Soepele ontslagregeling ambtenaar opent weg naar politieke willekeur

De afschaffing van de bijzondere rechtspositie voor ambtenaren kost de overheid veel geld maar maakt de samenleving geenszins rechtvaardiger...

Het voorstel van de Kamerleden Fatma Koser Kaya (D66) en Eddy van Hijum (CDA) om ambtenaren dezelfde positie te geven als werknemers in het bedrijfsleven heeft ruime media-aandacht gewekt. Waarom zouden ambtenaren meer bescherming moeten genieten? Is dat niet ouderwets? En waarom zouden ze een voorkeursbehandeling moeten genieten? Daarnaast zou een sterke ambtelijke rechtspositie de bezuiniging op het aantal ambtenaren in de weg staan. Maar is het voorstel financieel verstandig, en kloppen de argumenten vanuit een maatschappelijk perspectief? Ons antwoord is nee.

De aanname van de twee Kamerleden is dat ambtenaren een betere rechtspositie hebben dan werknemers in de private sector. Koser Kaya en Van Hijum concentreren zich daarbij vrijwel uitsluitend op de ontslagbescherming van ambtenaren, die sterker zou zijn dan de ontslagbescherming van werknemers in de private sector. Maar is dat ook zo?

Werknemers in de private sector kunnen alleen ontslagen worden als vooraf toestemming verkregen is bij het UWV Werkbedrijf, of wanneer ontslag wordt aangevraagd bij de kantonrechter. Deze procedures zijn ook met de nodige waarborgen omkleed. Essentieel is echter dat deze procedures in het geheel niet toegespitst zijn op de publieke sector. Een werknemer in de private sector kan, behoudens disfunctioneren, alleen worden ontslagen wanneer dit ‘bedrijfseconomisch noodzakelijk’ is , een term die per definitie niet toepasbaar is voor de publieke sector, want overheden gaan – over het algemeen – niet failliet. Je ontkomt dus niet aan een aparte rechtspositie.

Een ander ontslagcriterium zou kunnen zijn dat de politiek dit bepaalt, maar dan is er van ontslagbescherming in het geheel geen sprake meer. Geld dat aan ambtenarensalarissen wordt besteed, kan niet alternatief aangewend worden voor andere zaken of voor het verlagen van belastingen. Juist hierom – om een kwalitatief goed ambtelijk apparaat te beschermen tegen politiek opportunisme – is de aparte ambtelijke rechtspositie in 1929 in het leven geroepen.

Maar een rechtspositie houdt veel meer in dan alleen de ontslagbescherming. Ook de beloning speelt een belangrijke rol. Een gelijke positie zou betekenen dat de salarissen van ambtenaren gelijkgeschakeld worden aan het salaris van werknemers in de private sector. Dus weg met de Balkenende-norm. Geef een secretaris-generaal dan maar het salaris van een president-directeur van een grote onderneming. Hogere kosten en een beeldvorming van publieke zelfverrijking zullen dus de consequentie zijn van wat Koser Kaya en Van Hijum betogen.

Onderzoek van SEO heeft uitgewezen dat de kosten verbonden aan de gelijkschakeling kunnen oplopen tot 245 miljoen euro, en dus pas over een periode 23 jaar terugverdiend kunnen worden. Tel hierbij de stijging op van de salarissen van ambtenaren die het gevolg zou zijn van een gelijktrekking van de rechtspositie. Deze nadelige gevolgen waren voor voormalig minister Ter Horst in 2008 reden om af te zien van een verdere gelijkschakeling voor wat betreft de rijksoverheid.

Een tweede punt van kritiek is dat het voorstel vrij gedateerd is. Het past naadloos in het managementdenken van de jaren tachtig, dat werd gekenmerkt door miskenning van de rol en positie van de ambtenaar. Inmiddels zouden we beter moeten weten: overheidsmanagement vindt plaats in een onmiskenbaar politieke context. De functie van ambtenaar heeft een duidelijke politiek-bestuurlijke dimensie, en de overheid heeft een dubbele pet als werkgever én beleidsbepaler.

De ambtenarenwet van 1929, die de rechtspositie regelt, is daarom hoogst relevant en van deze tijd: ambtenaren dienen benoemd te worden op basis van hun deskundigheid en niet op basis van hun politieke voorkeur of vriendschappelijke banden met de betrokken bewindspersoon. Als ambtenaren bij een wisseling van de politieke wacht gemakkelijk ontslagen kunnen worden, kan dit desastreus uitwerken voor de onafhankelijkheid en kwaliteit van het ambtelijk apparaat.

Volgens Koser Kaya en Van Hijum zou de gelijkstelling niet moeten gelden voor politieke ambtsdragers, de rechterlijke macht, en militairen. Hiermee maken de twee volksvertegenwoordigers zich kwetsbaar voor de beschuldiging niet in eigen vlees te willen snijden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden