Sociografen in het groen

Geen beter land voor plantensociologen dan Nederland. Dat ligt niet zozeer aan de floristische rijkdom. Want met circa 1450 wilde-plantensoorten is de Nederlandse flora weliswaar aardig voorzien, maar ze haalt het niet bij die van landen als Frankrijk en Duitsland....

Piet van Seeters

Nee, dat Nederland een goed land is voor botanici in het algemeen en voor plantensociologen in het bijzonder komt vooral doordat het hier mogelijk is, met steun van sponsors, een aantal grote werken te laten verschijnen waar ze in het buitenland jaloers naar kijken.

Vorig jaar werd met het verschijnen van het vijfde deel de serie De vegetatie van Nederland afgesloten. Dat was een vooral op biologen en natuurbeheerders gerichte, nieuwe beschrijving van de in Nederland voorkomende plantengemeenschappen.

Het bleek mogelijk, met behulp van computers een databestand te maken van 120 duizend 'opnamen' van vegetaties overal in Nederland. Daar waren ook nogal wat oude opnamen bij uit de periode 1929-1970. In deze serie werden vierhonderd plantenassociaties beschreven, gemeenschappen van planten die vaak bij elkaar groeien omdat ze in vergelijkbare milieu-omstandigheden gedijen.

Onlangs is het eerste deel verschenen van een nieuwe, vierdelige serie: Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland. Het belangrijkste inhoudelijke verschil met de vegetatieserie is dat de samenstelling van de gemeenschappen hier slechts kort wordt behandeld, maar dat er met twee kaarten wordt aangegeven waar de plantengemeenschappen voorkomen: een kaart van vóór 1975 en een kaart van erna. Daarmee zijn veranderingen in één oogopslag te zien, al moet daarbij in het oog worden gehouden dat er van ná 1975 veel meer opnamen beschikbaar zijn dan van daarvoor, zodat kaarten soms een slechts statistische toename van plantengemeenschappen laten zien.

De schrijvers van de nieuwe serie hebben ook meegewerkt aan de vegetatie-serie. Maar een verschil is dat E. Weeda ditmaal de belangrijkste auteur is en die kan uitstekend schrijven. Dat heeft hij eerder aangetoond in zijn vijfdelige Nederlandse Oecologische Flora, ook al zo'n standaardwerk waar ze in het buitenland jaloers naar kijken. De nieuwe serie is dan ook, meer dan de vegetatiereeks, gericht op een groter publiek, 'voor professionele en niet-professionele geïnteresseerden in de Nederlandse natuur'.

De verspreidingskaarten zijn gebaseerd op vakken van vijf bij vijf kilometer. Voor deze atlas waren nog aanzienlijk meer opnamen beschikbaar dan voor de vegetatieve beschrijving, namelijk driehonderdduizend. Daaruit hebben de auteurs een selectie gemaakt.

In de atlas wordt dezelfde volgorde gehanteerd als in de vegetatieserie. Het eerste deel omvat de tachtig plantengemeenschappen van wateren, moerassen en natte heiden. In de andere delen volgen graslanden, kust- en pioniermilieus en bossen.

Alsof deze nieuwe serie nog niet genoeg is, heeft een van de auteurs van zowel de vegetatieserie als de atlas, J. Schaminée, samen met R. van 't Veer een geschiedenis van de Nederlandse plantensociologie geschreven die verschenen is onder de aardige titel 100 jaar op de knieën. Dit boek mikt op ongeveer hetzelfde publiek: professionele en niet-professionele plantenkenners en natuurliefhebbers.

Het boek biedt een gedegen overzicht van de plantensociologie, die in Nederland laat op gang kwam, maar die toch interessant is omdat er aanvankelijk twee scholen tegenover elkaar stonden. Er waren de noordse school en de Frans-Zwitserse school, die elkaar overigens vrij snel vonden in het gemeenschappelijke belang om het nieuwe vak plantensociologie aanvaard te krijgen.

De historische beschrijving wordt in het boek afgewisseld met interviews met prominente botanici. Daar zitten interessante mensen bij, zoals Victor Westhoff, die algemeen wordt beschouwd als de belangrijkste Nederlandse plantensocioloog. Maar er zijn ook interviews met Ger Harmsen, hoogleraar geschiedenis, die uit de CPN stapte en vervolgens een wagonlading drek over zich heen kreeg, en Roelof de Wit, die in de politiek eindigde als commissaris van de koningin in Noord-Holland.

Deze gesprekken bevatten veel aardige details, die hier en daar ook in de historische geschiedschrijving zijn te vinden. Om maar één voorbeeld te noemen: na de Tweede Wereldoorlog werden enkele stukken Duits grondgebied bij Nederland gevoegd, waaronder het natuurreservaat de Duivelsberg bij Berg en Dal.

Elten en Tudderen werden in de jaren zestig weer Duits, maar De Duivelsberg niet, 'mede door toedoen van de in Nijmegen geboren en getogen politicus en natuurbeschermer jhr. mr. M. van der Goes van Naters, die begreep hoe waardevol het aldaar aanwezige elzenbronbos in het Filosofendal is'.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden