Sociale dienst, overwin machteloosheid van eigen makelij

De tijd dat de sociale dienst een uitkeringsfabriek was, is voorbij. Gemeenten zijn minder geld kwijt aan uitkeringen, maar gek genoeg ondergraaft dit succes de toegevoegde waarde van sociale diensten, betoogt Pieter Hilhorst....

Pieter Hilhorst

Sinds 1 januari 2004 zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de Wet Werk en Bijstand. Zij krijgen een vast bedrag voor de uitkeringen en de bemiddeling naar werk. Lukt het gemeenten minder mensen een uitkering te geven dan werd verwacht volgens een rekenmodel van het Centraal Planbureau, dan mag des betreffende gemeente het geld in de zak houden.

Deze decentralisering van de bijstand is financieel een doorslaand succes geworden. Hoewel de economie kwakkelde, wist Amsterdam vorig jaar 120 miljoen over te houden en Rotterdam 50 miljoen. Bij de nieuwe verdelingsronde heeft het ministerie van Sociale Zaken een besparing ingevoerd van 330 miljoen (6,5 procent).

De gemeenten hebben dit succes vooral bereikt door de toegangspoort tot de bijstand beter te bewaken. 70 Procent van de gemeenten werkt of experimenteert met een work first-systeem. Dat betekent dat werklozen die zich melden onmiddellijk een aantal uur (bijvoorbeeld twintig) in een arbeidsvoorziening moeten werken voor hun uitkering. Ook zijn de budgetten voor fraudebestrijding verhoogd.

Ironisch genoeg ondergraaft juist dit succes de toegevoegde waarde van de sociale diensten. Ze slagen erin mensen buiten de deur te houden die geen recht hebben op een uitkering of geen hulp nodig hebben bij het vinden van een baan. Maar dat is niet hetzelfde als mensen aan het werk helpen. Wat gebeurt er met iemand die braaf twintig uur per week komt werken in een arbeidsvoorziening? Hoe komt hij aan een echte baan? En wat gebeurt er met de mensen die terugdeinzen voor de gevraagde tegenprestatie en zich niet meer laten zien?

Hetzelfde geldt voor mensen die hun aanvraag voor een uitkering intrekken vanwege een strengere controle van de woonsituatie. Het is mogelijk dat ze op eigen gelegenheid aan de bak komen, maar het is ook mogelijk dat ze gaan leven van het inkomen van hun partner. Ook zijn er steeds meer jongeren die verdwijnen uit de officiële statistieken. Ze krijgen geen uitkering en ze hebben geen baan. Ze hosselen hun bestaan bij elkaar. Deze kanttekening is geen pleidooi om dan maar genereus uitkeringen te verstrekken. Het is wel een relativering van het bejubelde motto 'werk boven inkomen'. Dat is eigenlijk een slechte samenvatting van het beleid. Eigenlijk geldt: 'Uit de uitkering boven aan het werk.'

Streng beleid voorkomt verspilling. Zo kan meer geld en tijd worden besteed aan het eigenlijke werk. Sociale diensten moeten mensen aan het werk helpen die dat op eigen gelegenheid niet kunnen. Dus moeten ze weten wat er aan de werklozen schort. Schort het aan discipline, scholing of aan een netwerk? Een work first-aanpak kan werklozen laten wennen aan een arbeidsritme. Het is een noodzakelijke, maar absoluut niet voldoende voorwaarde voor het krijgen van werk. Scholing is belangrijker. Van de laaggeschoolden heeft maar 47,9 procent een baan. Van de hooggeschoolden is dat 81,8 procent. Het verwerven van kwalificaties is voor werklozen dus van het grootste belang.

Vreemd genoeg is het geld dat aan scholing wordt uitgegeven de afgelopen jaren gedaald. De reïntegratie van werklozen is uitbesteed aan private reïntegratiebedrijven. Zij worden beoordeeld op hun kortetermijnresultaten. Een opleiding of een arbeidskwalificatie geldt niet als succes. Het gevolg is dat de budgetten voor scholing worden afgeknepen.

Uit het rapport Etnische Minderheden op de arbeidsmarkt van het ministerie van Sociale Zaken blijkt dat er een grote discrepantie is tussen zoekgedrag van veel werklozen en het wervingsgedrag van werkgevers. Je zou dus verwachten dat sociale diensten veel aandacht besteden aan het versterken van het netwerk van werklozen en het beter uitbaten van het netwerk. Het tegendeel gebeurt. Sociale diensten werken sterk individualiserend. De cliënt wordt losgeweekt van zijn omgeving. Aan hem wordt niet gevraagd of hij iemand kent die hem kan helpen bij een sollicitatiebrief, nee, hij krijgt een sollicitatiecursus. Hetzelfde geldt voor het vinden van werkervaringsplaatsen. Is er iemand uit de eigen omgeving die daarbij behulpzaam kan zijn? Ook wordt geen financiële compensatie gegeven voor die hulp. Dat kan immers een manier zijn om het netwerk van de cliënt te versterken.

De paradoxale conclusie is dat de decentralisering wel heeft geleid tot financieel voordeel voor het rijk en sommige gemeenten (andere gemeenten zijn er op achteruit gegaan), maar niet tot verbetering van de kerntaak van de sociale dienst. Dat is des te treuriger omdat gemeenten de vrijheid hebben gekregen radicaal anders te werken en te breken met routines.

Toch wordt er niets gedaan aan preventie van werkloosheid. Kinderen die in armoede opgroeien, hebben een grotere kans zelf ook op de onderste sport van de maatschappelijke ladder te belanden. Deze sociologische open deur is pijnlijk, omdat in Amsterdam de helft van de Marokkaanse kinderen in armoede opgroeit. Het loont om daar via de bijstand wat aan te doen, door kinderen die opgroeien in een gezin met een minimuminkomen vouchers te geven voor bijles en sport. Zo wordt schooluitval tegengegaan en komen allochtone kinderen in aanraking met autochtone studenten, bejaarden of ouders van klasgenootjes. Het is dus ook een versterking van het netwerk van de cliënt. Deze investering in scholing levert waarschijnlijk meer op dan het gemiddelde reïntegratietraject.

De decentralisering van de bijstand spoort gemeenten aan hun geld optimaal te besteden. Helaas overheerst het korte-termijn-denken. Dat komt ook door Sociale Zaken, dat weigert een lange termijn-perspectief te hanteren voor de verdeling van het geld. Zo wordt er amper geïnvesteerd in goede relaties met werkgevers. Toch levert dat meer op dan al die trajecten voor werklozen. Ook dat is deels een gevolg van de privatisering van de reïntegratiemarkt. Als reïntegratiebedrijven zich al specialiseren, is dat op kenmerken van de werkzoekende. Zo kan een bedrijf zich toeleggen op het aan de slag helpen van voormalige alcoholisten. Het betekent dat elk bedrijf apart moet investeren om toegang te krijgen bij werkgevers. Bovendien is de onderhandelingsmacht van elk individueel reïntegratiebedrijf beperkt.

In Tiel investeert de sociale dienst wel in de relaties met werkgevers. Zo hebben ze een Duitse supermarktketen in de gelegenheid gesteld sollicitatiegesprekken te voeren in het bedrijfsverzamelgebouw waarin sociale diensten en reïntegratiebedrijven verzameld zijn. Ook hebben ze uit de werklozen die ingeschreven staan bij het Centrum voor Werk en Inkomen een voorselectie gemaakt van mogelijke kandidaten. Deze vriendelijke aanpak heeft resultaat gehad. 75 procent van de geselecteerde kandidaten is daadwerkelijk aan de slag gegaan bij de grootgrutter.

Maar zelfs met een verleidingsstrategie komt een deel van de klanten van de sociale dienst niet in aanmerking voor 'normale banen'. Daarvoor is hun productiviteit te gering. En het aantal beschermde banen is de afgelopen jaren drastisch verminderd.

Nieuwe allianties kunnen soelaas bieden. In Tiel probeert de sociale dienst de goede contacten met de Duitse grutter te gebruiken voor een bijzondere deal. De dienst wil een deel van de productie van de supermarkt overnemen. De onderneming betaalt hiervoor het bedrag dat ze nu ook kwijt is aan kosten. Vervolgens wordt een werkbedrijf opgericht dat deze taken op zich neemt met behulp van medewerkers die voor de gewone arbeidsmarkt niet competitief zijn.

Vroeger was de sociale dienst een uitkeringsfabriek. Die tijd is voorbij. Maar het beeld dat nu opdoemt, is niet veel opwekkender. Een dienst die de toegangspoort streng bewaakt, maar weinig kan doen voor de mensen die toch binnenkomen. De uitkeringsfabriek dreigt zo te worden ingeruild voor een trajectenfabriek. Hoopgevend is wel dat gemeenten zeggen in het komend jaar meer te willen doen dan work first. Terecht.

Ze moeten nadenken over hun toegevoegde waarde. Het buiten de deur houden van mensen die zichzelf moeten kunnen redden, is een wel heel minimale taakopgave. Strengheid moet een voorwaarde zijn om meer tijd, geld en energie te steken in de mensen die wel hulp nodig hebben. Dat laatste wordt nu vergeten. Sancties en work first leiden niet tot beter geschoolde werkzoekenden met een beter netwerk. De ambitie moet daarom omhoog. Sociale diensten moeten vandaag voorkomen dat er morgen kansloze werklozen op de arbeidsmarkt verschijnen. Ze moeten scholing stimuleren en netwerken bevorderen. Ze moeten werkgevers verleiden om hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen en daarvoor de onderhandelingsmacht van de gemeente inzetten. Sociale diensten moeten afrekenen met de machteloosheid van eigen makelij.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden