Slepend naar een enquête

Kort na de val van Srebrenica werd al gezinspeeld op een parlementaire enquête naar het drama in de Moslim-enclave. In plaats daarvan kreeg het NIOD de opdracht een wetenschappelijk onderzoek in te stellen....

door Theo Koelé

'Kamerleden zijn slechte onderzoekers', zei oud-minister Joris Voorhoeve van Defensie een paar jaar geleden. Hij reageerde op de vraag waarom hij gekant was tegen een parlementaire enquête naar het Srebrenica-drama. In een uitgelekte brief voerde Voorhoeve nog een argument aan: 'Een enquête zou de defensie-organisatie anderhalf jaar lang onder een zware hypotheek van soms sensationele publiciteit leggen.'

Nog steeds staat Voorhoeves partij, de VVD, huiverig tegenover zo'n onderzoek, waarbij personen publiekelijk en onder ede gehoord kunnen worden. Maar na de presentatie van het NIOD-rapport is de VVD aan het 'schuiven'. Ook de PvdA, die de roep om een enquête jarenlang beantwoordde met een verwijzing naar het komende NIOD-document, sluit nu een enquête niet uit. Er tekent zich een Kamermeerderheid af voor een finaal onderzoek. Daarmee is de Kamer terug bij af, terug in de zomermaanden van 1995.

Een maand na de val van Srebrenica zinspeelden PvdA, CDA en D66 op een enquête. De publiciteit over de tragische gebeurtenissen hield aan en werd steeds onaangenamer voor minister Voorhoeve. Zo deed het verhaal de ronde dat een fotorolletje met voor Dutchbat belastende beelden was verdwenen. Defensie hield het op een menselijke fout, geen boze opzet.

De Kamer bleef morren. Voorhoeve wendde de dreiging van een enquête af door een zogeheten debriefing te laten houden onder de Dutchbatters. De minister trok daaruit de conclusie dat de ondergang van Srebrenica de Nederlandse blauwhelmen niet valt aan te rekenen. Voorhoeve kwam in een Kamerdebat, eind 1995, met de schrik vrij. Hij hoefde niet af te treden. De Kamer bleef echter met veel vragen zitten, vooral over de rol van de Verenigde Naties.

In 1996 klonk in de Kamer dan ook de roep om een 'onafhankelijk, internationaal onderzoek'. Het kabinet voelde er niet veel voor. Voorhoeve wilde niet graag dat 'zijn jongens' nog eens aan een ondervraging zouden worden onderworpen. Minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo vreesde voor irritatie bij de bondgenoten. Een aantal leden van de Veiligheidsraad was volgens de D66'er gekant tegen een onderzoek.

Het kabinet toverde daarop een konijn uit de hoed: het gezaghebbende Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie zou een diepgaand onderzoek moeten instellen, zo mogelijk ook buiten de landsgrenzen. De Kamer ging in oktober 1996 akkoord met de onderzoeksopdracht aan het RIOD. Op voorwaarde, althans in de veronderstelling, dat nog in de lopende kabinetsperiode - tot medio 1998 - een debat tussen Kamer en kabinet zou worden gehouden over de bevindingen van de wetenschappers. Want, zo werd gezegd, 'we moeten niet tijdens een volgend kabinet constateren dat deze bewindslieden (Van Mierlo, Voorhoeve, premier Kok, red.) het fout hebben gedaan.'

Voorhoeve hield de Kamer voor dat een historisch-wetenschappelijk onderzoek het afleggen van politieke verantwoording op geen enkele wijze in de weg staat. Het CDA vermoedde wel degelijk een afleidingsmanoeuvre. Het uitblijven van een enquête typeerde woordvoerder Maxime Verhagen als 'weglopen voor de eigen verantwoordelijkheid'.

De keuze voor een wetenschappelijk onderzoek zit Verhagen tot op de dag van vandaag hoog: 'Ik voelde me de afgelopen jaren een raadslid dat niet mag praten over de bonnetjes van de burgemeester, omdat de gemeentearchivaris nog in de kelder aan het grasduinen is.'

Eind 1998 - er was inmiddels een nieuw kabinet maar nog altijd geen RIOD-rapport - laaide in de Kamer de discussie over het houden van een enquête weer op. De aanleiding vormden enkele onderzoeken naar ophefmakende incidenten. Zo boog oud-minister en PvdA-coryfee Jos van Kemenade zich in opdracht van de nieuwe minister van Defensie, Frank de Grave (VVD), onder meer over de zaak van het fotorolletje. Van Kemenade ontdekte het een en ander, maar 'geen doofpot'. Het Openbaar Ministerie in Arnhem stelde een onderzoek in naar aanleiding van verhalen dat Dutchbatters met hun pantservoertuigen over Moslim-vluchtelingen waren gereden. Er volgde geen rechtszaak.

Sommige Kamerleden, ontevreden over deze uitkomsten en ongeduldig over het uitblijven van het 'alomvattende rapport' van het RIOD, pleitten opnieuw voor het instellen van een parlementaire enquête. Ze werden gesteund door twee militairen die ten nauwste bij het Srebrenica-drama betrokken zijn geweest: Thom Karremans, ex-commandant van Dutchbat, en oud-bevelhebber van de landstrijdkrachten Hans Couzy. Karremans schreef in september 1998 in een ingezonden brief dat 'de maat nu vol is'. Vooral het verhaal over de platgewalste Moslims moest de wereld uit. Couzy viel hem bij.

Ook buitenstaanders deden dat, zoals de Nijmeegse polemoloog Leon Wecke in het dagblad Trouw. Hij kon zich de frustratie bij de landmacht goed voorstellen. Politici bleven in de luwte. Het RIOD-onderzoek betrof immers niet de schuld- of verantwoordelijkheidsvraag.

Wecke staat nog steeds achter zijn pleidooi voor een enquête. Met een keur aan argumenten. 'Zelfs als een parlementaire enquête geen nieuwe feiten aan het licht brengt - hetgeen zeer onwaarschijnlijk is - dan nog heeft zo'n onderzoek een sociaal-psychologisch effect.' De verwachtingen van de Dutchbatters, de nabestaanden in Srebrenica en de Nederlandse burgers 'mogen niet genegeerd worden'.

Ook twijfelt Wecke aan de onafhankelijkheid van het NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, de naam die het RIOD in 1999 kreeg). 'Het NIOD is een rijksinstituut, afhankelijk van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het voortbestaan van het NIOD hing zelfs af van de Srebrenica-opdracht.'

Het gebrek aan onafhankelijkheid wreekt zich volgens Wecke bij het 'zuiveren' van de tekst, wat het kabinet had bedongen. Zo mogen staatsgeheimen niet gepubliceerd worden. 'Maar wat zijn dat? Nog niet zo lang geleden was het interne telefoonboek van het ministerie van Defensie een staatsgeheim.'

Wecke vindt het 'de plicht van het parlement' eindelijk een enquête in te stellen, ook al zijn de meeste 'politiek verantwoordelijken van toen niet meer in functie. Alsnog kunnen de toenmalige bewindslieden en volksvertegenwoordigers onder ede gehoord worden, waardoor een oordeel mogelijk wordt over de politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheid.'

In 1998 was politiek Den Haag er nog lang niet aan toe. Mede door toedoen van een lobby vanuit het RIOD, dat niet in de wielen gereden wilde worden. In de Volkskrant zei PvdA-fractieleider Ad Melkert sussend: 'Na ontvangst van het onderzoek moet de Kamer haar conclusies trekken. Er kan een enquête komen als het RIOD bijvoorbeeld vindt dat de mensen elkaar op vitale punten tegenspreken.'

De Kamer besloot wel tot een parlementair onderzoek, een 'lichte variant' van een enquête. In april 1999 begon het onderzoek naar de uitzending van Nederlandse troepen, onder meer naar Srebrenica. 'We zijn geen Srebrenica-commissie', zei commissievoorzitter Bert Bakker (D66) bij aanvang.

Op dat moment was de discussie in het parlement over een echte enquête weer even opgelaaid, dankzij Bert Kreemers, woordvoerder op het ministerie van Defensie. Hij pleitte in februari 1999 in NRC Handelsblad voor een enquête, omdat de landmacht de vuile was tot dan toe binnenskamers hield. De debriefing waarmee minister Voorhoeve in 1995 een enquête wist te voorkomen, 'vertoont hiaten en is op tal van punten in strijd met de werkelijke gang van zaken'. Kreemers toonde zich een voorstander van het 'scherpe enquêtewapen, waarbij de waarheid wellicht sneller kan worden vastgesteld, en waaraan de verantwoordelijken zich niet kunnen onttrekken'.

Minister De Grave was onaangenaam verrast door de publicatie van zijn ambtenaar, en stuurde hem de laan uit. Kreemers werd 'uitgeleend' aan het Instituut Clingendael.

De oud-woordvoerder heeft nooit spijt gehad over het gewraakte artikel. Integendeel, nu het NIOD-rapport verschenen is, haalt hij zijn gelijk. Kreemers: 'Ik pleitte voor een enquête omdat ik aanwijzigingen had voor een doofpot-actie bij de landmacht. Die aanwijzingen zijn door het NIOD bevestigd.'

In de proloog van het NIOD-rapport vindt Kreemers 'een ijzersterke reden' om zijn pleidooi van toen te rechtvaardigen. 'Het NIOD signaleert het belangrijkste onderscheid tussen een historisch onderzoek en een parlementaire enquête: slechts in het laatste geval kan ''de verantwoordelijkheid voor politieke keuzen'' vastgesteld worden.'

Tot aan de verschijning van het NIOD-rapport kregen pleitbezorgers voor een enquête nul op het rekest. Zoals minister Jan Pronk (VROM), die in juli 2000 in de Volkskrant zei: 'Het is nodig dat er een definitief laatste onderzoek komt in de vorm van een parlementaire enquête.' Menig collega-politicus viel over de PvdA'er heen, temeer omdat zijn timing precair was: precies vijf jaar na het drama in de Moslim-enclave.

Nu het Srebrenica-rapport van het NIOD op tafel ligt, neigt een groeiend aantal politici ertoe alsnog een enquête in te stellen. De VVD, destijds in het kielzog van Voorhoeve verklaard tegenstander, 'laat de vraag open of de Kamer zelf nog nader onderzoek zou moeten doen'.

De PvdA reageert in dezelfde trant: 'Een korte parlementaire enquête behoort tot de mogelijkheden.' Het CDA houdt ook nog een slag om de arm. Eerst moet het kabinet reageren; blijven er vragen over, dan is de tijd rijp voor 'een korte, goed afgebakende enquête'. Alleen de kleine christelijke partijen zijn daar op voorhand tegen.

De rest is zonder meer voor. D66 spreekt over 'de noodzaak te komen tot publieke verantwoording door alle politieke en militaire hoofdrolspelers'. GroenLinks noemt een enquête 'onverminderd zinvol', gelet op de 'reinigende werking die uitgaat van het afleggen van verantwoording in het openbaar'. De SP noemt een enquête het enige 'gepaste vervolg' op het NIOD-onderzoek.

Veel politici hadden gehoopt dat met het langverbeide en lijvige rapport Srebrenica - Een 'veilig' gebied het laatste woord gezegd zou zijn. Ze zijn bedrogen uitgekomen. Sterker nog, de vele duizenden pagina's die het resultaat zijn van bijna zes jaar speurwerk roepen zoveel vragen op, dat het onder ede verhoren van hoofdpersonen onontkoombaar lijkt. Kamerleden kunnen, eindelijk, de woorden van Voorhoeve logenstraffen dat ze geen goede onderzoekers zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden