‘Soms denk ik: morgen is er geen Zimbabwe meer’

Op weg naar de Zimbabwaanse hoofdstad Harare maken jeugdmilities van Mugabe zich op voor de ‘overwinning’...

Van onze correspondent Kees Broere

Tussen Zambia en Zimbabwe stroomt de machtige Zambezi. Op de brug bij de grensplaats loopt een jongen met een kruiwagen, waarmee hij vrachtjes van kleine handelaren op en neer sjouwt. Hij is verbaasd over die eenzame blanke bezoeker naast hem. ‘Gaat u helemaal naar Harare? Dat is ver hiervandaan, weet u dat wel?’

Hij heeft gelijk. Bijna vierhonderd kilometer is voor een kruier ondoenlijk. Hij zal de tocht mogelijk dan ook nooit maken. En dat is jammer, want de reis van Chirundu naar Harare is ook een leerzame reis door de recente geschiedenis van zijn eigen land, Zimbabwe – het land dat zich tien jaar geleden nog tot de trots van Afrika mocht rekenen.

Op het oog lijkt alles heel normaal. Opvallend zijn vooral de vrachtwagens met, zoals hun bord meldt, ‘abnormale vrag’. Zij vervoeren gigantische graaf-onderdelen voor de kopermijnen in het noorden van Zambia. Komend uit Zuid-Afrika is Zimbabwe een land dat zij tegenwoordig zo snel mogelijk proberen over te slaan.

Dat laatste lukt aardig. De weg is al jaren niet meer onderhouden, maar verkeert nog steeds in een zeer redelijke staat. Goed, het hoge gras langs de berm wordt niet langer gekapt; bavianen komen nu onaangekondigd de weg overgestoken. Maar dat het asfalt standhoudt, geeft ook aan hoe stevig het fundament onder Zimbabwe ooit was.

Tien jaar geleden kwamen over deze weg de toeristen, drommen toeristen. Nu staan langs de kant de hand gesneden vogels en giraffes, als verstild in de tijd. De eigenaar van de souvenirs, een verkoper, is nergens te bekennen. Alsof hij jaren geleden zijn dieren in de steek heeft gelaten; niet meer de moeite nam ze weg te halen.

Er is ook maar weinig verkeer. Na ongeveer een uur halen we een legertruck in. In de laadbak zitten niet alleen militairen, maar ook jonge burgers. De Zimbabwaanse chauffeur herkent hen voor wat zij zijn: jeugdmilities van president Robert Mugabe. De milities die de afgelopen weken met name op dit platteland enorm hebben huisgehouden.

Ook wandelend komen ze voor, de jongemannen met een hoofddoek in de bonte kleuren van de Zimbabwaanse vlag. Hun potentiële slachtoffers, sympathisanten van de oppositionele MDC van Morgan Tsvangirai, laten zich niet langer zien. De verkiezingsposters van Mugabe, op bomen geplakt, vertellen dat na de tweede ronde van vrijdag de overwinning ‘totaal’ zal zijn. Ongeveer halverwege, bij Karoi, houden we even halt. De chauffeur heeft in de laadklep voldoende benzine liggen om zelf onderweg te kunnen bijtanken. Want de meeste pompstations zijn al tijden gesloten. In Zimbabwe is van ‘schaarste’ eigenlijk geen sprake meer: de meeste spullen zijn eenvoudig helemaal verdwenen. ‘Totaal.’

Tijd voor een versnapering. We rekenen zeven miljard dollar af voor een flesje Fanta en Sprite. Op de prijsborden is de M van miljoen al vervangen door de B van billion, miljard. De nieuwste manier om iemand te bedanken, is niet ‘thanks a million’, maar ‘thanks a trillion’. Alleen Zimbabwanen weten dat na een triljoen een kwadriljoen volgt. Mogelijk al heel snel.

Op het terras van Twin River Inn in Karoi zit een man uit Botswana. Zijn jack laat zien dat hij verkiezingswaarnemer is voor SADC, de regionale samenwerkingsorganisatie van zuidelijk Afrikaanse landen. Zijn naam wil hij niet geven. Wel zijn mening over de recente gebeurtenissen in Zimbabwe, zijn zorg en zijn angst. ‘Het is zo triest wat hier gebeurt’, zegt hij. ‘Wij hebben als waarnemers hier zelf de lijken gezien. Wie kan dit nog stoppen? Het is toch ongelooflijk dat een regering bereid is om haar eigen land te vernietigen? Dit soort dingen zou in Afrika niet meer moeten kunnen voorkomen.’ Maar in Zimbabwe gebeurt het. Deels onzichtbaar, onhoorbaar voor de buitenwereld. In de buurt van een antenne voor mobiele telefonie blijkt dat bezoekers niet langer ‘roaming’ van hun zaktelefoon gebruik kunnen maken. Alle netwerken zijn geblokkeerd. En aan een Zimbwaanse simkaart is dezer dagen nauwelijks meer te komen.

We gaan een spoorlijn over. ‘Vroeger’, vertelt de chauffeur nog maar eens, ‘reden hier dagelijks de treinen door Mashonaland-West, vol met agrarische producten van de boerderijen die hier stonden. En nu?’ Hij wist op een groep kolossale silo’s: ‘Leeg, leeg, leeg.’

Het lukt net niet om voor het donker de hoofdstad Harare te halen. De weg wordt gevaarlijk om te berijden, ook door de militairen die her en der als konijnen over de weg springen, die op zoek zijn naar een lift en zo dicht bij het asfalt van de tweebaansweg gaan staan, dat het wel lijkt alsof ze aangereden wíllen worden.

Ook in Harare zelf blijkt het duister. Kort geleden deed de verlichting van vrijwel alle lantaarnpalen het nog. Nu is het in de straten van het centrum, vernoemd naar Afrikaanse vrijheidshelden als Sam Nujoma en Samora Machel, akelig donker. De laatste auto’s spoeden zich naar huis. Zimbabwe, ‘het grote stenen huis’, is een lege plek geworden.

‘Het is te gek voor woorden’, verzucht de Zimbabwaanse chauffeur. ‘Mijn hele land gaat eraan. Soms, als ik naar bed ga, denk ik: Als ik morgen opsta, is er geen Zimbabwe meer.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden