Slagen, vastlopen en voortmodderen

In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden hadden ze hun zaakjes goed voor elkaar. Zo goed zelfs, dat hedendaagse historici, Jan de Vries en Ad van der Woude, de geschiedenis van de moderne economie in de Nederlanden van omstreeks 1650 laten beginnen en niet, zoals te doen gebruikelijk, in het...

EERLIJK GEZEGD had de economisch historicus prof. dr Ad van der Woude hun boek liever Slagen, vastlopen en voortmodderen gedoopt. Het standaardwerk dat hij schreef, samen met zijn vooraanstaande vakgenoot van Berkeley University prof. dr Jan de Vries, heet nu een beetje saai Nederland 1500-1815 - De eerste ronde van moderne economische groei.

Het gaat over Nederland in de zeventiende eeuw - de eerste moderne economische volkshuishouding die de wereld ooit heeft gekend, beweren ze. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was de eerste die de status verwierf van lead country, van gidsland, betogen ze. 'Dit houdt in dat zij in technologische zin de meest voorlijke positie innam en doorslaggevend was in het bepalen van wat technologisch grensverleggend was, totdat zij door Engeland daarin werd voorbijgestreefd.'

Natuurlijk, de Franse Revolutie stelde iets voor als overgang van het ancien régime naar de maatschappij van vrije burgers. Ook de Industriële Revolutie in Engeland had haar betekenis als breuklijn tussen de hoogtijdagen van het handelskapitalisme en de opkomst van het industrieel kapitalisme.

Maar pas echt fascinerend was Nederland. In de zeventiende eeuw. Een fantastisch voorbeeld was het van slagen, vastlopen en voortmodderen. De uitgever vond het niks, maar dat had de titel moeten zijn. Ook al omdat het kenmerkend is voor volgende ronden van economische groei. Zij - De Vries en Van der Woude - hebben nu de eerste ronde in beeld gebracht, welke zich dus afspeelde tussen ruim genomen 1500 en 1815, in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De gloriejaren duurden voort tot na 1650, vanaf ongeveer 1670 kroop de mot erin; als vanzelf viel in de achttiende eeuw het zaakje uit elkaar.

De tweede ronde van eeuwen omspannende economische groei zette door na 1850. Nu is niet langer een enkel land, maar de gehele westerse wereld het speelterrein. En opnieuw laat na het aanvankelijke succes nu de stagnatie zich voelen. Opnieuw is dus sprake van slagen, vastlopen en voortmodderen.

In termen van de eerste ronde, zo schrijven De Vries en Van der Woude, bevinden we ons omstreeks het jaar 1700. Wat de mensen toen nog niet konden voorzien dat te gebeuren stond, hebben de twee hooggeleerden uitgeplozen: de ontvolking van de steden, de ineenstorting van de haringvangst, de dodelijke speculatiezucht op de Amsterdamse beurs en nog veel meer mislukking en misère. Kortom: de dood in de pot staat ons te wachten, al weten we net als in 1700 niet wanneer precies en hoe dan wel.

Maar we lopen vooruit.

Zelfs de prins zou komen, de prins van Oranje, voormalig student geschiedenis te Leiden. Het moest dus afgelopen zaterdag in het gebouw van het Gemeentearchief van Amsterdam wel een gebeurtenis zijn van belang. Bij gelegenheid van de presentatie van het even omvangrijke als stoutmoedige boek van de twee historici was een symposium gedacht. De prins, zo was na uitputtend overleg met landelijke, provinciale en gemeentelijke autoriteiten overeengekomen, zou van zijn belangstelling getuigen. De prins was verhinderd, helaas.

'Drie vragen' luidt de titel van hoofdstuk 5. Drie vragen om meer te snappen van het antwoord op de kernvraag: hoe kon het toch dat het gebiedje dat op rotzooierige wijze de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ging omvatten, zo'n beetje na 1588, zo plotseling, zo intens en met zo'n grote internationale uitstraling tot economische bloei kwam?

Antwoord op de eerste vraag. Nee, we kenden hier geen middeleeuwse erfenis. 'Wanneer men zich afvraagt wat omstreeks 1500 als het meest typerende verschil tussen de samenleving in ons gebied en elders in West-Europa genoemd zou kunnen worden, dan zal in het antwoord het ontbreken van een echt feodaal verleden voorop staan', zo laten De Vries en Van der Woude enigszins omslachtig weten. Al vóór de republiek was het maatschappelijk leven in Holland kennelijk nogal onafhankelijk en individualistisch.

Antwoord op de tweede vraag. Nee, we hadden geen last van een 'calvinistische' economie - en calvinistisch dan in de betekenis die Max Weber hieraan verleende: een economie in strakke discipline die als enig doel kent God te eren. De auteurs: 'De Hervorming zette de deur wijd open naar een op de handel ingestelde samenleving, waarin rationeel handelen de boventoon kreeg. Maar om de waarheid te zeggen stond die deur reeds op een heel wijde kier.'

Antwoord op de derde vraag. Nee, dat was nu juist het gekke, er was allerminst sprake van één hechte, nationale staat, met centrale instellingen. Integendeel, de republiek bestond uit zeven eigenwijze provincies met 58 stronteigenwijze steden. En toch.

De auteurs citeren Johan de Witt, de raadpensionaris van Holland die in 1672 door het gepeupel werd gelyncht. De Witt had zich verzet tegen het stadhouderschap van de Oranjes als kristallisatiepunt van de republiek. De eenheid school volgens hem in het feit dat door 'gemeenschappen, compagnieën, confreriën, zo van commercie als van andere interessen, conversatiën, reciproque possessiën van goederen, gewoonten ende anderzints zodanig aan de anderen gehecht, ja door malkanderen geknoopt ende gevlochten zijn dat het bijnaar onmogelijk is dezelve buiten excessieve violentie van den anderen te scheuren'.

In de republiek hadden ze hun zaakjes op orde; in alle voor het economisch leven nuttige zaken en vaardigheden werd geïnvesteerd. De auteurs halen de Amsterdamse Aalmoezeniermeesters aan die zich in 1665 sterk maakten voor de oprichting van een weeshuis met behoorlijk onderricht voor de pupillen. De meesters deden een beroep op het welbegrepen eigenbelang van de gemeenschap. Immers, 'in dien se (de wezen) tot perfectie van haar ambacht comen hebbende geen capaciteyt van 't geen datse maken, coopen off vercoopen, notitie te houden'. Ook wat het aantal analfabeten betreft bezat de republiek een wereldrecord. Een laagterecord.

TERWIJL DE PRINS van Oranje in een jacquet dat hem goed afkleedde in Sevilla acte de présence gaf op het huwelijksfeest van de infanta Elena, oudste dochter van het koningspaar Juan Carlos en Sofia, hadden zich zaterdagmiddag ongeveer tweehonderd geïnteresseerden verzameld in de leeszaal van het Amsterdams archief aan de Amstel. Nette mensen waren het, voornamelijk van middelbare leeftijd en ouder.

De sprekers op het symposium repten zonder uitzondering van 'een indrukwekkend werkstuk', zelfs tot drie keer toe van 'een magnum opus'. Nederland 1500-1815 telt niet minder dan 894 bladzijden, de auteurs hebben ongeveer zevenhonderd publikaties geraadpleegd. Ze hebben meer dan tien jaar aan het boek gewerkt.

Het is niet meeslepend geschreven, wel helder. Het relaas is doorwrocht en uitgesponnen. Wist u bijvoorbeeld dat, over de steenbakkerij gesproken, vanuit Harlingen in de jaren 1654 en 1655 voor een bedrag dat gelijk staat aan zo'n vijf miljoen bakstenen is geëxporteerd? 'Maar hieronder zullen ook heel wat estrikken en dakpannen begrepen zijn', zo stellen de auteurs de lezer gerust.

De Vries is van Nederlandse herkomst. Hij is midden in de oorlog geboren in Duivendrecht, bij Amsterdam. Toen hij vier was, emigreerde het gezin naar de Verenigde Staten. Zijn vader, een boerenzoon, werd er uiteindelijk stukadoor. Van der Woude is hoogleraar aan de landbouwuniversiteit van Wageningen. Hij is net als zijn vriend De Vries een selfmade man. Zijn vader was plaatwerker.

De Vries spreekt Ronnie-Toberachtig Nederlands, maar dan charmanter. Hij heeft zijn kennis van het Nederlands aan Van der Woude te danken. Van der Woude: 'Ik heb het altijd verdomd om Engels tegen hem te spreken.'

Wat betogen ze?

Dat de politieke revolutie in Frankrijk en de industriële in Engeland niet de breekpunten vormden tussen het traditionele en het moderne. Het is een misverstand dat zich heeft vastgezet in de hoofden van historici en leken en dat gebaseerd is op de veronderstelling dat modernisering en industrialisatie twee kanten van dezelfde medaille zijn. Maar De Vries en Van der Woude verwerpen de tegenstelling traditioneel-agrarisch versus modern-industrieel. Een industriële revolutie is helemaal niet de enig zaligmakende toegangspoort tot moderne economische groei. De republiek heeft het in de pre-industriële fase bewezen.

De auteurs schrijven: 'Volgens ons was men in de republiek reeds ver voor de achttiende eeuw aan het pionieren bij de inrichting van een moderne samenleving. Men zeilde een situatie van moderne economische groei binnen zonder eerst door een industriële omwenteling te zijn heengegaan.'

De Vries komt er later, op het symposium, op terug. Hij werpt een vraag op. Wat zou een geletterde Nederlander in 1790 gezegd hebben over de plaats van de industrie in de volkshuishouding? Dat het een elegante manier is om arme mensen aan wat werk te helpen. En wat zegt dezelfde man over hetzelfde vraagstuk in 1990? Dat de industrie de moeder is van alle rijkdom.

De Vries: 'Het is niet mijn bedoeling te beweren dat de industrie van geen betekenis is. Maar ik beweer wel dat je altijd, in 1790 en in 1990, de economie in zijn geheel moet nemen, in al zijn sectoren, van de landbouw tot de industrie. Van belang is hoe de verschillende sectoren geïntegreerd zijn. Als de samenstellende delen van een economie uit elkaar gaan vallen, wordt de hele huishouding zwak.'

Het tweetal beweert nog iets. De afwezigheid van economische groei in de achttiende eeuw lijkt op het eerste gezicht te bewijzen dat de republiek toch geen moderne volkshuisvesting vormde. Immers, groei, gestage groei, zeker op lange termijn, wordt door menigeen nu juist gezien als wezenskenmerk van een moderne economie.

Alweer een misverstand, schrijven De Vries en Van der Woude. Neergang hoort bij groei, afbraak is een onmiskenbaar en onvermijdelijk onderdeel van eeuwen omspannende economische ronden. 'Te opperen dat de Republiek leed aan een 'moderne neergang' moge pervers lijken, maar desondanks blijven wij daarbij.' Door tal van oorzaken die amper te beïnvloeden waren, stegen de produktiekosten almaar. Op den duur tastte het vrijwel elke tak van nijverheid aan. 'Het was onvermijdelijk dat Nederland zijn positie in de frontlijn van de industriële ontwikkeling kwijtraakte.'

HET AMSTERDAMSE gemeentearchief is gehuisvest in het voormalig raadhuis van de gemeente Nieuwer-Amstel. Het heeft een lief bordesje. De werkgebouwen, waaronder de studiezalen, zijn eind jaren zestig opgetrokken. Ze zijn een verschrikking. Het symposium houdt zich aan de etiquette; het wordt een beschaafde aaneenrijging van gedachten. Buiten op de Amstel spelevaren de achten van de studentenroeivereniging Nereus.

In zijn dankwoord hekelt De Vries dat prachtige begrippenapparaat waarover de economische geschiedenis beschikt: het feodalisme, het mercantilisme, het kapitalisme. De Vries: 'Maar met al deze kernbegrippen is de economische geschiedenis van Nederland slecht bediend. Het is net alsof je een snoek op zolder hebt gezet. Dat staat onbeholpen. Ons begrippenapparaat heeft ons vervreemd van een grotere geschiedenis waarin Nederland zo'n belangrijke rol heeft gespeeld.' Hij haalt Simon Schama aan die over de republiek heeft geschreven: 'Something sets it apart from other nations.'

Dan zijn er glaasjes en knabbelarij. Op de gang staat Van der Woude enthousiast aan een jongeman uit te leggen dat we in de huidige economische ronde hard op weg zijn naar de fasen van vastlopen en voortmodderen.

We gaan bij elkaar zitten om na te praten.

Van der Woude: 'In de tweede ronde moeten we er ernstig rekening mee houden dat hetzelfde proces van afbraak zich zal voordoen als in de nadagen van de republiek. Zie hoe we vastlopen met de factor arbeid. Tweehonderd jaar geleden zat minstens 60 procent van de bevolking van West- en Midden-Europa in de landbouw. Tegen 1900 was dat percentage teruggelopen tot misschien wel 30. Men schoof door naar de industrie. Totdat door efficiency-maatregelen en andere oorzaken ook hier de uitstoot op gang kwam. In deze eeuw is het zwaartepunt verschoven naar de dienstensector. Maar ook deze wordt te duur. En nu? Waarheen moeten we nu met onze arbeidskrachten? Terug naar de landbouw? Terug naar de industrie? Vergeet het. De zaak loopt vast.'

De Vries kijkt zuinig. Kan hij het enthousiasme van Van der Woude niet waarderen? Hij zegt: 'Mijn mening is toch wat genuanceerder dan die van Ad.'

Ad: 'Misschien ziet Jan het anders. Jan komt uit Amerika, daar zijn ze gewend de zaken wat rooskleuriger te bekijken.'

Jan: 'Ik zal het erkennen: over de laatste conclusies hebben wij wat onenigheid gehad.'

Ad: 'Jan had nog een alternatieve tekst opgestuurd, maar die kwam te laat. Het boek lag al bij de drukker, hahaha.'

Jan: 'Kijk, Ad zegt dat het onvermijdelijk is dat we in elke economische ronde vastlopen. Zo staat het ook in ons boek. Maar dan stel ik de vraag: wat is het nut van de geschiedenis? Welnu, de geschiedenis stelt je in staat om te leren, om tijdig verstandige, nieuwe keuzen te maken in het beleid. De republiek is met een harde landing aan zijn einde gekomen; het moet mogelijk zijn om zachter te landen.'

Ad: 'Oké, misschien is het mogelijk zachter te landen dan in de achttiende eeuw. Maar in mijn visie loopt het vast. Je kunt de trend niet ombuigen, daar geloof ik niets van.'

Dr Jan de Vries & dr Ad van der Woude: Nederland 1500-1815 - De eerste ronde van moderne economische groei.

Balans; tot 1 september ¿ 85,-, daarna ¿ 110,-.

ISBN 90 50 18 281 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.