Solidariteit ondermijnt compassie

In bureaucratische organisaties die uit sociale solidariteit zijn voortgekomen, worden de consequenties van beslissingen niet meer gewogen, waardoor hun morele inhoud wordt uitgehold en werkelijke compassie verdwijnt.

Woorden hebben zowel een denotatie als een connotatie: hun meest letterlijke betekenis en het aura van emotionele associaties die zij oproepen. Beide veranderen, maar meestal niet even snel. De denotatie van een woord kan veranderen, terwijl de connotatie dezelfde blijft, en andersom. Het resultaat is meestal verwarring, intellectuele en emotionele oneerlijkheid.


Dat geldt ook voor het woord solidariteit. De belangrijkste betekenis - de denotatie - is volgens de Oxford English Dictionary: 'The fact or quality, on the part of communities, etc., of being perfectly united or at one in some respect, esp. in interests, sympathies, or aspirations.' Dat is de denotatie. Het woord heeft daarnaast warme connotaties van generositeit en saamhorigheid; want het laten samenvallen van belangen, sympathieën en aspiraties met die van anderen lijkt iets heel warms en saamhorigs. In veel gevallen is het dat ook - al kan het ook een van de slechtste menselijke eigenschappen zijn, die enorm veel kwaad heeft aangericht. Niemand die ooit een groep Engelse of Nederlandse hooligans heeft meegemaakt, of rellen, of een demonstratie van een extremistische politieke beweging, kan volhouden dat menselijke solidariteit alleen maar goeds heeft gebracht.


Solidariteit moet voortkomen uit een subjectieve identificatie met degene op wie zij is gericht. Solidariteit is daarnaast zelden onvoorwaardelijk of onveranderlijk - en zou dat ook niet moeten zijn. Er is op dit moment bijvoorbeeld een conflict tussen de medici (waar ik ook toe behoor) en de Britse regering over bepaalde veranderingen in de pensioenregelingen van artsen. Mijn 'solidariteit' wordt nu geclaimd door de British Medical Association, die een actie organiseert. Normaal gesproken voel ik wel degelijk een zekere solidariteit, in de zin van een emotionele identificatie, met mijn collega's. Maar in dit geval absoluut niet - tenminste niet met diegenen die instemmen met deze voorstellen.


De arbeidsvoorwaarden van artsen in staatsemplooi zijn de afgelopen jaren namelijk steeds beter geworden, veel beter dan we verdienen. De hoogste salarisschaal in ziekenhuizen (die ik zelf ook verdiende) steeg tussen 1997 en 2007 met 68 procent en was daarvoor al niet laag. Onze pensioenen worden betaald uit de lopende belastinginkomsten, want er is niet voor gespaard, en zijn gebaseerd op tweederde van het laatstverdiende salaris. Bovendien worden we ruim gecompenseerd voor inflatie. Onze pensioenen zijn daarmee veel genereuzer dan de inkomsten van mensen die zelf hebben gespaard voor hun oude dag. Tel daar bij op dat de nationale schuld in drie jaar is verdubbeld, de belastingdruk stijgt en de werkelijke werkloosheid in Groot-Brittannië zo'n 15 procent bedraagt en u begrijpt dat dit mij niet het geschiktste moment leek voor een militante verdediging van de genereuze financiële privileges die wij artsen hebben opgebouwd. Mijn solidariteit lag even niet bij mijn collega's, maar bij de rest van de bevolking, die zou opdraaien voor onze bijzonder hoge levensstandaard.


Zulke solidariteit is zeer abstract: zij is niet gericht op concrete personen of op een gemakkelijk identificeerbare groep mensen. Daarom is mijn solidariteit in dit geval een zwakke, en geen sterke kracht. En het is mij opgevallen: hoe sterker iemands solidariteit is gericht op een grote, abstracte groep, of zelfs op de gehele mensheid, des te kleiner is zijn solidariteit met de mensen van vlees en bloed in zijn omgeving. Dit is natuurlijk een grove generalisatie, en geen wet van Meden en Perzen.


Kind van de Republiek

In Frankrijk heeft het woord solidarité in de politieke retoriek vooral de betekenis gekregen van steun voor sociaal-democratisch beleid, zoals hoge belastingdruk en veel herverdeling. Als je daar geen onwankelbare voorstander van bent, ben je een vijand van de solidarité. Zoals monsieur Hollande na de verkiezingen zei: 'Ieder kind van de republiek zal meedoen.' De ongelukkige keerzijde daarvan is dat geen kind van de republiek de kans krijgt niet mee te doen. Er is geen ontsnapping mogelijk aan die opdringerige walm van goede bedoelingen. Solidariteit is verplicht. Het gebruik van het woord 'kind' is hier ook van betekenis. De republiek wordt gezien als de corrigerende ouder, de burger als het terechtgewezen kind.


Gedwongen solidariteit is gebaseerd op belasting. Hier doet zich iets merkwaardigs voor vanuit het perspectief van de solidariteit. In Frankrijk is belastingontduiking een nationale sport, die geen collectieve afkeuring oproept. Wie de pech heeft te worden gesnapt, kan zelfs rekenen op publieke sympathie. Daarnaast tiert de zwarte markt welig. Zowel wie werkt als wie daar de opdracht toe heeft gegeven, probeert te ontsnappen aan de gedwongen solidariteitskosten. Opdrachtgevers betalen contant, maar niet voor hun eerste opdracht. De aannemer wil namelijk eerst weten of deze klant wel te vertrouwen is, en zal hem niet aangeven bij de belastingdienst. Alleen als de twee een zekere vertrouwensbasis hebben opgebouwd - een gevoel van solidariteit - regelen ze hun zaakjes zwart. Dit is als het ware solidariteit tegen de solidariteit. De vraag is: welke is de echte, of diepere vorm?


Het bestaansrecht van hele sectoren van boekhouders en fiscalisten, om nog maar te zwijgen over belastingparadijzen, is verbonden met het verlangen om de solidariteit, in de sociaal-democratische zin van het woord, te ontlopen. En we moeten niet vergeten dat alle regeringen het recht hebben vrijwillige giften van hun burgers te aanvaarden, maar dat ze er maar weinig ontvangen. Behalve in tijden van oorlog: dan zijn veel burgers wel bereid hun goud of juwelen te doneren ten behoeve van de strijd, wat suggereert dat er zowel vijanden als vrienden nodig zijn, voordat dit soort solidariteit tot uiting komt. Dit bewijst allemaal niet dat sociaal-democratisch beleid verkeerd is, maar alleen dat vanuit het perspectief van het menselijke gevoel van solidariteit, het niet is wat het claimt te zijn. Het zou goed kunnen dat de beste manier om allerlei diensten zoals gezondheid of onderwijs te organiseren, niet gebaseerd is op menselijke solidariteit, maar op wat tot de beste resultaten leidt.


Mijn ervaring met de bureaucratische organisaties die uit de sociaaldemocratie zijn voortgekomen - opgedaan in Engeland, waar ze waarschijnlijk tot de slechtste in Europa behoren - leert dat ze niet zozeer opmerkelijk zijn door hun solidariteit, maar door hun onmenselijkheid. Een deel van die onmenselijkheid is het gevolg van de doctrine waar ze uit voortkomen: dat het hun taak is zich voor andere mensen in te spannen en die mensen tijd en geld te geven, niet omdat ze dat verdienen, maar omdat ze dat nodig hebben. Helaas heeft die doctrine ongelukkige consequenties. Mensen kunnen met bepaald gedrag gemakkelijk hun behoeften in stand houden en vergroten - en doen dat ook daadwerkelijk. In de race om aandacht en geld gaan de bescheiden behoeftigen al snel achterlopen bij de brutale behoeftigen. Daardoor wordt slecht gedrag beloond.


Compassie

Wie gedwongen wordt geen oordeel te vellen over de waarde van de ontvangers van hulp en bijstand, is bezig werkelijke compassie te ondermijnen, omdat het menselijk gezien onmogelijk is evenveel mededogen te voelen voor, bijvoorbeeld in een ziekenhuis, iemand die aan MS lijdt en een dronken, jaloerse kerel die zijn vrouw slaat. De enige manier om het compassieniveau gelijk te trekken, is de compassie voor de eerste te onderdrukken. En inderdaad, in het ziekenhuis waar ik werkte, merkte ik dat mijn pogingen om mensen ervan te overtuigen dat een zekere patiënt net wat nadrukkelijker onze steun en aandacht verdiende, vaak onverschilligheid of zelfs vijandigheid teweegbrachten. Want als één iemand speciale aandacht en zorg verdiende, impliceerde dat dan niet dat alle anderen die ook moesten krijgen? Dit druiste direct in tegen de veronderstellingen van de sociaal-democratie. En wie was ik, met mijn burgerlijke vooroordelen, om dat te bepalen?


Ik heb geen idee of het ook geldt voor bureaucratische instanties in Nederland, maar in Engeland zijn ze tamelijk harteloos. Dat weet ik, omdat ik vaak met ze te maken heb gehad via mijn patiënten. Ongetwijfeld zijn veel mensen die bij deze diensten werken murw gebeukt door de vaak extreem onaantrekkelijke karakters van de mensen met wie ze te maken krijgen - iets waar ze uiteraard geen oordeel over mogen vellen, ook al zitten ze vaak achter kogel- en hakbijlwerend glas - en ook door het permanente gebrek aan middelen om aan alle eisen te voldoen of aan de 'rechten' van hun 'cliënten' (een wezelachtig woord bij uitstek in deze context).


Het geval van de Nederlandse familie Tokkie heeft me geïntrigeerd. Onlangs vond ik een blog op internet, vol boosheid over het feit dat de Tokkies geen nieuwe woning hadden gekregen van de gemeente Amsterdam. Dat leek me merkwaardig. Als ik het goed heb begrepen, maakten de Tokkies het leven van de mensen in hun omgeving voortdurend zuur en maakte de kwaliteitspers daar vooral één grote grap van. Niets in het blog dat ik las, suggereerde dat ze hun leven hadden gebeterd. Voor de schrijver ervan was dat niet eens een zinnige vraag, want die familie had simpelweg een woonrecht, hoe ze zich ook gedroeg. En dat zou dan een soort sociale solidariteit moeten uitdrukken. Het valt te betwijfelen of de nieuwe buren van deze familie dat ook zo zouden zien, maar de vraag of zij zitten te wachten op het gezelschap van de Tokkies kan rustig worden genegeerd vanwege hun gebrek aan sociale solidariteit. Met andere woorden, een gebureaucratiseerde vorm van sociale solidariteit kan ertoe leiden dat de consequenties van beslissingen niet meer worden gewogen - maar ook dat hun morele inhoud wordt uitgehold. Natuurlijk zal slechts een kleine minderheid hiervan profiteren, maar het is helaas een feit dat een kleine groep voor een disproportionele hoeveelheid chaos en ellende kan zorgen.


De meeste mensen zullen in vrijwel alle omstandigheden nog steeds enige echte solidariteit kunnen opbrengen voor de mensen om hen heen. Want, zoals Adam Smith, die moraalfilosoof was voordat hij econoom werd, in zijn boek The theory of moral sentiments opmerkt: 'Hoe zelfzuchtig de mens ook moge zijn, in zijn natuur schuilen ontegenzeglijk principes die hem ertoe brengen zich te bekommeren om het lot van anderen en die hem noopt om hun geluk te zoeken, hoewel hij er zelf geen voordeel mee behaalt, behalve het genoegen om dat te aanschouwen. Tot deze principes behoren mededogen of compassie, de emotie die we voelen als we anderen zien lijden. Dat we vaak verdriet ervaren door het verdriet van anderen, is een feit dat geen verder bewijs behoeft; want dit gevoel is geenszins voorbehouden aan deugdzame of humane zielen, al is het bij hen misschien wel het meest intens. Maar ook bij de grootste schurk is dat gevoel niet geheel afwezig.'


Alleen die laatste zin is, tegenwoordig althans, niet helemaal waar. Het is denkbaar dat de bureaucratisering van het begrip 'solidariteit' het aantal mensen voor wie dat niet geldt, heeft vergroot.


THEODORE DALRYMPLE


is schrijver en psychiater.\


DIT IS EEN VERKORTE VERSIE VAN EEN ARTIKEL IN HET TIJDSCHRIFT CHRISTEN DEMOCRATISCHE VERKENNINGEN DAT VANDAAG VERSCHIJNT.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden