Snufjeskunst

Apparatuur is steeds nadrukkelijker aanwezig in de hedendaagse kunst. Logisch, schrijft Petran Kockelkoren in 'Techniek: kunst, kermis en theater', want ook kunstenaars wennen aan vernieuwingen....

Het voorval staat me nog steeds helder voor ogen: de tirade van een academiedocent omdat hij een punaisegaatje ontdekte in het schilderij van een student. Deze had met een touwtje aan de punaise een cirkel getrokken op zijn doek. Hoe haalde de student dat in zijn hoofd? De perfecte cirkel kon, volgens de docent, niet anders dan uit de losse pols worden getekend.

Het voorval geeft aan hoezeer, in bepaalde kringen, de kunst als het product wordt gezien van een artistieke geest en een ambachtelijke hand. Een romantische visie die voorschrijft dat alles uit het brein en de motoriek van de maker moet komen, zonder het gebruik van hulpmiddelen.

Dat deze opvatting terrein verliest, blijkt niet alleen uit de kunst waarin het gebruik van apparatuur (camera's, computers, monitors) steeds prominenter aanwezig is. Het blijkt ook uit de literatuur. Zo publiceerde de Engelse schilder David Hockney twee jaar geleden zijn onderzoek naar het gebruik van de camera lucida (een soort camera obscura) in de kunst, vanaf de vijftiende eeuw. Vorige week verscheen het boek Techniek: kunst, kermis en theater van Petran Kockelkoren, bijzonder hoogleraar kunst en technologie aan de Universiteit Twente en lector aan de Hogeschool voor de kunsten.

Het boek is in zekere zin een afrekening met het romantische oorspronkelijkheidsdenken. Kockelkoren volgt twee sporen: de misvatting dat volledige autonomie binnen de kunst zou kunnen bestaan, en de stelling dat technische hulpmiddelen onze blik sowieso altijd hebben bepaald. De twee gedachten vullen elkaar aan. Prachtig is zijn beschrijving hoe zijn eigen kijk op de wereld veranderde toen hij als kind een helikoptervlucht maakte boven zijn geboorteplaats Roermond.

De gebeurtenis staat model voor alle vernieuwingen die de mensheid heeft voortgebracht, zoals de trein, de auto, het vliegtuig, medische ontdekkingen, en de oprukkende digitalisering. Allemaal zijn ze van belang (geweest) voor de ontwikkeling van onze perceptie. Schreef Victor Hugo al niet dat door de snelheid van de trein bloemen, bomen en korenvelden zich aaneenregen tot kleurvlakken en rode en witte strepen?

Dat elke uitvinding aanvankelijk met scepsis wordt ontvangen, ligt voor de hand, schrijft Kockelkoren. De eerste treinreizen veroorzaakten bij de reizigers oogontstekingen, urinebuisverstoppingen en miskramen. Maar vervolgens treedt er een 'stabiliseringsproces' op: de mens past zich aan en incorporeert de nieuwlichterij in zijn leven. In plaats van vervreemding wordt de verandering 'gedomesticeerd'. Technische vernieuwingen zijn een onvervreemdbaar bestanddeel van de algehele condition humaine.

Ook bij kunstenaars. Sterker, juist bij kunstenaars, omdat zij als geen ander in staat zijn, door hun verfijnde waarneming, veranderingen in hun werk zichtbaar te maken. Hetgeen betekent dat je, als je het breed bekijkt (wat Kockelkoren doet), de hele kunstgeschiedenis ook kunt zien als een grote adaptatie van technische hulpmiddelen. Voorbeelden te over: het lineaire perspectief van Brunelleschi, industriële producten bij de impressionisten, auto's bij de futuristen, de zeefdruktechniek bij Andy Warhol. Ze wijzen erop dat de romantische visie van een volledige artistieke onafhankelijkheid een idee-fixe is.

Gek genoeg blijft Kockelkoren toch vasthouden aan de autonome status van de kunst. Maar daarmee is zijn boek, hoezeer geschreven vanuit een historisch perspectief, ook heel actueel. De nieuwe technologische ontwikkeling binnen de kunst (vooral die van het dupliceren van het beeld) heeft er de laatste jaren toe geleid dat de kunstwereld is opgedeeld in twee kampen: degenen die kunst vanwege haar ambachtelijke uniciteit onaantastbaar achten en degenen die de technische reproduceerbaarheid als dé toekomst beschouwen. Kockelkoren probeert tussen deze twee groepen een brug te slaan.

Hoe hij dat doet? Door de autonomie van de kunstenaars te zien als het resultaat van een kritische houding: ze nemen de technische vernieuwingen niet klakkeloos over, maar passen die toe op een onafhankelijke manier. Een schilderij van Vermeer is geen objectieve neerslag van het gebruik van de camera obscura, het is een artistiek (en dus onafhankelijk) gebruik daarvan. Kockelkoren beschouwt de autonomie van de kunst daardoor niet als een absolute maar als een relatieve verdienste: verbonden aan de mogelijkheden die de technische vernieuwing haar te bieden heeft.

Hoewel doorwrocht geschreven en gebaseerd op veel feitenkennis vooraf, biedt het boek daarmee een antwoord op de kritiek dat de huidige medialisering van de kunst enkel en alleen het resultaat is van een gemakzuchtig gebruik van videocamera's en computerprogramma's. Want ook bij het gebruik van de nieuwste snufjes op elektronisch gebied zal er altijd ruimte blijven voor de verbeeldingskracht van kunstenaars - mits die dat natuurlijk wel opeisen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden