Sleutel tot succes op gras? Dansen op de achterlijn

Op het gras van Wimbledon, dat maandag begint, is snel tennissen van doorslaggevend belang. Dat betekent: dicht op de achterlijn staan. 'Tennis is landveroveren.'Maar hoe? En: wie durft?

Zoals een veehouder aan zijn koeien kan zien of ze lekker in hun vel zitten of iets onder de leden hebben, zo lezen voormalige proftennissers de lichaamstaal van hun opvolgers. Waar kijken ze naar? Hoe zien ze wie de overhand krijgt in een wedstrijd, voordat het scorebord uitsluitsel geeft?

Is het de snelheid van de opslag, het effect van de forehand, het moment van de korte bal? Het kan allemaal iets betekenen, maar er is één vuistregel als op het gras van Wimbledon wordt gespeeld.

Sjeng Schalken (36), drievoudig kwartfinalist op Wimbledon (2002, 2003 en 2004): 'Hoe verder een speler naar achteren staat, hoe kleiner de kans dat hij wint.'

Jan Siemerink (43), kwartfinalist op Wimbledon (1998): 'Wie het dichtst bij de achterlijn staat, heeft vaak het initiatief. En wie de regie heeft, bepaalt wat er gebeurt.'

De slijtplekken op het heilige gras liegen niet. Aan het net wordt Wimbledon allang niet meer gewonnen. Volleren is zo zeldzaam dat de sprietjes in het hart van de baan zelfs na de finales nog mals groen zijn. Alleen het achterveld vertoont een kaalgevreten aanblik. De reden? Toptennissers dansen het liefst rond de achterlijn.

Velen betreuren de teloorgang van de volley, die het gevolg zou zijn van een combinatie van factoren. Iets grotere ballen en andere aarde hebben het spel vertraagd. Betere rackets en bespanningen hebben de controle over de bal vergroot, waardoor het opzoeken van het net te riskant is geworden. Passeren is tegenwoordig makkelijker.

De achterlijn, ook wel baseline genoemd, is nu de permanente uitvalsbasis voor alle spelers, net als op gravel. Het is het thuishonk en vertrekpunt ineen, want statisch is het tennis geenszins geworden door de verdwijning van het service-volleyspel. De spelers zwerven met kleine, snelle passen door het achterveld. De bal stuit op gras sneller en blijft lager dan op gravel, waardoor spelers vlugger en beslister moeten handelen.

Siemerink, die directeur sportief is bij de tennisbond: 'Elke speler heeft een plek waar hij zich comfortabel voelt. Dat kan een halve meter achter de baseline zijn, of veel verder naar achteren.'

Schalken, eigenaar van kledingmerk Sjeng Sports: 'Ik stond een halve meter achter de baseline. Als ik nog eens 30 tot 50 centimeter naar achteren ging, verloor ik mijn wedstrijden. Ik ben een keer vanuit Amerika teruggevlogen nadat ik acht keer op rij had verloren in de eerste ronde. Ik zei tegen mijn coach: 'Ik kan niet meer tennissen.' Hij zenuwachtig: 'Laat maar eens zien dan.' Na vier ballen legde hij het spel stil en zei: 'Sjeng, je staat te ver achter de baseline.' Ik ging een stap naar voren. Na twee minuten wist ik: dat is het. Ik was vergeten wat mijn eigen plek was.'

Op gras hebben spelers een andere plek dan op gravel. Rafael Nadal, tweevoudig winnaar van Wimbledon en achtvoudig winnaar van Roland Garros, weet dat als geen ander. In Londen kan hij niet 5 of 6 meter achter de baseline blijven hangen, zoals in Parijs. Hij kan niet steeds van de ene hoek van de baan naar de andere rennen en glijden. Het gras biedt minder houvast, waardoor het moeilijk is om van richting te veranderen. En de bal blijft lager, waardoor hij minder tijd heeft om erbij te komen. Ook al gaat het tegen zijn natuur in, hij moet dichter op de achterlijn spelen.

Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Tennis is geen contactsport, zoals boksen, maar de klappen komen wel aan. Spelers voelen elkaars slagen. Een vijandelijke bal zendt hevige trillingen door het racket door de arm van de ontvanger, zeker als de bal niet zuiver wordt geraakt (met het midden van het racketblad). Toen John McEnroe, drievoudig Wimbledonkampioen en tv-commentator, twee jaar geleden de zware slagen van Nadal eens wilde voelen, stond hij versteld. Zijn racket werd hem bijna uit de handen geslagen.

Dichter op de achterlijn spelen betekent dichter op de vuurlinie staan. De bal komt sneller en harder, de reactietijd is korter. Het vergt een scherpere blik, beter voetenwerk, een kortere achterzwaai, een andere beweging van het racketblad. En het brein moet sneller werken om de tegenstander te verrassen met een onverwachte hoek of effect.

Andre Agassi, Wimbledonwinnaar in 2002, was de meester van de snel genomen bal dankzij de gruweltrainingen waaraan zijn vader hem op jonge leeftijd had onderworpen. In zijn biografie vertelt hij hoe hij dagelijks 2.500 ballen op zich kreeg afgevuurd door een ballenmachine die hem als boosaardige draak voorkwam.

De opdracht was steeds hetzelfde. Neem de bal vroeger. Sla de bal als hij omhoog stuitert, niet op of nadat de bal het hoogste punt heeft bereikt (wat veel tennissers nog steeds doen). Vader Agassi snapte dat snel spelen de sleutel tot succes was.

Ook Schalken, met wie Agassi altijd graag oefende vanwege zijn snelle en haast machinaal solide spel, trainde bij tennisschool Van Hulst speciaal op het vroeg nemen van de bal. Hij moest urenlang op hoog tempo ballen diep in het achterveld mikken, net voor de lijn. Voor zijn eigen lijn lag een balletje. Dat moest hij na elke slag aantikken. Daardoor kon hij zich nooit naar achteren laten zakken.

Schalken: 'Tennis is landveroveren. Je moet proberen je positie te houden en druk te zetten. Wat gebeurt er als je een meter verder naar achteren staat? Dan moet de bal een meter verder heen en een meter verder terug. Dat kost tijd. Dat is net de tijd die de tegenstander nodig heeft om in de rally te blijven. Dus als ik dicht op de achterlijn speel, kan de ander het net niet belopen. En anders net wel. Het is eigenlijk simpel hè.'

Siemerink: 'Elke toptennisser wil de regie in handen hebben. Maar je hebt te maken met een tegenstander die dat ook wil, die onder de druk probeert uit te komen, die je naar achteren probeert te drukken zodat de hoeken open liggen en het makkelijk wordt om punten te scoren. Het is helemaal niet makkelijk om bij die baseline te blijven. Je moet veel sneller kunnen handelen.'

Van de belangrijkste kanshebbers op Wimbledon speelt Roger Federer van nature het dichtst op de achterlijn. Novak Djokovic kan het ook, maar hij zwerft graag. Andy Murray heeft zijn neiging om achterin te blijven onder coach Ivan Lendl afgeleerd. En Rafael Nadal moet zich het meest inspannen om dicht bij de lijn te spelen, omdat hij op gravel het hele achterveld tot zijn habitat rekent.

Tijd om te wennen aan het gras hebben de spelers nauwelijks. Ze spelen er veel minder toernooien op dan op gravel. Federer en Murray hebben vorige week ieder een grastoernooi gewonnen. Voor Djokovic was de halve finale tegen Nadal op Roland Garros de laatste wedstrijd in de aanloop naar Wimbledon, voor de Spanjaard de finale in Parijs.

Wie van de vier beschikt over het zelfvertrouwen dat nodig is om dicht tegen de achterlijn te dansen, vooral in hun onderlinge duels? Zevenvoudig kampioen Federer, tweevoudig kampioen Nadal, enkelvoudig winnaar Djokovic of de Brit die vorig jaar olympisch goud veroverde op het gras van Wimbledon?

Schalken heeft vertrouwen in Federer, mits de Zwitser durft te spelen op de plek die hij zelf in zijn hoogtijdagen ook innam: een halve meter achter de baseline. Dat is van groot belang, zeker nu hij in de kwartfinale vermoedelijk tegen Nadal zal spelen.

'In het verleden heeft hij zich geregeld te ver naar achteren laten drukken. Dan kwam hij 3 meter van de achterlijn terecht en dan bleef hij daar hangen. Dat is Federer op zijn slechtst. Dan verliest hij ook.Je moet altijd aansluiten naar de baseline. Zodra je voelt dat je een bal hebt geslagen waarmee je onder de druk van de tegenstander vandaan komt, moet je weer naar voren. Daar zit de crux.'

Siemerink schat Djokovic, de nummer één van de wereldranglijst, het hoogst in. De Serviër was op het trage gravel van Roland Garros in staat om het Nadal moeilijk te maken door boven op de baseline te spelen. Zelfs met de backhand week hij niet onder de druk van de hoog opstuitende topspinballen van Nadal. Op Wimbledon blijven die veel lager, waardoor ze makkelijker te bespelen zijn.

Siemerink: 'Djokovic is de enige die dat op gravel kan. Federer heeft het geprobeerd, maar die werd steeds weggedrukt met zijn backhand. Djokovic kan die spinballen van Nadal voor het hoogste punt nemen. Dat werkt. Hoe eerder je die bal de pas kan afsnijden hoe beter. Hij is niet voor niets de nummer één van de wereld.'

Voor alle vier geldt dat het gras ze verplicht om agressief en aanvallend te spelen. Dat gaat Federer het gemakkelijkste af. De andere drie leunen graag op hun verdedigende capaciteiten. Ze volgen de lessen van Agassi. Houdt de tegenstander onder druk. Geef niks weg. Wees als de zwaartekracht. Laat hem voelen dat je hem zal verpletteren. Dwing hem te falen zonder zelf risico's te nemen door een punt te willen maken.

Schalken: 'Op gravel heb je de keuze tussen wachten en aanvallen. Ga je, of wacht je nog even. Op gras moet je. Dat vond ik altijd fijn. Dicht op de baseline staan en als er dan een bal kort komt, rond de servicelijn of er net achter, instappen en hem wegslaan.'

Forceren

Siemerink: 'Murray moet misschien de grootste stap maken. Hij speelt het liefst kat-uit-de-boom-kijk-tennis. Gek genoeg speelt hij tegen Djokovic, Nadal en Federer altijd het aanvallendst. Misschien had hij altijd het gevoel dat hij niets te verliezen had. Ik denk zijn coach veel gehamerd heeft op dat aanvallende tennis. Dus het is in zijn systeem gaan zitten. Het moet in je systeem zitten, anders ga je forceren.'

Siemerink beseft dat hij met zijn ouderwetse service-volleyspel op het huidige Wimbledon weinig te zoeken zou hebben, al sluit hij niet dat de speelstijl ooit terugkeert.

Schalken is ervan overtuigd dat hij met zijn topvorm van tien jaar geleden nu nog steeds de kwartfinale zou kunnen halen. Hij gelooft niet dat het niveau van de subtop sindsdien veel omhoog is gegaan. Alleen de 'Grote Vier' zijn van uitzonderlijke klasse, meent hij. Tegen Djokovic, Federer en Murray acht hij zichzelf kansloos.

Tegen Nadal zou hij daarentegen graag eens op gras hebben gespeeld. De opmerking gaat gepaard met een mijmerende blik. Hij ziet het voor zich. Hij dansend op de achterlijn, de Spanjaard dicht tegen de tribune in de verdediging. 'Op gravel zou ik denken: 'Hoe kan ik tegen deze gast drie games halen?' Zo goed is die jongen. Hij is een Überspeler. Op gras zou het zeker een wedstrijd worden. Die hoge krullende forehand van hem, ik zou er meteen vol op gaan.'

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden