Smachten naar internationale erkenning

De promotie van het Nederlandse cultuurgoed in het buitenland is hét onderwerp van de Nederlandse kunstpolitiek. Al heel lang. Talloze instanties zijn ermee bezig....

Een echte aanbeveling is het niet. De cover van het jongste jaarverslag van het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst (BKVB) is eerder ronduit ontmoedigend. Weliswaar staat er met grote letters 'Internationalisering' op, de onderliggende foto laat het aangespoelde lichaam van een vluchteling zien, op een Zuid-Europees strand. Wie niet beter weet denkt een noodlottig rapport in handen te hebben van de Spaanse kustwacht of de Italiaanse immigratiedienst.

En dat is nu precies niet de bedoeling. Als er één ding uit het jaarverslag van het fonds moet blijken, is het wel dat de Nederlandse kunst aansluiting heeft gevonden met het buitenland. Kaarten die in een KLM-reisgids niet zouden misstaan, bewijzen dat het zeevarende volkje uit de zeventiende eeuw de handelsbetrekkingen met het buitenland opnieuw heeft aangehaald. Als missionarissen worden kunstenaars erop uitgestuurd om het artistieke woord te verkondigen. Met als blijde boodschap dat in het moederland nog eens duizenden kunstenaars smachtend zitten te wachten op internationale erkenning.

De promotie van het Nederlandse cultuurgoed in het buitenland is het afgelopen jaar hét onderwerp van de Nederlandse kunstpolitiek. Dat blijkt niet alleen uit het jaarverslag van het Fonds BKVB. Vorig najaar lanceerde de Mondriaan Stichting de internationalisering tot een 'beleidsregel'. In juni stelde Rein Wolfs, in het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië, de expositie We Are The World samen met vijf kunstenaars, onder wie maar liefst drie uit het buitenland.

Twee weken geleden publiceerde de Raad voor Cultuur haar advies aan de staatssecretaris van OCW, Medy van der Laan over een beter internationaal cultuurbeleid. De (toenmalige) staatsscretarissen van OCW en Buitenlandse Zaken, Cees van Leeuwen en Atzo Nicolaï, hadden daar in januari om gevraagd. Belangrijkste aanbevelingen: het internationale cultuurbeleid moet meer reliëf krijgen, en OCW zou er goed aan doen samen te werken met Economische Zaken en meer ruimte te geven aan de cultuurinstellingen,

Nu kent de buitenlandpromotie van Nederlandse beeldende kunst inmiddels een gedenkwaardige traditie. De afgelopen twintig jaar hebben tal van instanties en commissies zich erover gebogen: de Rijksdienst, de commissie-Gevers, de Raad voor Cultuur, het Fonds BKVB, de Mondriaan Stichting. Budgetten van OCW en Buitenlandse Zaken werden samengevoegd in de Homogene Groep Internationale Samenwerking. In 1999 werd de Stichting Internationale Culturele Activiteiten opgericht om de presentatie van Nederlandse kunst in het buitenland beter te coördineren. Ondertussen gingen er ook nog eens stemmen op voor een apart Bureau Buitenland.

De belangrijkste kwestie bij al die initiatieven: hoe kan de Nederlandse kunst het meest effectief in het buitenland worden gepromoot? Vraag- of aanbodgericht? Aanvankelijk richtte men zich op het 'aanbod', zonder al te veel succes. Zo probeerde de Rijksdienst, in de jaren tachtig, de Nederlandse kunst te exporteren, zonder dat men wist wélke kunstenaars, naar wélk land. De laatste jaren zet men alle kaarten op de 'vraag' vanuit het buitenland. Dáár wordt bepaalt wat er van de Nederlandse kunst de grenzen over gaat. Ook dat heeft niet veel geholpen, getuige de vraag van de tweede staatssecretarissen aan de raad of Nederland niet moet overgaan op een 'meer offensieve, aanbodgerichte aanpak'.

Eén ding is ondertussen wel duidelijk geworden: door alle betrokken partijen heeft de internationale kunstpolitiek in Nederland de schijn van doelgericht beleid, terwijl het de afgelopen twintig jaar een stoplap is gebleven. Alles is gedecentraliseerd en versnipperd. De ene adviseert, de andere voert uit, een derde betaalt.

Elke vier jaar wisselt men van koers. En dat terwijl de Raad alarmerend schrijft dat de 'voortschrijdende mondialisering en de uitbreiding van Europa om een actievere opstelling vragen van zowel het culturele veld als de overheid voor de internationale positionering van Nederland en zijn kunst en cultuur'.

Het culturele buitenlandbeleid in Nederland is een trapsgewijs, gedelegeerd beleid. Bovenaan staat de grote geldschieter, de overheid. Onderaan de kunstenaars en cultuurinstellingen. Daartussen zitten de fondsen, stichtingen en culturele attachés. Gevolg van deze wederzijds afhankelijke rolverdeling: alle participanten die zich met het buitenlandbeleid bezighouden letten meer op elkaar dan dat ze kijken naar het uiteindelijke rendement. Ze houden elkaar in een wurgende houdgreep, waarbij het Rijk door haar financiële macht nog altijd toonaangevend is.

Door dit mechanisme is het idee van een terugtredende overheid verder weg dan ooit. En dat terwijl de Raad voor Cultuur meer nadruk wil leggen op de verantwoordelijkheid van de cultuurinstellingen. Nieuw is dat voornemen niet. Vier jaar lang schreef Rick van der Ploeg al de ene openbare brief na de andere notitie waarin hij het culturele ondernemerschap van de kunstenaar bepleitte. Tel daarbij op de eerdere afschaffing van de BKR, de oprichting van de Wet Inkomen Kunstenaars (WIK) en de subsidieverlening aan verzamelaars die kunst kopen bij een galerie (Kunst Koop Regeling), en het beeld ontstaat dat de kunst uit de betutteling en ver-pamper-ing van de overheid wordt gehaald, en in de armen van het marktmechanisme wordt gedreven.

Ook de nieuwe staatssecretaris van Cultuur, Medy van der Laan, draagt het uit: meer autonomie voor de instellingen, minder sturing vanuit de overheid. Maar schijn bedriegt: via de achterdeur is de overheid nog steeds initiërend en bepalend, ook wat betreft het internationale kunstbeleid. Ze schept condities waardoor het beeld van de Nederlandse kunst in het buitenland wel degelijk wordt bepaald. Zoals wel blijkt bij de tentoonstelling in het Nederlandse paviljoen in Venetië. Natuurlijk was het Rein Wolfs die koos voor Meschac Gaba, Carlos Amorales, Erik van Lieshout, Jeanne van Heeswijk en Alicia Framis. Maar wie bepaalde dat Wolfs de curator van de Nederlandse inzending zou zijn? Precies: de Mondriaan Stichting.

Dat die stichting sinds kort een internationaal beleid voert, is weer voor een groot deel te danken aan het ministerie van OCW. Liet Rick van der Ploeg vier jaar geleden, in zijn nota Cultuur als confrontatie, niet weten dat 'er iets gedaan moet worden aan de sterke onderberlichting van het cultureel diverse beeld van Nederland in het buitenland'? Het uitdragen van die 'culturele veelzijdigheid' was, volgens Van der Ploeg, een verantwoordelijkheid van de fondsen. En dus ook van de Mondriaan Stichting.

De multiculturele vertegenwoordiging van Nederland in Venetië is dus grotendeels te danken aan wat ambtenaren in Zoetermeer hebben uitgedacht. En de gedweeheid waarmee fondsen zulke voornemens uitvoeren. Dat het jaarverslag van het Fonds BKVB het internationele reisgedrag van de Nederlandse kunstenaars zo prominent in kaart heeft gebracht, is dan ook geen toeval. Als de rijksoverheid daarvoor geld beschikbaar stelt, waarom zou je daar dan niet je beleid op afstemmen?

Zo zal het ook gaan met het advies van de Raad voor Cultuur. Een van haar aanbevelingen is dat kunstinstellingen, in hun aanvragen voor de Cultuurnota 2005-2008, zelf moet aangeven wat ze in de nabije toekomst aan internationale activiteiten wensen te ontwikkelen. Aardige toevoeging: in de komende nota zal door OCW voor al die aanvragen ook geld moeten worden gereserveerd. Je kunt er gif op innemen dat kunstenaars en instellingen zich in groten getale zullen melden. Wie wil er niet naar New York of Tokyo?

Blijkbaar wordt het overheidsbeleid nog steeds bepaald door twee spookbeelden uit het verleden: Vincent van Gogh en Piet Mondriaan. Twee kunstenaars die niet hier maar in het buitenland bekend werden, en daar persoonlijk een prijs voor moesten betaalden. Van Gogh stierf arm in een Frans gekkenhuis, Mondriaan aquarelleerde jarenlang irissen en crysanten om in zijn levensonderhoud te voorzien. En dus stuurt de overheid nu kunstenaars overzee mét geld. Het is de vereffening van een collectieve schuld: beginnende kunstenaars, onbekende kunstenaars, gearriveerde kunstenaars en jonge getalenteerde kunstenaars - iedereen moet in de gelegenheid worden gesteld zijn vleugels uit te slaan naar alle uithoeken van de globe.

Maar wat zegt het over wát daar gedaan is? En over de effecten ervan? Niets. Net zo weinig als dat directeur Gitta Luiten trots is dat 'haar' Mondriaan Stichting het afgelopen jaar '250 projecten in maar liefst 36 landen' heeft gerealiseerd. Het geeft alleen aan dat ze de opdracht van de overheid - het bevorderen van culturele uitwisseling - goed heeft begrepen en uitgevoerd. En daardoor met een gerust gevoel haar aanvraag voor nog eens 25 miljoen euro voor de cultuurnota 2005-2008 kan indienen. Temeer omdat Van der Ploeg drie jaar geleden had laten weten dat de toekenning voor de jaren 2001-2004 geenszins een garantie zijn voor de daaropvolgende nota-periode.

Niet dat al het beleid zo financieel strategisch is. Er speelt ook iets anders. 'Voornaamste reden is het belang voor de Nederlandse kunst om zich te meten aan de internationale ontwikkelingen', laat de Mondriaan Stichting weten in haar beleidsregel. Die smeekbede om internationale erkenning is inderdaad de belangrijkste drijfveer van het culturele buitenlandbeleid. Nederland wil internationaal erkend worden: dat het ook mooie schilderijen kan maken, aanstekelijke video's produceert en kleding kan ontwerpen. Het is steeds deze ondertoon, gebaseerd op een onuitroeibaar minderwaardigheidsgevoel. Nederland ontleent zijn culturele identiteit voornamelijk aan de manier waarop er in het buitenland naar ons wordt gekeken. Met als gevolg dat er in Nederland pas iets van onze eigen cultuur wordt gewaardeerd als kunstenaars, kenners en kopers in het buitenland er hun goedkeuring aan hebben gegeven.

De striktheid waarmee de Raad voor Cultuur haar taak heeft opgepakt, door de staatssecretaris te adviseren hoe Den Haag de Nederlandse cultuur in het buitenland aan de man kan brengen, is fnuikend. De raad mag dan schrijven dat 'de overheid slechts in buitengewone gevallen initiatief moet nemen tot verandering, wanneer het veld niet in staat blijkt zelf tot afspraken te komen', het advies neigt er wel toe dat politiek beleid wordt losgekoppeld van de praktijk. Hoe moet dat 'veld' worden begeleid? En belangrijker: hoe moeten kunstenaars, galeriehouders en museumdirecteuren worden gekieteld om zelf initiatiefvoller te zijn?

Wie internationaal zo nodig iets te zeggen wil hebben moet powerplay spelen. Dat heeft niets met keurige beleidsvoornemens, adviezen, vooradviezen, cultuurnota's, fondsen en stichtingen te maken. Wél met het aloude principe van de Albert Cuypmarkt: je moet leuren met je spullen. Was het niet Jan Dibbets die zei dat je ook driehoog achter in de Jordaan kan wonen, om internationaal een rol te spelen? Zolang je jezelf maar kenbaar maakt. Dibbets woont inderdaad in een verbouwde fabriek in Amsterdam-Oost, maar in het buitenland weten ze wel wie hij is.

Wat ook geldt voor het handjevol andere kunstenaars dat op eigen kracht het internationale toneel heeft betreden, zoals Inez van Lamsweerde, Marijke van Warmerdam, Rineke Dijkstra, Joep van Lieshout en Marlene Dumas. In navolging van Van Gogh en Mondriaan hebben ze niet gewacht op wat OCW, het Fonds BKVB, de Mondriaan Stichting en al die andere instanties aan reglementen hadden bedacht om hun werk in het buitenland onder de aandacht te brengen (hoezeer ook zij dankbaar gebruik hebben gemaakt van de gelden uit de subsidie-suikerpot). Zij deden het op de eerste plaats zelf.

Bestudering van deze individuele gevallen zal een beter inzicht geven in hoe de internationale kunstwereld kan worden bevochten, dan welk advies van welke commissie of raad ook. Met als pijnlijke conclusie dat een algemeen internationaal cultuurbeleid überhaupt niet mogelijk is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden