Smaak van het publiek grijnst je overal tegemoet

Het traditionele kunstpubliek is vervreemd door de gesubsidieerde kunsten, stelden Hans Blokland en Nico Konings op Forum van 21 november....

MET enkele passages in de nota Pantser of Ruggegraat heeft staatssecretaris Nuis de discussie over cultuurparticipatie nieuw leven ingeblazen. Hij richt zijn pijlen op de cultuurfondsen, die een 'smaakmonopolie' zouden ontwikkelen waardoor bepaalde stromingen of aandachtsgebieden niet aan bod komen. Hierdoor verschralen de artistieke verscheidenheid en maatschappelijke pluriformiteit.

Deze prikkelende stelling wordt op geen enkele manier onderbouwd, maar dat is voor velen geen belemmering om er mee vandoor te gaan en haar breed uit te meten.

Zo ook Hans Blokland en Nico Konings. Volgens hen worden kunstsubsidies verdeeld door een handjevol ingewijden. Alleen een kleine elite geniet van hun eenzijdige keuzen. De gewone man moet daarom rechtstreeks invloed krijgen op de verdeling van het kunstenbudget. Dit betoog gaat uit van drie veronderstellingen:

1. Voor die 'elitaire' kunstuitingen worden door de overheid grote bedragen uitgegeven;

2. De uitkomsten van het selectieproces door fondsen en Raad voor de Kunst zijn eenzijdig, of zelfs monopolistisch;

3. De burger mag er niet over meepraten, laat staan beslissen.

Blokland en Konings zijn verbonden aan de Erasmus Universiteit. Dan mag je toch een min of meer wetenschappelijke benadering van de kwestie verwachten. Eerste vereiste is dat de veronderstellingen worden onderbouwd en daar gaat het meteen al goed mis.

Weliswaar verwijzen ze naar een rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau en brengen ze Alexis de Tocqueville en 'de Amerikaanse pluralisten' in stelling, maar een simpel telefoontje aan de fondsen teneinde eens even de feiten te verifiëren hebben ze nooit gepleegd.

Daarin staan ze overigens niet alleen. Ook tal van Kamerleden, die in Haagse debatten zulke flinke standpunten kunnen innemen, doen dat niet en houden, zo lijkt het, informatie het liefst buiten de deur. Dat is jammer: het wil nog wel eens tot een verandering van inzichten leiden. Zoals recent bleek, in een onderhoud van de cultuurfondsen met staatssecretaris Nuis. Die verklaarde bij die gelegenheid dat het begrip 'smaakmonopolie' van tafel moet en zei zijn opmerkingen alleen maar als aansporing tot waakzaamheid te hebben bedoeld.

Laat ik, in reactie op het artikel van Blokland en Konings, eerst eens in de verdediging gaan, langs de lijn van hun eerdergenoemde veronderstellingen.

Voor de vermaledijde elitaire kunstuitingen wordt niet veel geld uitgegeven. Het hele kunstenbudget is amper 400 miljoen. Eerlijk delen levert voor iedere Nederlander 26 gulden op. Daarvan is maar een deel bestemd voor kunstsubsidies, waaronder het deel dat door de fondsen wordt beheerd.

Als het fondsenbudget wordt afgezet tegen het totale financiële volume in de sectoren waarin de fondsen werkzaam zijn, dan wordt duidelijk hoe bescheiden hun invloed is. Mijn eigen fonds (Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, BKVB) beheert circa 48 miljoen, waarvan 38 miljoen voor de beeldende kunst. Berekeningen wijzen uit dat de totale jaarlijkse omzet in die sector (subsidies, inkomsten uit verkoop, opdrachten, docentschappen, enzovoort) 300 tot 400 miljoen bedraagt. Hoe kunnen wij nu met ons aandeel van 10 procent de smaak dicteren?

Bij het Fonds BKVB worden de resultaten op alle onderdelen nauwkeurig bijgehouden. Wij kunnen tot drie cijfers achter de komma aangeven hoeveel abstracten of figuratieven in de schilderkunst worden gesubsidieerd; hoeveel videokunstenaars, performers, filmers en computerkunstenaars; hoeveel beeldhouwers of makers van installaties in de sector ruimtelijk werk.

Wij weten precies om hoeveel keramisten, monumentale vormgevers, fotografen, sieraadontwerpers, theatervormgevers, glaskunstenaars en industrieel-, grafisch- of modeontwerpers het gaat. Wij turven de stedebouwkundigen, landschapsarchitecten en architectuurtheoretici.

Wij weten precies hoeveel van hen in de grote stad of op het platteland wonen en wij weten hoe oud ze zijn. Al die gegevens duiden op een welhaast onvoorstelbare mate van diversiteit, in alle opzichten. Ook als het gaat om traditie versus experiment. In de laatste vier jaar zijn meer dan drieduizend kunstenaars gesubsidieerd. De enige kunst die niet aan bod komt is slechte kunst.

De derde veronderstelling is dat 'de burger' (wie dat ook moge zijn) geen invloed heeft op de verdeling van het geld. De burger heeft dat wel degelijk, via de politiek, die zich in sterke mate bemoeit met het beleid inzake kunstsubsidies. Staatssecretaris Nuis pleit ervoor om opdrachtgevers, afnemers en burgers te betrekken bij de besluitvorming.

Het Fonds BKVB doet dat al door bij de beoordeling van aanvragen voor basis-stipendia voor beeldend kunstenaars (waar het overgrote deel van het budget aan besteed wordt) rekening te houden met de 'erkenning van het kunstenaarschap' door derden: wordt er werk van de kunstenaar aangekocht, krijgt hij opdrachten, zijn er tentoonstellingen, wordt er over zijn werk geschreven of heeft iemand hem wel eens een prijs uitgereikt? Zo beslissen opdrachtgevers, afnemers en andere burgers mee over wie subsidie krijgt en wie niet.

TOT zover de verdediging. Nu de aanval. 'De burger heeft geen enkele mogelijkheid om zijn wensen en verlangens te articuleren en te verdedigen', schrijven Blokland en Konings. Hun werkkamer moet wel op een erg hoge etage van het universiteitsgebouw liggen, anders kan ik zulke onzin niet verklaren. De burger, de gewone man heeft zijn wensen en verlangens niet alleen verdedigd, maar ook aan de rest gedicteerd. En daar heeft de burger die paar centen van het kunstbudget helemaal niet voor nodig gehad.

Dankzij de burger gaan we housend en headbangend door het leven. Geen openbare ruimte of de walsen van André Rieu veraangenamen ons verpozen. De bioscopen hebben een jaloersmakend aanbod voor de gewone man en anders is er altijd nog de televisie. Voor de burger is er een overstelpend aanbod aan beeldende kunst, waartoe hij via de artotheken voor een prik onbelemmerde toegang krijgt.

Het smaakmonopolie van het publiek grijnst je werkelijk overal tegemoet. Willen Blokland en Konings eens vertellen waar ik mijn wensen en verlangens kan articuleren!

De burger wordt door de auteurs opgevoerd als 'de doorsnee Van Gogh-liefhebber'. Maar destijds pruimde de gewone burger Van Gogh's werk niet. Dat was zijn grote tragiek. Later hebben verstandige mensen bedacht dat zoiets nooit meer mocht gebeuren en dus werden kunstsubsidies ingesteld en fondsen opgericht.

Geert Dales is directeur van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden