Sociale vlaktax kan wachtlijsten verminderen

Om vraag en aanbod van zorgvoorzieningen in evenwicht te brengen, moet de overheid uitgaan van de behoeften van de burgers....

STAATSSECRETARIS Bos van Financiën kan maar niet enthousiast worden over de vlaktax. Hij kiest in de recente fiscale verkenningen slechts voor een beperkte tariefsverlaging. Ook de VVD komt in haar concept verkiezingsprogram niet verder dan een lager toptarief. Dat is jammer, want een sociale vlaktax waarin de bestaande subsidieregelingen zijn geïntegreerd is rechtvaardiger dan de huidige progressieve tariefstructuur en kan bovendien bijdragen aan het verminderen van wachtlijsten in de collectieve sector.

De wachtlijsten in de zorg zijn zo gewoon geworden, dat ze nauwelijks meer beroering wekken. In de kinderopvang laten ouders zich op meer plaatsen inschrijven. En ook in de huursector is de verhouding tussen vraag en aanbod verstoord doordat de huursubsidie stimuleert tot het huren van een zo duur mogelijk huurwoning waardoor mensen scheef wonen.

De oorzaak van wachtlijsten in de collectieve sector is dat de overheid het aanbod stevig in de klem houdt. Ze wil zo de kosten van de gesubsidieerde voorzieningen binnen de perken te houden. De oplossing is zowel eenvoudig als logisch: laat burgers zelf betalen voor zorg en kinderopvang, in plaats van dat zij gebruik moeten maken van gesubsidieerd maar gebudgetteerd aanbod. Wanneer individuen worden geconfronteerd met de werkelijke kostprijs van voorzieningen hoeft het aanbod niet langer te worden beperkt. Niet de overheid maar de vraag van burgers bepaalt hoeveel zorgaanbod en kinderopvang nodig is, en hoeveel geld aan wonen wordt uitgegeven. Zo kan met name de zorgsector worden verlost van voortdurende interventies van de politiek.

Vraagsturing zonder meer leidt tot tweedeling. Daarom dienen diegenen die relatief veel lasten hebben te dragen ondersteuning te ontvangen in de vorm van belastingvermindering. Ouders ontvangen dan een inkomensafhankelijke ondersteuning waarmee ze naar inzicht kinderopvang kunnen kiezen in plaats dat kinderopvang via de gemeenten wordt gesubsidieerd en aangeboden.

Zorgvragers in plaats van zorgaanbieders krijgen financiële middelen om zorg in te kopen (in de vorm van een persoonsgebonden budget). Verder ontvangen zorgvragers zonodig een zorgkorting als tegemoetkoming voor de ziektekostenpremie. Door de zorgkorting te baseren op een normpremie - en niet de werkelijke ziektekostenpremie - worden mensen gestimuleerd te zoeken naar een voordelige ziektekostenverzekering. Geen betutteling en afhankelijkheid van subsidies dus, maar eigen verantwoordelijkheid en ondersteuning voor diegenen die het nodig hebben.

Ook de huursubsidie kan als inkomensafhankelijke heffingskorting in het fiscale systeem worden opgenomen. Huurders worden aangemoedigd hun woonkosten te beperken door deze huurkorting af te laten hangen van een normhuur in plaats van de werkelijke huur. Voorwaarde hiervoor is dat de woningvoorraad zodanig is dat iedereen een passende woning kan huren. Omdat hier nog niet overal aan voldaan is zal soms als overgangsmaatregel een toeslag moeten worden gegeven - bovenop de huurkorting - aan huurders die in deze regio's 'te duur' moeten huren. Maar op termijn kan worden volstaan met een huurkorting gebaseerd op een normhuur.

De inkomensondersteuning kan het beste plaats vinden op het niveau waar de lasten worden gedragen: het huishouden. Bij de behandeling van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is hier door de Paarse coalitiepartijen een eerste aanzet gegeven. Bij de introductie van de inkomensafhankelijke kinderkorting en aanvullende kinderkorting is toen gekozen voor inkomensafhankelijkheid op huishoudniveau (het gezamenlijke verzamelinkomen). Dat is opmerkelijk omdat het nieuwe Paarse belastingstelsel in principe uitgaat van het individu. Weliswaar zijn de kortingen nog beperkt van omvang, maar dat kan veranderen wanneer de stelselherziening in de zorg wordt ingevoerd. Bij zijn berekeningen voor een nieuw zorgstelsel is de SER uitgegaan van een forse verhoging van de aanvullende kinderkorting.

De tariefsverschillen, die meer progressie suggereren dan ze waarmaken, kunnen op termijn verdwijnen. De progressie krijgt dan vorm door belastingverminderingen die afhangen van huishouddraagkracht. Zo wordt de solidariteit gericht op degenen die het nodig hebben. Gerichte heffingskortingen garanderen dat ook onder een sociale vlaktax de gemiddelde belastingdruk toeneemt met het inkomen. Door de heffingskortingen te laten dalen met het huishoudinkomen en te laten stijgen met het aantal kinderen, wordt een vlaktax verzoend met een behoorlijk bestaansminimum, met name ook voor gezinnen met kinderen.

Integratie van inkomensafhankelijke regelingen in de belastingen maakt inkomenspolitiek transparanter waardoor een rechtvaardiger beleid mogelijk wordt. Ook bestrijdt een sociale, vlakke belasting de prikkel van midden- en hogere inkomens om belastbaar inkomen te verschuiven naar het lage tarief van de vermogensrendementsheffing (Box III) door het eigen huis zoveel mogelijk met schuld te financieren en het eigen vermogen te beleggen in financiële waarden. Een sociale vlaktax dient aldus de schokbestendigheid van de economie door het verminderen van de financiële risico's die jonge gezinnen lopen.

Het huidige fiscale stelsel doet verder niet goed recht aan het draagkrachtbeginsel: gezinnen met kinderen waarin één partner een kleine deeltijdbaan heeft betalen een hoger tarief dan tweeverdieners met een hoger huishoudinkomen. Een vlak tarief gecombineerd met heffingskortingen op huishoudniveau maken een einde aan deze onrechtvaardigheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden