intiemer. Letterlijk en figuurlijk. Het nadeel van soleren bij vreemde orkesten is toch dat je de mensen niet kent, eenzaam kunt zijn, in het buitenland.'

Tegen die kant van het solistenbestaan ziet ze soms op. Minder dan vroeger, maar toch: 'Het lijkt me heel erg moelijk om steeds onderweg te zijn.' Van de zomer op een festival in Noorwegen heeft ze er met een aantal jonge musici over gesproken. 'Dat was fijn. Ik ben toch een beetje een huisbeest. Thuis voel ik me het meest op mijn gemak.'

Terug naar Soest-Zuid, zit Jansen vrolijk op de achterbank, haar arm om haar vioolkist geslagen. De Volvo van manager Veenhuijzen heeft dolby surround system; door de speakers schalt Shirley Bassey. James Bond-fanaat Jansen ('vooral de vroege films') zingt luidkeels Goldfinger mee. Ze is moe ja. Maar zolang ze een beetje kan kletsen en geiten, zegt ze, gaat het wel.

Het Keulse publiek applaudisseerde langdurig; vier keer moest ze op het podium terugkomen. Voor de draaiende camera's van 2 Vandaag gaf Jansen een eerste reactie, friemelend aan haar vingers. 'Hhm, wel lekker gespeeld.'

In de auto gaat 's avonds haar mobieltje af. Een sms-je van dirigent Van Steen. 'Ha Janine, je was super!' Een half uurtje later belt haar moeder. 'Hé mam. Ja, het ging goed.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden