Sombere burgerlevens in een prachtig decor

Theater


Verhalen uit het Weense woud


Stuk van 'crisis-toneelschrijver' Odön von Horváth legt het grijze gebied tussen goed en slecht bloot.

Maastricht -In tijden van crisis grijpen theatermakers vaak naar de stukken van Odön von Horváth, een Hongaars-Duitse schrijver die vooral furore maakte in het Interbellum, de periode tussen de twee grote wereldoorlogen. In al zijn stukken figureren arme sloebers, mislukkelingen en kleine criminelen, die stuk voor stuk slachtoffer zijn van de politieke en sociale omstandigheden, maar vooral ook van zichzelf.


Zijn beroemdste stukken zijn Kasimir en Karoline en Verhalen uit het Weense Woud, beide uit de jaren dertig en handelend over de lotgevallen van kermisklanten en kleinburgers. Knap aan die stukken is vooral dat Von Horváth de mens niet als louter slecht of goed schetst, maar vooral het grijsgebied daartussen blootlegt.


In regie van Arie de Mol, de theatermaker die toch al een voorliefde voor het volkse theater heeft, speelt Toneelgroep Maastricht nu Verhalen uit het Weense Woud in een grote zaal productie. Meest opvallend hierin is het gebruik van liedjes uit de jaren zestig en zeventig. Zo komen op gezette tijden De glimlach van een kind (Willy Alberti), Mamma (Heintje) en Laat me alleen (Rita Hovink) voorbij. Soms raak en passend, maar soms ook nogal uit de lucht vallend, en lang niet altijd goed gezongen. In de oorspronkelijke opvoering uit 1931 werd de walsmuziek van Johann Strauss gebruikt, maar De Mol heeft de verhalen uit het Weense woud verplaatst naar een niet ander aangeduide stad nu, misschien wel ergens in Limburg.


De personages vormen een dwarsdoorsnede uit de kleine burgerij en middenstand: de slager, de ritmeester, de tabakverkoopster, de grappenmaker. Ze wonen allemaal in een volks straatje en waaieren om beurten uit om elders hun geluk te beproeven. Wat overigens niemand lukt, ook niet in de liefde, want Verhalen uit het Weense Woud is ook een carrousel van liefdesverwarringen.


Interessantste personage is het meisje Marianne dat tenminste nog een echte poging doet uit de ellende te ontsnappen, ook al eindigt zij als danseres in een louche nachtclub. Dat zij haar losbandigheid uiteindelijk moet bekopen met de dood van haar kind is een even melodramatische als oprecht emotionele ontknoping die Von Horváth zijn publiek meegeeft.


De Mol heeft alle hoeken en gaten van het grote podium gebruikt en dat geeft de voorstelling de nodige allure. Mede door het prachtige decor van Theo Tienhoven, die geen naturalistische volksbuurt heeft nagebouwd maar vooral werkt met beschilderde doeken. Spelers en muzikanten werken letterlijk vanuit de verkleedkist. Daarin schiet De Mol overigens behoorlijk door: te veel gekkigheid, korsetten, zwembroeken en Schotse rokken. En dan ook nog een overdreven en soms kinderachtige speelstijl met veel gegil en geschreeuw. De ritmeester (Jack Vecht) acteert met overdadige mimiek en de verloederde vrouw gespeeld door Gusta Geleijnse heeft voortdurend een sigaret scheef hangen in haar mondhoek en zit wijdbeens.


Zo lukt het maar moeilijk de andere kant van deze mensen te zien. Dat De Mol parallellen ziet tussen Duitsland toen en Nederland nu (lees Limburg, met al zijn PVV-stemmers), is overduidelijk maar hier zijn de personages alleen maar zielig en zeikerig. Pas in het laatste half uur komt er compassie met en inzicht in deze sombere levens. Dan spitst het drama zich toe rond Marianne (Lore Dijkman) en haar noodlot en eindigt de voorstelling met het fraai gezongen Ik zou wel eens willen weten van Jules de Corte. Dan valt alles op zijn plek en krijgen deze Verhalen een uitroepteken.


Hein Janssen


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden