SNIJDEN IN EIGEN VLEES

Prominente PvdA’ers als Hedy d’Ancona en Job Cohen protesteren tegen de bezuinigingen op cultuur, zoals voorgesteld door minister Plasterk – óók PvdA....

Jacques Wallage is, behalve burgemeester van Groningen, ook voorzitter van de Nationale Reisopera in Enschede, het enige Nederlandse gezelschap dat met staatssubsidie opera’s op de planken brengt in de kleinere stads- en streektheaters. Onlangs schreef hij ‘een korte brief’ aan Ronald Plasterk, de nieuwe minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Onderwerp: de bezuiniging van vijftig miljoen euro die het nieuwe kabinet-Balkenende IV wil toepassen op de kunstsubsidies uit hoofde van het ‘profijtbeginsel cultuur’. Vrij vertaald: laat de kunstliefhebber meer betalen voor zijn toneel- en concertkaartjes, dan kunnen de kunstsubsidies omlaag.

Wallage vreest het ergste voor de Reisopera. ‘Als reizend gezelschap verkopen wij helemaal geen kaartjes. Dat doen de schouwburgen, die ons een uitkoopsom betalen van twintig mille per voorstelling. Als deze maatregel doorgaat, moeten wij die uitkoop drastisch opschroeven, met tientallen procenten.’ De theaters zullen, nog vaker dan zij nu al doen, kiezen voor concurrenten uit Oost-Europa. ‘Die zijn veel goedkoper dan wij, maar de kwaliteit is er dan ook naar. Wij bieden jaarlijks minstens één avant-gardeproductie aan. Dat is ook onze opdracht van OCW.’ Wallage schetst de absurde consequentie: ‘Minder opera voor meer geld.’

Hij was lang niet de enige die aan de bel trok. De eerste was Jan Riezenkamp, oud-wethouder van Cultuur in Rotterdam en daarna bijna twintig jaar lang directeur-generaal Cultuur op OCW. In debatcentrum de Rode Hoed gispte hij onlangs de kunstinstellingen, omdat die ‘muisstil’ blijven. Riezenkamp schat dat alle kabinetsbezuinigingen bijeen de kunsten een kwart van het rijkssubsidiebudget gaan kosten. Job Cohen, zijn collega in Amsterdam, protesteerde onlangs in het tv-programma Buitenhof omdat de hoofdstad veel getroffen instellingen telt. ‘En dan hebben we het over wereldmerken als De Nederlandse Opera en het Concertgebouw’, aldus Cohen. ‘Hun voorstellingen worden prohibitief duur. Voor ons is dat een groot probleem.’

Hedy d’Ancona, oud-minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1989-1994), is nu bestuurslid van het Concertgebouworkest, dat vreest voor aanwakkerende verwijten van ‘elitarisme’ wanneer het zijn prijzen nog verder moet verhogen. Namens het Amsterdams Fonds voor de Kunst, waarvan zij voorzitter is, kwam d’Ancona in het geweer in Het Parool. ‘Een aanslag op Amsterdam!’, schreef zij. ‘Minder dan honderd dagen heeft de nieuwe minister hopelijk nodig om te beseffen dat zoiets echt niet kan.’ Pikant detail: als minister noemde d’Ancona het profijtbeginsel in 1992 ‘een socialistisch uitgangspunt’ en paste zij het zelf toe op de kunstinstellingen. Om voor staatssubsidie in aanmerking te komen, moesten die voortaan minstens 15 procent van hun budget halen uit eigen inkomsten – bijvoorbeeld uit hogere kaartjesprijzen. Haar norm geldt nog steeds.

Zelfs Wim Kok schijnt zich te hebben geroerd. Namens het Nationale Ballet, waar hij in de raad van toezicht zit. Naar verluidt is zijn interventie slecht gevallen in Den Haag: volgens de politieke mores moet een oud-bewindsman zijn opvolgers niet al te hinderlijk voor de voeten lopen. Zeker een oud-premier niet.

Het schouwspel heeft een tragikomische kant. Alle bovengenoemde kunstbestuurders zijn prominente leden van de Partij van de Arbeid, van oudsher dé politieke bondgenoot van de kunsten, en bestuurlijk zwaar oververtegenwoordigd in de sector. Maar hun tegenstanders zijn ook al partijgenoten: Ronald Plasterk en Wouter Bos, minister van Financiën en daarmee de vader aller bezuinigingen. Is de PvdA als kampioen van kunst en cultuur in een onherstelbare spagaat terechtgekomen?

Jacques Wallage: ‘Nou, dat vind ik wat gemakkelijk. Ik spreek alleen namens de Nationale Reisopera.’

Job Cohen: ‘Ik heb me niet bemoeid met het kunst- en cultuurbeleid van de partij. Ik zeg hier vooral iets over als burgemeester van Amsterdam.’

De onderlinge strijd legt bloot hoe ambigu de PvdA in de loop der tijden is komen te staan tegenover kunst en cultuur. Een eeuw geleden omarmde het socialisme de kunst zelf, en dan vooral de vernieuwende kunst, als een van de motoren van zijn vooruitgangsbeweging. De grote Nederlandse socialisten van het eerste uur waren op zijn minst liefhebbers van kunst en vaak zelf kunstenaars, zoals Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst. In de jaren dertig van de vorige eeuw betoogde Emmanuel Boekman dat het socialisme de kunsten toegankelijk moest maken voor de massa: het begin van de kunst als beleidsinstrument voor een andere, meer rechtvaardige politiek. Het huidige centrum voor studie en debat over cultuurpolitiek, de Boekmanstichting in Amsterdam, is naar hem genoemd.

Na de Tweede Wereldoorlog won de stroming-Boekman steeds meer terrein. ‘De Staatszorg voor de cultuur is ingegeven door de opdracht de mens uit de massa te redden’, aldus een beleidsnotitie van de PvdA uit de jaren vijftig. ‘Volksverheffing’ was tot en met de jaren zestig het hoofddoel van het socialistische kunst- en cultuurbeleid. Blootstelling aan muziek, theater en beeldende kunst zou de arbeider mede in staat stellen te ontstijgen aan zijn nederige komaf, en verdiende dus de warme steun van de staat. Tot zover profiteerden zowel de arbeider als de kunsten zelf.

Boegbeeld bij uitstek van dit vruchtbare huwelijk werd Jan Kassies – verzetsheld, mede-oprichter van het weekblad Vrij Nederland, voorzitter van de VPRO en uiteindelijk jarenlang directeur van de Amsterdamse toneelschool. Tussen de bedrijven door ontplooide Kassies zich als dé PvdA-theoreticus over kunst- en cultuurbeleid. Toch werd Kassies pas in 1977, 50 jaar oud inmiddels, lid van die partij. De band tussen arbeider en kunstenaar was toen al danig aan het rafelen. De oliecrises, die leidden tot hoge inflatie, industrieel verval en massawerkloosheid, confronteerden de PvdA met een nieuw dilemma: geven we geld aan de kunsten of aan de armen?

Steeds vaker won de laatste categorie. Daarmee kwam een nieuw type bestuurder opzetten binnen de partij. Zoals Jan Schaeffer, de Amsterdamse bakker die als wethouder de bouw van betaalbare huizen in de hoofdstad aanjoeg onder het motto: ‘In gelul kun je niet wonen’. De nieuwe generatie had geen interesse meer in de portefeuille kunst en cultuur, en liet die over aan vaak zwakke wethouders van D66. Van ‘verheffend’ werd kunst voor veel PvdA’ers ‘elitair’, en daarmee verdacht. Het verval van het Stedelijk Museum kwam mede voort uit deze bestuurlijke onverschilligheid. Die vormde een afspiegeling van het landelijke beeld. Afgezien van de ministers André van der Louw (1981-1982) en Hedy d’Ancona (1989-1994), en staatssecretaris Rick van der Ploeg (1998-2002), leverde de PvdA al vanaf 1966 geen bewindspersonen voor het rijkskunstbeleid.

Voor zover de partij al belangstelling toonde voor de kunsten, zette het die vooral in als instrument voor andere beleidsprioriteiten, zoals de politieke bewustwording van arbeiders (het vormingstoneel uit de jaren zeventig), de integratie van allochtonen (Van der Ploeg twee decennia later, met zijn maatregelen om meer ‘gekleurd’ publiek naar toneel en concerten te krijgen) en de stimulering van de ‘creatieve industrie’ (Balkenende III, nog steeds van kracht; Carolien Gehrels, de huidige PvdA-wethouder van Kunst en Cultuur in Amsterdam, is een warm aanhangster). Cultuur, zo heeft de dichter-schrijver Gerrit Komrij ooit gezegd, werd een ‘pakezel’ voor niet-culturele politieke doeleinden. Een politieke visie op de kunsten zelf bleef achterwege. Wanneer bezuinigingen de rijkskunstbegroting troffen, verzette de PvdA zich nauwelijks, ondanks de talloze partijgenoten in het kunstenveld.

Pas vanaf 2005 probeerde Wouter Bos daar verandering in te brengen. ‘Politiek en cultuur zijn in Nederland in een klunzige, halfslachtige omhelzing geraakt’, schreef hij dat jaar. De politiek moest weg van ‘het gedetailleerde subsidiegeschuif’ en zich weer concentreren op ‘de maatschappelijke betekenis van kunst en cultuur in onze samenleving’. Bos eiste ‘een actieve cultuurpolitiek waarbij politici niet bang zijn om het debat aan te gaan’. De citaten komen uit zijn voorwoord bij De kracht van kunst, een pamflet van de PvdA-Kamerleden Jet Bussemaker en John Leerdam.

Er volgde een reeks initiatieven, waaraan Bos zelf deelnam of die hij op zijn minst aanmoedigde. De Wiardi Beckman Stichting (WBS), het wetenschappelijk bureau van de PvdA, wijdde zijn jaarboek voor 2005 geheel aan cultuurpolitiek. Het WBS-maandblad Socialisme & Democratie deed hetzelfde met de editie van januari 2006. Vele malen gingen PvdA’ers het gesprek aan met vertegenwoordigers van de kunsten, zowel tijdens openbare debatten als in besloten sessies die door de partij zelf waren georganiseerd. Het zo verzamelde materiaal vormde de basis voor de kunst- en cultuurparagraaf in Samen sterker, het PvdA-programma voor de Kamerverkiezingen van vorig najaar.

En toen volgde toch weer de zoveelste bezuiniging – vijftig miljoen dit keer, in een regeerakkoord waarvan zowel Bos als Plasterk co-auteurs zijn. ‘Binnen de PvdA speelt altijd de tegenstelling tussen principiële overtuiging en de eisen van de praktijk’, constateert Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting (geen lid van een politieke partij). Hij spreekt van ‘het gat van Jan Kassies’, die in 1995 overleed. ‘Als theoreticus heeft hij nooit een echte opvolger gekregen.’ Met als gevolg zo’n cultuurparagraaf in Samen sterker: ‘Die stelt echt niks voor.’

Moeten de kunsten dan maar op zoek naar een nieuwe politieke bondgenoot? Hedwig Verhoeven (35) denkt van niet. Volgens haar is de sector zelf op zijn minst medeschuldig aan het kwakkelende kunstbeleid. De directeur van het Munttheater in het Limburgse Weert maakte deel uit van de commissie die Samen sterker schreef. De cultuurparagraaf is vooral haar werk. Verhoeven werkte vijf jaar lang als beleidsmedewerker bij de podiaclub VSCD, waar ze zich vooral bezighield met vraag en aanbod binnen de podiumkunsten, en met de differentiatie in kaartjesprijzen waarmee Plasterk nu weer schermt. Daarna was ze anderhalf jaar betrokken bij de ‘tribunes’, waarmee omroep de AVRO zijn leden aan zich probeerde te binden. Verhoeven moest toneelgezelschappen interesseren voor een bijdrage aan de ‘theatertribune’.

Maar de meeste gezelschappen wilden niet op tv. Verhoeven: ‘Ze vonden de AVRO-plannen te commercieel, slecht voor hun imago.’ Dezelfde ervaring had ze in de Samen sterker-commissie. De lobbyclub Kunsten ’92, de Nederlandse Museumvereniging en de Raad voor Cultuur, Plasterks voornaamste adviesorgaan voor kunst- en cultuurbeleid, meldden zich als enige drie uit eigen beweging voor de voorbereidende praatsessies die Verhoeven hielp organiseren. ‘En we hebben echt heel hard gewerkt om de kunstinstellingen erbij te betrekken. Maar de meeste reageerden met: ‘De PvdA? Moeten we dáár tijd in stoppen?’ ’

Ja dus, vindt Verhoeven. ‘Mede dankzij die praatrondes staan er twee keiharde voorstellen in Samen Sterker. Eén: de PvdA wil af van het Cultuurnota-circus, en samen met de sector een nieuw systeem ontwikkelen. Twee: de podia moeten eigen programmeringsbudgetten krijgen.’ Zo kunnen die weer meer gesubsidieerd theater programmeren – de Nationale Reisopera bijvoorbeeld. Verhoeven: ‘Het valt me op hoe snel de kunsten klaarstaan om anderen de schuld te geven van hun eigen problemen.’

Ze kunnen beter de boer opgaan – bij de PvdA bijvoorbeeld. Want er is nog hoop. Behalve het ‘schellinkje’ sneed minister Plasterk in zijn eerste weken nog een onderwerp aan: hij wil de ezel van zijn pakjes ontdoen door de kunsten ‘minder instrumenteel te benaderen’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden