Something is rotten in the state of England

De Conservatieven kwamen in 1979 in Groot-Brittannië aan de macht om de bevolking ervan te overtuigen dat er geen alternatief is voor de vrije-markteconomie....

DE VERROTTING begint aan de top. De Queen, symbool van het British Empire, moet toezien dat de huwelijken van haar kinderen op de klippen lopen en Australië aanstalten maakt zich van haar af te keren. De City of London is synoniem geworden voor speculatie, ondoelmatigheid en bedrog. Het parlement is een debating-club, de industrie is verwaarloosd en het volk lijdt.

Will Huttons schets van de toestand in Groot-Brittannië is bij het establishment hard aangekomen. Vijf weken na het verschijnen van The state we're in ligt de vijfde druk in de winkel en voert de bestseller-lijst van de Sunday Times aan. 'Ik heb geen manifest geschreven', zegt Hutton. 'Maar als Labour dezelfde koers wil varen dan is dat mooi meegenomen.'

En Labour omarmt het boek, dat zo genadeloos de feilen bloot legt dat de regererende Conservatieven het niet kunnen doodzwijgen. Will Hutton (44) is sinds 1990 redacteur economie van The Guardian. Hij begon als effectenhandelaar en werkte tien jaar bij de BBC, onder meer bij het fameuze Newsnight. Naast zijn werk voor de krant is hij ook bestuurder van de London School of Economics.

Groot-Brittannië, schrijft Hutton, wordt geregeerd door een conservatieve oligarchie die de staat exploiteert om gunsten uit te delen. Terwijl de financiële instituten de wereld afschuimen op zoek naar het hoogste profijt in de kortste tijd, raakt de industriële basis in verval.

Deze situatie is niet alleen te wijten aan de Conservatieve Partij die sinds 1979 aan de macht is. Er was altijd al een smalle bovenlaag die in het zakenleven, op de departementen en bij de financiële instituten de lakens uitdeelde. De Conservatieven hebben de topklasse de vrije teugel gegeven door belemmeringen, regels, wetten en controlemechanismen af te schaffen.

De enige norm zijn de wetten van de vrije markt, het ongebreidelde kapitalisme. Hutton somt op. Het Verenigd Koninkrijk heeft geen geschreven grondwet. De rechterlijke macht is niet onafhankelijk. De rechten van de burger zijn niet vast omschreven. De enige begrenzing van de uitvoerende macht ligt in de mogelijkheid dat de oppositie bij verkiezingen de macht kan overnemen - maar na zestien jaar is die bedreiging vervaagd. Het is de dictatuur van de één-partijstaat.

Recht zoeken is om financiële redenen het privilege van de rijken geworden. De politie is gezegd zich alleen bezig te houden met de grote criminaliteit. Zij overtreedt daarbij rechtsregels en bekommert zich niet meer om de slachtoffers, of de man en vrouw op straat.

Persoonlijke verrijking tot iedere prijs wordt aangemoedigd. Openbare voorzieningen worden geprivatiseerd. De nieuwe directies vullen hun zakken uit de opbrengsten van massa-ontslagen en verwaarlozen hun taak. In iedere naad van de Britse samenleving is corruptie zichtbaar, het recht van de sterke, hebzucht en egoïsme, schrijft Hutton.

Het verval van de Britse samenleving is exceptioneel, maar staat niet op zichzelf. Al lezend bekruipt je het onaangename gevoel dat je niet leest over een ander land. Alle feilen die Hutton opsomt, zijn ook te bespeuren in West-Europa en in de VS. Niet altijd zo heftig als in Groot-Brittannië, maar onmiskenbaar aanwezig. Zoals de verloedering van de parlementaire democratie en de afbraak van de verzorgingsstaat tot een ministelsel van aalmoezen.

Hutton noemt de Britse samenleving de 30-30-40 maatschappij. De eerste 30 procent van de bevolking bestaat uit de onderklasse van werklozen, al of niet met een uitkering, zonder uitzicht. De volgende laag van eveneens 30 procent bestaat uit de mensen die altijd leven in de onzekerheid over de dag van morgen. Ze hebben onregelmatig wat werk en verkeren permament onder de toch al lage armoedegrens. Moderne nomaden noemt Hutton hen.

De resterende 40 procent hoort tot de geprivilegieerde klasse, met een vaste baan. Maar eenderde van hen verdient minder dan 80 procent van het doorsnee-loon. Velen staan op de nominatie af te zakken naar de onderliggende groep van 30. De werkweek van 40 uur met een vaste baan is weggelegd voor een minderheid.

De elite houdt zichzelf in stand met behulp van het onderwijsstelsel. Van de beste 200 onderwijsinstellingen zijn 177 privé-scholen, die de ouders jaarlijks 14 duizend tot 25 duizend gulden kosten. Weinigen kunnen zich dit permitteren. Deze scholen onderwijzen 6 procent van de jeugd, maar leveren een kwart van de studenten aan universiteiten.

Het Britse privé-onderwijs, meent Hutton, is het toegangskaartje tot de hogere regionen van de samenleving en is essentieel voor het in stand houden van de elite. Want de beter opgeleiden kunnen hun kinderen weer laten studeren op privé-scholen. 'Talent in de lagere klassen blijft onbenut, want slaagt er onvoldoende in goed onderwijs te genieten.'

Het aantreden van Thatcher viel samen met de wereldwijde herleving van de ideologie van de vrije markt als optimale voorwaarde voor economische groei en welvaart. Vanaf het begin van de jaren tachtig zijn de beperkingen die aan het kapitaalverkeer werden gesteld, geleidelijk aan vervaagd en opgeheven. Kapitaal kan vrij stromen over de hele wereld. In 1992 waren de bezittingen van de internationale banken meer dan twee keer zo groot als de omvang van de wereldhandel. Dertig jaar geleden bedroegen ze slechts 10 procent van de wereldhandel. Kapitaal en bedrijfsleven hebben niet eerder zo'n grote invloed gehad op de wereldeconomie.

DE schaduwzijde van deze globalisering is de groeiende werkloosheid in de westerse wereld en met name in de Europese Unie. Sinds de eerste oliecrisis van 1973 is de werkloosheid verzesvoudigd van 2 tot 12 procent van de beroepsbevolking. Hutton schrijft dit voor een belangrijk deel toe aan de uitwerking van de idee dat de Markt alleenzaligmakend is, met het Verenigd Koninkrijk als heel bijzonder voorbeeld.

Toen in 1979 de Conservatieven aan de macht kwamen, startten zij een programma dat was gericht op het inkrimpen van de overheid (met al haar voorzieningen), het verlagen van de belastingen en en vooral het dempen van de inflatie. Al snel ontwikkelde dit beleid zich tot een 'messiaanse filosofie van laissez-faire'. Doel was de transformatie van Engeland in een enorm groot Hongkong met een Amerikaans loonniveau.

De oliecrises verschaften de olie-exporterende landen grote hoeveelheden dollars die weer moesten worden teruggeploegd in de wereldeconomie. Hier lag een kans voor de internationale financiële wereld die in Londen haar belangrijkste basis had. De Conservatieven gaven maar al te gewillig toe aan de lobby van de City om het kapitaalverkeer te bevrijden van regel na regel, beperking na beperking. Zo verdween ook de mogelijkheid voor de regering om effectief controle en invloed uit te oefenen op het kapitaalverkeer en daarmee op de economie.

In Engeland vond dit plaats in een omgeving die werd en wordt gekenmerkt door een gentlemanly wijze van zaken doen: liever deals maken en geld verdienen dan goederen produceren. De City kent een diepe minachting voor de provincie, produktie en technologie. De geweldige groei van de kapitaalstromen gaf voedsel aan het aangeboren instinct om met kapitaal nog meer kapitaal te verdienen. De consument werd een nieuw doelwit toen eenmaal ook de controle op het consumentenkrediet was afgeschaft.

In 1981 kregen de Britse banken toegang tot de hypotheekmarkt. Niemand informeerde naar de kredietwaardigheid van de hypotheekgever en vroeg zich ook niet af wat de huiseigenaar deed met de verleende hypotheek: meestal gebruikte hij deze voor consumptie-doeleinden. De mensen aten hun eigen huis op. De consument raakte gewend op grote voet te leven met geleend geld.

De Britse economie draaide op consumeren en verwaarloosde de produktiekant. In 1983 werd Groot-Brittannië voor het eerst sinds de Industriële Revolutie van de negentiende eeuw netto-importeur van eindprodukten.

Het Britse bedrijfsleven kon de honger van de consument niet stillen. Het vermogen om de eigen economie te kunnen onderhouden, teerde weg.

De Britse economie is volgens Hutton in een onhoudbare positie gemanoeuvreerd. Een chronisch handelstekort, gefinancierd door toenemende kredietverlening met steeds meer buitenlands geld. Daarmee is de Britse economie afhankelijk geworden van de rentestand in het buitenland en de bereidheid van hetzelfde buitenland om in Groot-Brittannië grote geldtegoeden aan te houden. Een lege huls, die ieder moment kan inklappen.

De mentaliteit van laat maar waaien is beleid geworden. 'Toen ze eenmaal de macht hadden hun eigen regels te stellen, hebben de financiële instellingen opvallend gefaald in het handhaven van een redelijke mate van eerlijk handelen', schrijft Hutton. De effectenbeurs was niet in staat systematische manipulaties op grond van voorkennis de kop in te drukken. Misstanden werden niet vervolgd, veroordelingen waren uitermate licht. 'Ook hier bekruipt het gevoel dat voor de rechtbank de rijken in het voordeel zijn.'

OVERHEERSEND is de opvatting dat het doel van financieel en zakelijk handelen de persoonlijke verrijking is. Dit wordt geaccentueerd door de extravagante bonussen voor managers, zelfs als ze hun werk niet hebben gedaan. In dit klimaat zoals Hutton het beschrijft, is de affaire Barings geen incident, maar een noodzakelijk gevolg van de losbandigheid van de financiële instellingen.

Deregulering, het schrappen van wetten en voorschriften, het afschaffen van het minimumloon en het afschrapen van sociale voorzieningen - dat alles schept ongelijkheid. Juist, zeggen de voorstanders, maar daardoor groeit de economie en daarvan wordt iedereen weer beter. Een andere populaire stelling onder marketeers is dat herverdeling van inkomen de mensen lui en afhankelijk maakt. Een sociaal vangnet, een ministelsel volstaat.

Het Verenigde Koninkrijk is sinds 1979 ongelijker geworden, maar de economische koek is even groot gebleven. Het wegvallen van de sociale samenhang heeft een nadelige invloed op de economische groei gehad. Steeds minder mensen nemen deel aan het produktieproces, steeds meer talent blijft onbenut. 'Wie arm geboren wordt, blijft arm en ongeschoold. Het is een kasten-maatschappij, en daarin kan de economie niet gedijen.'

Zijn er onder het Conservatieve bewind ook goede dingen gebeurd in Groot-Brittannië? Hutton meent dat op zich noodzakelijke hervormingen, waaronder deregulering en mindere staatsinvloed, zijn doorgeschoten en een samenleving hebben gecreëerd, waarin hebzucht iets nobels is geworden en de democratische grondregels vervagen. Het axioma dat slechts de wetten van de vrije markt en het ongebreidelde kapitalisme welvaart en vooruitgang scheppen, blijkt slechts te gelden voor een kleine elite.

De grote massa betaalt de prijs in termen van armoede, werkloosheid en een marginaal bestaan. De samenleving betaalt met het inleveren van democratie, met rechteloosheid en een economisch stelsel dat, door het verwaarlozen van het industrieel apparaat, op lemen voeten staat. 'Een op democratie gestoelde welvaartsstaat waarin de rechten van burgers worden gerespecteerd, is heel wel mogelijk', zegt Hutton, 'mits de dynamiek van het kapitalisme wordt gericht op het gemeenschappelijk belang.'

Will Hutton: The state we're in.

Jonathan Cape; ¿ 57,75.

ISBN 0 224 03688 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.