AnalyseBeeldenstorm

Slavernij en wreedheid bezoedelen Hollandse helden

Het standbeeld van Piet Hein in Rotterdam-Delfshaven is beklad en besmeurd. Beeld ANP

Wie waren de mannen wiens standbeelden nu ter discussie staan? En is Piet Hein over één kam te scheren met Jan Pieterszoon Coen?

Jan Pieterszoon Coen

Van sommige helden die bij het nageslacht in ongenade zijn gevallen, kan (misschien) nog worden gezegd dat ze nu eenmaal kinderen waren van hun tijd, en dat ze dienovereenkomstig hebben gehandeld. Een ver, duister verleden wordt als verzachtende omstandigheid aangevoerd: ze wisten niet beter. Jan Pieterszoon Coen, stichter van Batavia en vierde gouverneur-generaal van de VOC-bezittingen in het huidige Indonesië, zou zich hier niet op kunnen beroepen. Zelfs naar de maatstaven van zijn tijd – hij leefde van 1587 tot 1629 – was hij buitengewoon wreed. En hij meende wreed te móeten zijn om zijn opdrachtgevers, de Heeren XVII van de VOC, te kunnen behagen: ‘Geen handel zonder oorlog en geen oorlog zonder handel.’

Dit eenvoudige adagium was bepalend voor zijn optreden op Java, waar hij de plaatselijke vorsten en Europese mededingers bevocht om het handelsmonopolie van de VOC te vestigen, maar ook voor de manier waarop hij de weerspannige Banda Eilanden (onderdeel van de Molukken) aan zijn wil onderwierp. Bij zijn acties vielen 15 duizend tot 20 duizend doden. ‘Onnodig hard’, noemde Pieter van Dam, secretaris van Heeren XVII, de manier waarop Coen het kruidnagelmonopolie verwierf. Laurens Reael, Coens voorganger als gouverneur-generaal, vroeg zich af of handel wel gebaat was bij geweld. En VOC-commandeur Aert Gysels meende dat de Bandanezen waren vermoord omdat ze ‘voor de vrijheid van hun land gevochten hebben’.

Standbeeld

Dat Coen in 1893 in zijn geboortestad Hoorn met een standbeeld werd vereerd, was dus geenszins vanzelfsprekend. Zelfs niet in de tijd dat het kleine Nederland zich weer wat groter wilde voelen door de veronderstelde helden van weleer op een sokkel te plaatsen. In Batavia stond op dat moment al bijna twintig jaar een standbeeld van Coen. Letterkundige Johannes van Vloten was zich er destijds al van bewust hoe ongepast dat was: niet deze ‘onverdroten uitzuiger’ kwam een standbeeld toe, maar ‘een Javaanse verzetsheld als Dipanagara (Diponegoro, red.)’.

In 1943, op de eerste verjaardag van de Japanse bezetting van toenmalig Nederlands-Indië werd het standbeeld van Coen van zijn sokkel gelicht. Het standbeeld van Coen in Hoorn is sinds 2012 voorzien van een plaquette waarop naar zijn wandaden op, met name, de Banda Eilanden wordt verwezen.

De Witte de Withstraat in Amsterdam. Beeld Sabine van Wechem

Witte de With

De bezwaren die tegen een eerbetoon van Jan Pieterszoon Coen kunnen worden aangevoerd, zijn tot op zekere hoogte ook van toepassing op vlootvoogd Witte de With (1599-1658), al is zijn conduitestaat niet zo duister als die van Coen. De With (die ‘Dubbelwit’ werd genoemd) was in elk geval medeplichtig aan de misdrijven die Coen heeft gepleegd. In 1625 vernietigde hij, als kapitein van de VOC, op de Molukken een kleine honderdduizend kruidnagelbomen om de prijs van dit product op te drijven.

De ongunstige reputatie die hij in zijn tijd al genoot, kwam echter vooral voort uit het regime dat heerste op zijn schepen. Hij trad zo meedogenloos op tegen de plegers van kleine of veronderstelde vergrijpen, dat hij op den duur slechts nog met grote moeite bemanningen kon ronselen. Toch is hij als zeeheld de boeken ingegaan. Hij was betrokken bij de verovering van de Spaanse zilvervloot voor de kust van Cuba – een wapenfeit dat volgens De With zelf ten onrechte aan Piet Hein werd toegeschreven.

In 1653, tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog, wist hij een dreigende nederlaag tijdens de zeeslag bij Ter Heijde in een remise om te buigen. Vijf jaar later kwam hij om het leven toen hij aan de zijde van Denemarken slag leverde tegen de Zweden – want de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was destijds bij ongeveer elke oorlog betrokken. Koning Karel X van Zweden liet zijn gebalsemde lichaam tentoonstellen in Helsingør – alvorens het naar Rotterdam werd overgebracht.

Piet Hein

Het vorige week bekladde standbeeld van Piet Hein in Delfshaven is het resultaat van een ‘initiatief van onderop’. In de nacht van 8 op 9 januari 1868 construeerden inwoners van dit stadje – nu onderdeel van Rotterdam – van ijs en sneeuw een monument voor hun beroemde plaatsgenoot met de kleine naam. Op die manier spoorden zij de overheid aan om zelf een permanent standbeeld op te richten. Dit initiatief bleef niet zonder gevolg: in 1870 werd de zandstenen Piet Hein door koning Willem III onthuld.

De ongebruikelijke totstandkoming van dit standbeeld geeft uitdrukking aan de populariteit die Piet Pieterszoon Hein (1577-1629) altijd heeft genoten. Die populariteit dankte hij vooral aan zijn verovering van de zilvervloot, waarbij onder andere 177 duizend pond zilver en 66 pond goud werd buitgemaakt. De kaper zelf voelde zich nogal ongemakkelijk bij de huldeblijken die hem na thuiskomst ten deel vielen omdat hij voor de verwerving van al die kostbaarheden geen schot had hoeven lossen. Zijn verovering van het fort van São Salvador, de hoofdstad van Portugees Brazilië, had beduidend meer moed en strategisch vernuft vereist.

Piet Hein was onderdeel van het ‘koloniaal systeem’, maar van rechtstreekse betrokkenheid bij de misstanden die we nu met dat systeem associëren, kan hij niet worden beticht. Hein was eerder slachtoffer van slavernij: hij en zijn vader zijn vijf jaar tewerkgesteld op een Spaanse galei. Later, als viceadmiraal van de WIC, heeft hij de Portugese slavenhandel gesaboteerd. Weliswaar niet uit ideële motieven, maar idealisme was hem evenmin volkomen vreemd. Hij stond een verzoenlijke houding voor tegenover de ‘Indianen’ (bewoners van de Indische archipel), om hun geen ‘oorsaecke (te) gheven om ons te haeten’. De WIC zou zich pas na zijn dood in de slavenhandel begeven.

Johan Maurits van Nassau

Johan Maurits van Nassau (1604-1679) heeft in dat opzicht weliswaar vuile handen gemaakt – hij zond een vloot uit naar de Afrikaanse westkust om slaven naar de plantages in Brazilië over te brengen – maar genoot tezelfdertijd een mooie reputatie als weldoener. Tot op de huidige dag. Weliswaar niet in Nederland, waar drie jaar geleden zijn buste uit het (naar hem vernoemde) Mauritshuis in Den Haag werd verwijderd, maar wel in voormalig Nederlands Brazilië, waar Maurits van 1637 tot 1644 gouverneur was. ‘Hij is voor de stad Recife zo’n beetje wat Erasmus is voor Rotterdam’, schreef het Historisch Nieuwsblad in 2014. ‘Een historische held die zijn naam aan alles leent.’

In zijn Braziliaanse koninkrijk bloeiden de kunsten, werden misdaad en corruptie aangepakt, werd de eerste synagoge van Zuid- en Noord-Amerika gevestigd en waren de overwonnen Portugezen onderdeel van het bestuursapparaat. In het oordeel over Johan Maurits is zijn afhankelijkheid van slavernij echter een steeds grotere rol gaan spelen.

Hiërarchie van rassen en Dresden: de kwesties die Winston Churchill achtervolgen

Voor veel Britten is Winston Churchill de vader des vaderlands, maar sinds vrijdag zit zijn standbeeld ingepakt in een doos – voor zijn eigen bestwil. Antiracismedemonstranten hadden het beklad en aangekondigd het omver te trekken. Wat zijn de kwesties uit Churchills politieke leven?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden