Slachtoffer van een brute lastercampagne MONNE DE MIRANDA'S APOLOGIE NA HALVE EEUW AAN VERGETELHEID

'EENMAAL ZAL blijken hoezeer ik het slachtoffer ben geworden van machinaties die van deze tijd zijn', schreef de Amsterdamse politicus Salomon Rodrigues ('Monne') de Miranda in een open brief aan zijn vrienden in maart 1939....

De aanklacht liet aan duidelijkheid niets te wensen over: corruptie. De Miranda zou zich - tezamen met zijn zoon Bram, een advocaat, en twee andere SDAP-raadsleden - hebben schuldig gemaakt aan strafbare handelingen bij de uitgifte van erfpachtgronden voor de woningbouw. Hij zou hebben toegestaan dat er huurcontracten werden uitgegeven aan speculanten, die hun bouwrechten vervolgens met winst doorverkochten.

Het nieuws sloeg in als een bom. De propagandisten van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) waren er als de kippen bij om de 'marxistische bouwzwendel door joden' aan de kaak te stellen.

Uit een onderzoek van het openbaar ministerie bleek al vrij snel dat De Miranda niets ten laste kon worden gelegd; deze conclusie werd bevestigd door een commissie uit de gemeenteraad. Volgens de dossiers van deze commissie (achtduizend pagina's dik) kon de wethouder slechts een aantal beleidsfouten worden aangerekend. Er was geen enkele reden om zijn aftreden te eisen. De beide andere raadsleden - en zoon Bram - hadden zich echter wél bezondigd aan belangenverstrengeling, al kwam het ook in hun geval niet tot justitiële stappen.

Voor De Miranda kwam het rapport van de onderzoekscommissie te laat. Enkele weken na het begin van de campagne in De Telegraaf was hij volledig ingestort en ook later, nadat zijn onschuld was vastgesteld, bleek hij niet bij machte zijn politieke taken weer op te nemen. Daarmee was op brute wijze een einde gemaakt aan de carrière van een van de meest markante socialistische gemeentebestuurders uit deze periode.

Als jonge diamantbewerker, geboren in 1875 in een arm orthodox gezin in het hartje van de Amsterdamse jodenbuurt, had hij zich aangesloten bij de machtige Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond (ANDB), de eerste moderne vakorganisatie in Nederland, geleid door de legendarische Henri Polak.

Het zou het begin blijken te zijn van een indrukwekkende loopbaan als vakbondsleider, partijbestuurder en lid van de Provinciale Staten en de Amsterdamse gemeenteraad. Bijna twintig jaar was hij wethouder, eerst nog in de schaduw van zijn grote leermeester Wibaut, vanaf 1931 als de onbetwiste voorman van de hoofdstedelijke SDAP.

Hij was populair, vooral onder de arbeiders, omdat hij zijn afkomst nimmer verloochende.

Hoe De Miranda precies ten val is gebracht, is enkele jaren geleden al eens uitvoerig uit de doeken gedaan door de historicus Gilles Borrie, voormalig burgemeester van Eindhoven en biograaf van een drietal grondleggers van de sociaal-democratische gemeentepolitiek: Wibaut, P.L. Tak en De Miranda. Volgens hem was De Miranda het slachtoffer van een antisocialistische campagne en een gecombineerde aanval van ontevreden ambtenaren en organisaties van aannemers, huiseigenaren en hypotheekbanken.

Het grond- en woningbouwbeleid vormde een mijnenveld waarop een misstap gauw was gemaakt. Het was dan ook niet moeilijk op dit punt 'belastend' materiaal te produceren. Toch moeten de echte aanstichters van de actie tegen De Miranda naar alle waarschijnlijkheid in zijn eigen ambtelijke apparaat worden gezocht. De top van Publieke Werken vond dat De Miranda zich te zeer met de uitvoering van het beleid bemoeide en zich bovendien te eenzijdig inzette voor de belangen van de volkswoningbouw.

De Miranda mocht dan strafrechtelijk vrijuit gaan, eerherstel kreeg hij niet, concludeerde Borrie in zijn biografie. In het rapport van de raadscommissie, opererend onder voorzitterschap van zijn eeuwige opponent, de liberaal Walrave Boissevain, wemelde het althans van halve waarheden en verdachtmakingen.

De openbare behandeling van het verslag bracht daarin geen verandering. De leden van de raad deden nauwelijks moeite de ware toedracht boven de tafel te krijgen. Burgemeester De Vlugt, die zich tot dan toe had beperkt tot het in bescherming nemen van de aanstichters van de affaire, had de andere wethouders zelfs op het hart gedrukt zich niet in de discussie te mengen - en zij hielden zich daar inderdaad aan. Maar ook De Miranda's partijgenoten lieten het er op dit cruciale moment bij zitten.

Dat het debat over het eindverslag in een dergelijke deconfiture ontaardde, was niet geheel onbegrijpelijk. Er hadden inmiddels verkiezingen plaatsgevonden en het was een van de laatste keren dat de raad in de oude samenstelling bijeenkwam. De behandeling van het rapport vergde bovendien dossierkennis, terwijl de kwestie sterk aan actualiteit had ingeboet. Er had een kabinetscrisis plaatsgevonden: het vijfde kabinet-Colijn was direct na zijn aantreden naar huis gestuurd en de SDAP maakte zich - voor het eerst in haar geschiedenis - op voor deelname aan de regering. Europa balanceerde op de rand van een nieuwe oorlog; ook het Nederlandse leger was gemobiliseerd.

Daarmee leek de zaak definitief afgedaan - behalve voor De Miranda zelf. Hij verbleef in een psychiatrische inrichting en had zich nog nauwelijks kunnen verdedigen. Toen hij maanden later eindelijk bij machte was het rapport te lezen, sloeg de verbijstering opnieuw toe. Daarop zette hij zich aan een zakelijk en gedetailleerd verweerschrift, Pro Domo, waarin de slordige en partijdige werkwijze van de commissie aan de kaak werd gesteld. Verscheidene politieke vrienden en geestverwanten - tot partijvoorzitter Wiardi Beckman toe - probeerden hem er echter van te overtuigen dat het voor iedereen beter zou zijn wanneer het niet tot een publicatie zou komen.

Het was vergeefse moeite. Pro Domo werd nog wel gedrukt, maar voordat het kon verschijnen, was Nederland door de Duitsers bezet. Twee jaar later stierf De Miranda in kamp Amersfoort. Na tien dagen van gruwelijke mishandeling richtte de beul een straal koud water op zijn hartstreek totdat hij was bezweken.

Het heeft meer dan een halve eeuw geduurd voordat De Miranda's apologie aan de vergetelheid werd ontrukt. En zo verscheen deze week Pro Domo, met een verantwoording van de huidige voorzitter van de PvdA-fractie in de Amsterdamse gemeenteraad, Eberhard van der Laan, en rijkelijk voorzien van commentaar van de hand van Gilles Borrie, journalist en stadgeschiedschrijver Geert Mak en oud-Parool-verslaggever Frans Heddema.

'Dit is geen boek, maar een actie', aldus Mak in zijn inleiding. Deze typering laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De publicatie moet vooral symbolisch worden opgevat, als poging een ereschuld in te lossen door de oprichting van een papieren monument. Dat Pro Domo zich - dankzij de begeleidende teksten - ook nog laat lezen als een weliswaar technische, maar tegelijk voorbeeldige casus van politieke karaktermoord, is alleen maar meegenomen.

Het pleit voor de initiatiefnemers dat zij de wens om het onrecht jegens De Miranda ongedaan te maken, niet ondergeschikt hebben willen maken aan de eis van historische zorgvuldigheid. De enige die zich laat verleiden tot al te gemakkelijke conclusies, is Heddema. Hij wekt de indruk dat de SDAP haar wethouder en bloc liet vallen en suggereert dat ook antisemitische gevoelens daarbij een rol speelden.

Als getuige wordt het voormalige PvdA-kamerlid Nora Salomons opgevoerd, die het vermeende gebrek aan steun voor De Miranda verbindt met een 'latent antisemitisme' binnen de sociaal-democratie. De SDAP, aldus Salomons, liet immers ook na duidelijk stelling te nemen tegen de jodenvervolging in Duitsland. Ben Kroon, voormalig raadsverslaggever van het deftige katholieke dagblad De Tijd, eveneens door Heddema opgevoerd, laat zich in dezelfde zin uit.

De indruk die van dergelijke suggestieve opmerkingen uitgaat, staat echter haaks op tal van feitelijke gegevens. In de archieven van de partij zal men vergeefs zoeken naar sporen van antisemitisme, in de betekenis van een min of meer systematische afkeer van joden. De Miranda werd door de eigen socialistische pers met kracht verdedigd, terwijl zijn positie als lijsttrekker bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten en de gemeenteraad niet ter discussie werd gesteld. Wat de vervolgingen in nazi-Duitsland betreft kan worden opgemerkt dat de socialisten zich in de jaren dertig allerminst terughoudend opstelden.

Dit laatste kan in ieder geval niet worden gezegd van de katholieke of protestantse dagbladen, die doortrokken waren van anti-joodse sentimenten, en al evenmin van De Telegraaf. Die krant wierp in mei 1933, nauwelijks vier maanden na Hitlers machtsaanvaarding, publiekelijk de vraag op of het nu wel zo 'tactvol' was dat in het Amsterdamse college van Burgemeesters en Wethouders 'vier joden' waren opgenomen.

Frank van Vree

S. Rodrigues de Miranda: Pro Domo.

Ingeleid en van commentaar voorzien door Gilles Borrie, Frans Heddema en Geert Mak.

De Arbeiderspers; 238 pagina's; ¿ 36,90.

ISBN 90 295 2963 6.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden