Sociologen zagen wel wat in die Darwin

De beste maatschappij ontstaat als de fitste mensen ruim baan krijgen, gingen sommige denkers er met Darwins evolutietheorie vandoor. Het sociaal-darwinisme had eind 19de eeuw wisselend succes, stelt een promovendus....

Toen Charles Darwin in 1859 zijn boek over de evolutietheorie publiceerde, wilde hij uitsluitend de planten-en dierenwereld verklaren. Soorten waren ontstaan door natuurlijke selectie, waarbij de best aangepaste varianten overleefden, schreef hij in The Origin of Species. Met dit revolutionaire inzicht, zo anders dan bijvoorbeeld de scheppingstheorie, was de Britse bioloog op slag wereldberoemd.

Zo beroemd, zegt drs. Cor Hermans, dat anderen binnen de kortste keren met zijn ideeën aan de haal gingen. 'Light will be thrown on the origin of man and his history', zo had Darwin zijn boek voorspellend beëindigd. Iedereen vroeg zich inderdaad onmiddellijk af hoe de mens dan in de evolutie paste.

Bovendien, waren misschien ook hele maatschappijen onderwerp van het evolutieproces? En zo ja, hoe richtte je dan de 'sterkste' maatschappij in?

Zo ontstond het 'sociaal-darwinisme', de sociaal-wetenschappelijke uitbreiding van het darwinisme. Dinsdag promoveert Hermans, historicus en ambtenaar bij het ministerie van Sociale Zaken, aan de Universiteit van Amsterdam op de geschiedenis van deze verzameling sociale theorieën die door Darwin zijn beïnvloed. Ze waren vooral populair tot 1918, stelt Hermans, maar hebben ook daarna invloed gehad op de eugenetica – de gereglementeerde voortplantingspolitiek – en zelfs op de moderne sociobiologie, de leer die stelt dat veel menselijke gedragingen genetisch zijn bepaald.

Vijftien jaar lang heeft Hermans in zijn vrije tijd gewerkt aan het proefschrift, met de historicus prof. dr. Piet de Rooij als promotor. Veel tijd ging op aan het lezen van een deel van de immense stapel studies over Darwin, inmiddels al 'de Darwin-industrie' genoemd en zelf onderwerp van boeken.

Toch, zegt Hermans, bleek de invloed van het darwinisme op de sociale wetenschap vooral in Europa weinig bestudeerd. ' Het sociaal-darwinisme was een mysterieus begrip waar veel aan werd toegeschreven. Zo zou het via de eugenetica een prominente rol hebben gespeeld in de voorgeschiedenis van het nationaal-socialisme.' In de Verenigde Staten, waar er wel studies aan zijn gewijd, werd het daarentegen geassocieerd met een afkeer van overheidsinvloed en met extreem individualisme.

Dat is niet verwonderlijk, zegt Hermans, want het sociaal-darwinisme heeft vele gezichten gekend. De promovendusonderscheidt in zijn boek een aantal fasen in het ontstaan van de stroming. Darwins theorie, zegt hij, werd in het begin vooral opgepikt door antropologen. Die waren op dat moment druk bezig met onderzoek naar de oermens. Ze begonnen tussen 1860 en 1870, dus vóór Darwin in 1871 zelf in The Descent of Man stelde dat de mens van de aap afstamde, theorieën over de evolutiegeschiedenis van de mensheid te bedenken.

Een van hen was de Darwin-aanhanger Thomas Henry Huxley, die een boek schreef met de titel Man's Place in Nature. Dat was een provocerend stuk, zegt Hermans, omdat het voor het eerst stelde dat de mens niet bóven, maar i ¿ n de natuur stond. 'Er stonden al tekeningen in van skeletten van een aap, een gorilla, een oermens en een mens broederlijk naast elkaar.'

Al snel werden dergelijke gedachten doorgetrokken naar maatschappijen: als de mens een dier was, dan was een samenleving misschien ook onderhevig aan de wetten van de dierenwereld. De sociologie als discipline had nog geen gevestigde positie, dus het waren aanvankelijk vooral publicisten, artsen en biologen die daarop voortborduurden.

De Brit Herbert Spencer, journalist, spoorwegingenieur en een van de grondleggers van de sociologie, had zich al langer als sociaal evolutionist laten gelden. Al vóór Darwin, in de jaren veertig van de 19de eeuw, had hij alomvattende theorieën bedacht over de evolutie van maatschappijen en culturen. Daarin stond vooral de strijd om het bestaan van het vrije individu voorop: overheidsingrijpen was voor hem uit den boze. Hij vertaalde het darwinisme vooral naar een extreem liberalisme.

Zijn ideeën waren een tijdje populair, vertelt Hermans, korstondig in Engeland maar veel langer in de Verenigde Staten. In dat laatste land is de term 'sociaal-darwinisme' nog steeds sterk verbonden met individualisme. 'In de jaren tachtig werd het terugtreden van de overheid door de Democraten zelfs ”Reagan-darwinism” genoemd.'

In Europa raakte Spencer echter vrij snel na 1871 geïsoleerd. In dat jaar won de nieuwe Duitse staat met overmacht de Frans-Duitse oorlog. Dat leidde bij de Fransen tot een somber debat over de vraag of hun land niet aan het 'degenereren' was, of het niet tot de verliezers van de evolutie behoorde.

Ze begonnen Duitsland onder Bismarck, een sterk centraal geregeerd land waarvan de wetenschappers ook nog eens in hoog aanzien stonden, als voorbeeld te zien. Misschien, was de gedachte, is overheidsingrijpen juist wél nodig om te overleven.

Ook Darwin zelf vroeg zich, in 1871 in The Descent of Man, af of de natuurlijke selectie nog actief was in moderne samenlevingen en concludeerde dat ze wordt afgezwakt door bijvoorbeeld het opkomen voor de zwakkeren. Hermans: 'Hij vond dat altruïsme wel goed, maar zei ook: het is niet zoals fokkers met dieren omgaan, die zorgen dat alleen de beste exemplaren worden voortgeplant. Ook hij zag het degeneratiespook opdoemen.'

Iemand die daar strenge conclusies uit trok, was de arts en wiskundige Francis Galton. Hij staat bekend als de bedenker van de eugenetica. 'Galton zag de burgerlijke elite bedreigd worden', zegt Hermans. 'Ze plantte zich niet snel genoeg voort, vergeleken met de minder fitte onderlaag. De politiek moest daar iets aan doen door bepaalde groepen te bevoordelen.'

Het denken over degeneratie en de biologische fitheid van een natie, met eugenetica via staatsingrijpen als oplossing, was voor de Eerste Wereldoorlog populair in een groot deel vanEuropa, aldus Hermans, en werd later opgepikt door de nazi's. Het is om die reden dat rond de term sociaal-darwinisme nog altijd een beetje de geur hangt van 'foute' wetenschap.

Niet helemaal terecht, zegt Hermans: 'Ik denk niet dat de nazi's Darwin nodig hadden voor hun ideeën. Bovendien, het grootste deel van het sociaaldarwinistische debat in de 19de eeuw bewoog zich grotendeels binnen de grenzen van de bona fide wetenschap.'

De desillusie van de Eerste Wereldoorlog betekende in wezen het einde van het sociaal-darwinisme als culturele stroming. Hermans: 'Daarvóór was er veel nagedacht over de functie van oorlog. De meesten zeiden: die is evolutionair goed, want de sterksten overleven. Anderen zeiden: die is juist niet goed, want de fitste mannen worden gerecruteerd en sneuvelen. Het deasastreuze verloop van de oorlog zelf maakte wel duidelijk dat de biologische balans ervan negatief was.'

Denken over de biologische oorsprong van gedrag en samenleving was na de Tweede Wereldoorlog lange tijd taboe, maar is de laatste tijd weer populair, constateert Hermans. 'Dankzij de evolutiebiologie valt er niet meer te ontkennen dat een deel van ons gedrag genetisch is bepaald.'

'Bovendien', voegt hij toe, 'leeft er bij sociologen de laatste tijd het besef van een crisis: tellen we nog wel mee? Sommigen zijn daarom toch weer aan het kijken wat ze kunnen leren van de evolutiebiologie. Het onderzoek van primatologen als Jane Goodall en Frans de Waal naar sociale gedragspatronen binnen groepen dieren is daarom erg populair. Ook dat is iets van de laatste decennia. Terwijl Darwin zelf al in de Zoo naar het gedrag van apen ging kijken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden