Slechts één Nederlander bij beste acht

Het optimisme van Churandy Martina is aanstekelijk. Wie zou hem niet graag geloven als hij met zijn zangerige Antilliaanse accent reageert op zorgelijke vragen. 'Waarom zo negatief? Het komt goed.'


De werkelijkheid is anders bij de WK atletiek in Daegu. Martina kwam gisteren als laatste van de tien individuele deelnemers in actie. Hij overleefde de series van de 200 meter ternauwernood, raakte geblesseerd aan zijn lies en moest zich terugtrekken voor de halve finales. Zelfs de topsprinter kon zich niet onttrekken aan de malaise in de Nederlandse ploeg.


Technisch directeur Peter Verlooy had vooraf voorzichtig ingezet. Op medailles werd niet gerekend. Vier finaleplaatsen (top-8) zou het streven zijn. Het werd er slechts een. Heel misschien komt er dit weekeinde nog een bij als een Nederlandse estafetteploeg op de 4x100 meter weet te profiteren van fouten van snellere teams.


Het is hoe dan ook de slechtste ploegprestatie sinds de WK van 2001 in Edmonton. Toen eindigde alleen polsstokhoogspringer Christian Tamminga bij de beste acht (hij werd zesde).


Alleen Eelco Sintnicolaas en Dafne Schippers voldeden aan de verwachtingen. De tienkamper legde met een solide prestatie beslag op de vijfde plaats. De zevenkampster imponeerde met een verbluffend Nederlands record op de 200 meter. Ook Sebastian Coe, de beoogde topman van atletiekfederatie IAAF, noemde haar een groot talent.


De acht andere deelnemers maakten geen indruk. De drie discuswerpers gingen roemloos ten onder in de series. Bram Som en Yvonne Hak bleken op de 800 meter onvoldoende in vorm. Tienkamper Ingmar Vos viel geblesseerd uit en zevenkampster Remona Fransen lijkt het talent te missen om in de top mee te kunnen draaien.


Martina maakte zijn reputatie wederom niet waar. Na zijn finaleplaatsen bij de WK van 2007 en de Olympisch Spelen van 2008 heeft hij alleen in de Diamond League soms laten zien dat hij tot de wereldtop behoort. Bij de WK van 2009 werd hij vroegtijdig uitgeschakeld wegens een blessure. Ook dit jaar heeft hij last van lichamelijke klachten.


Ten opzichte van het vorige dieptepunt, in Edmonton, is in de Nederlandse atletiek veel veranderd. Er is meer geld beschikbaar. De faciliteiten zijn enorm verbeterd. Sinds 2008 zijn er acht fulltime bondscoaches en verschillende coaches met parttime aanstellingen. Die hebben ambitieuze en waardevolle programma's ontwikkeld.


Voldoen die programma's niet? Dat zou een te gemakkelijke conclusie zijn. De helft van de tien WK-deelnemers werkt vooral met een privétrainer. Vier van hen (Martina, Som, Hak en Vos) konden bij de WK geen indruk maken, eentje wel (Sintnicolaas). De bondsatleten behaalden dezelfde score. Vier (Cadée, Smith, Jansen en Fransen) hadden weinig om trots op te zijn, eentje wel (Schippers).


Het is aan de bondsprogramma's te danken dat Nederland überhaupt tien atleten naar de WK wist af te vaardigen. De drie discuswerpers en twee zevenkampsters hebben zich op sportcentrum Papendal met behulp van de bondsexpertise ontwikkeld. Vermoedelijk waren zij zonder die fulltime begeleiding nooit zover gekomen. Het talent van Schippers is zo vroeg tot wasdom gekomen, omdat zij al drie jaar intensief wordt begeleid.


Toch is het niet enige route naar succes. Sintnicolaas, Hak, Som, Vos en Martina hebben eerder bewezen dat centraal trainen niet zaligmakend is. Zelf een gemotiveerde omgeving vinden, kan beter werken. Zo verklapte Vince de Lange, de trainer van Sintnicolaas, kort voor de WK dat hij vorig jaar met zijn werk slechts 6.400 euro had verdiend.


De tegenvallende prestaties bewijzen vooral dat succes in de atletiek steeds moeilijker te behalen valt. Dat is niet omdat de wereldrecords aan de lopende band verbeteren. Sinds het aanscherpen van de dopingcontroles is het tegendeel is eerder waar.


Maar de toegenomen mondiale welvaart, in combinatie met het grotere maatschappelijke belang dat wordt toegekend aan topsport, maakt dat steeds meer landen over voldoende faciliteiten beschikken om aan topatletiek te doen. Ook op de technische nummers: de onderdelen waarop Nederland zich vooral richt. Het niveau van de loopnummers wordt te hoog gevonden.


In de toptiens van de meerkampen en het discuswerpen stonden afgelopen week atleten van acht tot tien verschillende nationaliteiten. Het betrof, naast atletiekgrootmachten als Amerika, Duitsland en Rusland, ook kleine sportnaties: Iran, Algerije, Litouwen, Estland, Servië.


Dat belooft weinig goeds voor de olympische ambities van de Nederlandse atletiekbond. Technisch directeur Verlooy heeft in het topsportplan uit 2008 ingezet op twee medailles en zes finaleplaatsen.


Daar zal, behalve veel vernuft, het nodige geluk voor nodig zijn.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden