Slot

Waar ik het graag nog over had willen hebben: de langzame doch onstuitbare verdwijning van alle mediabelangstelling voor Big Brother....

In de VPRO Gids van deze week staat een lijst met cabaretvoorstellingen die tussen kerst en oud en nieuw worden uitgezonden. Het zijn er zóveel, dat lachen in die dagen onvermijdelijk zal verschralen tot een nieuwe variatie op de eindejaarsverveling. We zullen ons door een zondvloed van grappen moeten worstelen over Louis van Gaal, Pim Fortuyn, Sylvia Millecam, Tara Singh Varma en Herman Brood. Let op: cabaretiers worden de schoonouders van de eenentwintigste eeuw - je komt nooit van ze af.

Waar ik het óók graag over had willen hebben: de polemiek in NRC Handelsblad over het vermeende plagiaat van Adriaan van Dis.

Nou goed, even dan. Die polemiek brengt het plagiaat als kunstvorm in diskrediet. Het plagiaat als kunstvorm kent vele verschijningsvormen: sampling, montage, citaat, fotoshopping, intertekstualiteit. Goed plagiëren is een hele klus, dat wisten Picasso, Frans Kellendonk en William Burroughs al; dat weten Micha Klein, Rob Scholte, Hermine Landvreugd, Cornelie Tollens, Erwin Olaf en de muzikanten van Bauer en Johan evenzeer. In de beste kunst en literatuur klinkt altijd de echo van voorgangers en inspiratiebronnen.

Er is natuurlijk een verschil tussen de plagiator uit overtuiging en de plagiator uit onmacht. De plagiator uit overtuiging heeft er aardigheid in als hij 'betrapt' wordt op zijn annexaties en ontleningen. De plagiator uit onmacht is als de dood 'betrapt' te worden. Het is dan ook niet verkeerd of onverstandig dat Adriaan van Dis enkele passages heeft ontleend aan een roman van Vikram Seth. Het is verkeerd en onverstandig dat hij niet verheugd uitroept: 'Eindelijk een lezer die zo schrander is dat hij heeft ontdekt wiens zinnen ik in mijn verhaal heb gemonteerd.' Het is de wereld op zijn kop als er nu van Van Dis wordt geëist dat hij opnieuw zijn excuses aanbiedt. Het wachten is op Duchamp die zich postuum excuseert voor het kopiëren en bewerken van de Mona Lisa; op Rob Scholte die zich excuseert voor het 'shoppen' bij Manet.

Raar in deze nieuwe 'zaak' rond Van Dis is dat zijn werkwijze zo onhandig wordt verdedigd. Dit schreef Hans-Maarten van den Brink in NRC Handelsblad: 'Op hoeveel manieren kun je opschrijven dat in iedere provincieplaats het winkelcentrum wordt gedomineerd door Albert Heijn, Blokker en Edah? Veel varianten zijn er niet.'

Dit is een van de raadselachtigste beweringen die ik dit jaar een schrijver heb zien maken. Om te beginnen drukt hij Van Dis met dit argument in de hoek van de plagiator uit onmacht. Los daarvan: de literatuur - moet het nog worden uitgelegd? - bewijst juist dat het vanzelfsprekende op duizendenéén manieren is te verwoorden. Dat uitgerekend een schrijver het tegendeel beweert, draagt alleen maar bij aan de misverstanden rondom de vermeende 'overtreding' van Van Dis.

Waar ik het, ten slotte, ook nog over had willen hebben: waar Amerikaanse en Engelse essayisten goed in zijn en wij niet. In Engeland en Amerika wordt het beschouwd als een intellectuele uitdaging om te essayeren over Shakespeare én Star Trek, T.S. Elliot én Eastenders. Bij ons krijg je meteen de koebel omgehangen als je zo'n werkwijze nastreeft. In Engeland geldt het tegenovergestelde; wie daar niet met het gereedschap van de essayist af en toe aan de massacultuur sleutelt, zal algauw worden verweten een essentieel gebied van de kunst, de volkskunst, te negeren. Peter Ackroyd is in Engeland het schoolvoorbeeld van de criticus met de ware wijde blik. Ackroyd is de romanschrijver, essayist, biograaf van Pound, Dickens, Thomas More en T.S. Elliot. Hij is chef van het literatuurkatern van The Times.

In zijn recent verschenen boek The Collection worden de essays over Emily Dickinson, Thomas Hardy en Philip Larkin afgewisseld met recensies van Coronation Street en speelfilms als Octopussy en Mommie Dearest. Ackroyd motiveert die schakeling tussen Hoog en Laag als volgt: wie doet alsof de populaire cultuur niet bestaat, maakt het zichzelf onmogelijk om écht de betekenis van de elite-kunst in onze tijd te kunnen beoordelen.

Ik zeg het er maar snel bij: Ackroyd is een voor cultuurpessimisten 'onverdacht' persoon. Ackroyd bekreunt de opmars van de massacultuur (in Engeland samengevat als: dumbing down) en weeklaagt soms net zo hard als George Steiner. 'The slow death of literary criticism' is een veelzeggende titel van een van de essays in The Collection. Maar, anders dan de meeste apocalyptici in Nederland, laat hij het daar niet bij een onheilstijding. Hij steekt zijn neus in de wereld van James Bond om na te gaan hoe het daar ruikt. Zijn verslag ervan verschilt in ernst en inzet niet van zijn overige essayistiek.

Ik had graag meer over de cabaretplaag, de demonisering van het plagiaat en over Ackroyds The Collection willen schrijven. Uitstel naar een volgende column is niet meer mogelijk. Ik verlaat deze plek en ga iets anders doen, ongetwijfeld tot verdriet van alle bewoners, bezoekers en vervuilers van het 'Landschap'. Op afstand stelp ik uw tranen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.