Soep van een taaie reiger Hendrik van Teylingen worstelt met de natuur in Suriname

Nadat God hemel en aarde geschapen had, en man en vrouw naar zijn beeld, zeide Hij tot hen: 'Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde en onderwerpt ze, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op...

'Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt', het staat er alsof het een noodzakelijk akkefietje is. Willen we èrgens komen, dan moeten we eerst de handen uit de mouwen steken. In het goeddeels autobiografische werk van domineeszoon Hendrik van Teylingen (1938) zijn vele passages te vinden over de uitwerking van dat gebod op de rommelige biografie van de schrijver-vertaler. Alles kwam ten langen leste goed, zo bleek uit zijn laatste roman De verschijning van de godin Sar'svati in Hellevoet (1995). Maar voordat Van Teylingen het licht van Hare Krisjna zag en uit de Bhagavad-gita opmaakte dat de mens, in tegenstelling tot wat God in Genesis stelde, elke materie dient te ontstijgen om verankerd te raken in het bovenzinnelijke, had hij een lange weg te gaan.

Stukje bij beetje licht hij de lezer in over die gang. Zijn humor laat hem daarbij nooit in de steek. In De huilspiraal boekstaaft Van Teylingen in negen verhalen de periode dat hij als verslaggever voor onder andere Avenue in Suriname verbleef, een jaar of 25 geleden.

De hoofdpersoon heet Henk Bavink. Zodra Van Teylingen die naam gebruikt, weet je dat er geen zin volgt of hij druipt van ironie. Bavink is de afvallige domineeszoon die de zonzijde van het bestaan, gelegen in de meditatie, nog niet heeft ontdekt. Hij verlaat Holland, zijn echtgenote en zijn dochtertje, en verenigt zich in Paramaribo met de creoolse culinair publiciste (en moeder van twee dochters) Wonnie Sardjoe.

'Ik, Henk Bavink, begeer niets anders dan genot.' De zelfverzekerdheid van deze openingszin wordt in de rest van het boek genadeloos getorpedeerd. Bavink, onhandige Hollander bij uitstek maar wel in het bezit van lang steil gebleekt hoofdhaar waardoor hij veel bekijks trekt, heeft in Suriname eigenlijk niets te zoeken. De dochters Sardjoe kijken hem niet aan, Wonnie gebruikt hem vooral als geldschieter, ze wonen in een armoedige buurt, het is vies warm, overal zwermen insekten en liggen hondekrengen, en onderwijl in Nederland denkt zijn dochtertje Marilou het hare van hem.

De gebeurtenissen uit De huilspiraal zijn niet om over naar huis te schrijven. De openhartigheid waarmee Henk in de eerste persoon enkelvoud en in de tegenwoordige tijd verhaalt van zijn lachwekkende onaangepastheid, lijkt te wijzen op zelfgenoegzaamheid. Op dat flauwe type zitten we bepaald niet te wachten, de zoveelste reisschrijver uit het kreukloze Westen die de ontberingen van het minder geciviliseerde leven vrijwillig ondergaat, met als doel ze bij thuiskomst te gelde te maken in proestend proza waar de ginnegappende landgenoten van smullen.

Van Teylingen ontkomt aan die fuik. Als hij de woorden 'poëzie', 'mystiek' en 'mysterie' laat vallen, gebeurt dat steevast in een ironiserende context. De verhalen die hij vertelt, gegoten in een ritmisch en zangerig Nederlands, brengen evenwel in hun opeenvolging wel degelijk iets van die tegenwereld aan het licht.

Henk Bavink zelf heeft dat nauwelijks in de gaten. Hij moet een grote spin in huis om zeep brengen, krabben kraken, en een taaie reiger onthoofden omdat Wonnie er soep van wil koken. Wat hij niet door heeft, maar wat Hendrik van Teylingen door middel van zijn formuleringen laat doorschemeren, is het stelselmatige verzet van natuur en dier tegen de (door de Bijbel geïnstigeerde) heerszucht van de mens. Vlak nadat de spin neerzijgt onder het geweld van de raggende bezem die Bavink hanteert, sluiten diens poten zich 'over het lijfje als de zich toevouwende blaadjes van een bloem. De spitse voetjes of handjes raken elkaar allemaal tegelijk even aan als in een groet. Dan ontvouwen ze zich weer en liggen roerloos op de grond'.

De spin en diens breekbare web zijn in de Bijbel symbool voor de vergankelijkheid en ijdele hoop. In India staat dat beeld echter voor de kosmische ordening. Bavink komt niet verder dan een knagend vermoeden dat hij met zijn moordaanslag iets verkeerd doet. Doordenken ligt buiten zijn vermogen, gevangen als hij zit in zijn vleselijke verslaving aan Wonnie, die geen spin in haar woning duldt.

Wie meer wil dan de blanke broeder gewillig uitlachen, kan uit de taal van De huilspiraal herhaaldelijk waardevols zeven. Dan blijken het gevogelte en lager kruipende gedierte de lezende mens een bericht te sturen, over de rug van de beperkte verslaggever heen. Woordloos spreken ze hun eigen taal, de reiger die zijn hoofd niet van de romp laat scheiden door die lompe bleekscheet; de kolonne houtluizen, 'dit almaar voortwriemelende mirakel van wedijverloos leven', die massaal geplet dreigt te worden onder de stampers van Henk; de rode ibis, 'recht uit mijn Verkade-album', die voor het oog van de besmeurde blanke uit de modder opdoemt; en meer dan wat ook de oude straathond Bello, die op Wonnies bevel door Bavink naar de kliniek wordt gebracht, waar de dokter met een spuitje wacht. 'Ze wil maar geen onraad ruiken.' De schurftige teef zou niet beter af zijn als ze niet naar gene zijde was geholpen, maar wie is de mens dat hij op een kwaad moment kan besluiten de dood per spuit toe te dienen?

Van Teylingens boek is een mea maxima culpa. Het heeft even geduurd, maar zijn gebaar is er niet minder gemeend door. Na 25 jaar groet hij de dieren terug.

Hendrik van Teylingen: De huilspiraal. De Bezige Bij, ¿ 32,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden