Slacht & Offer (2)

Vorige week schreef ik over de dubbelzinnige vrijheid waarmee de literatuur zit opgescheept: de schrijver mag alles beweren en de meest verschrikkelijke personages opvoeren, ook als die opzichtig lonken naar de werkelijkheid, zolang hij maar binnen de grenzen blijft van het reservaat dat fictie heet....

Het literaire woord vermag veel, ontroeren, opschudden, vervelen en wat niet meer, maar het is nooit zo'n halszaak dat het strafbaar wordt gesteld. De eerste de beste voorbijganger, zonder noemenswaardige vooropleiding, is tot iets in staat wat de literatuur niet meer lukt: een misdrijf plegen, aangeklaagd worden, en daar een ernstig, gerechtelijk oordeel aan overhouden. Hooguit krijgen schrijvers een aai over de bol van het bevoegd gezag, als kinderen die niet beter weten, en worden weer heengezonden, uit pure onverschilligheid.

Dat is pas democratie in actie - en het steekt tegelijkertijd. Want tegenover de welwillende desinteresse van de overheid staat de almachtsfantasie van de schijver: die gelooft onvoorwaardelijk in het woord, op een manier die ze alleen in de schuurkerk te Dordrecht nog begrijpen.

Dat geloof is een noodzakelijke beroepsafwijking. Schrijvers houden niet alleen stug vol dat het woord machtig is; ze menen ook dat schrijven de enige, echte oplossing is voor elke voorkomende situatie. Alles gaat beter zodra je er schriftelijk nog eens op terugkomt. Dit is evident niet waar, want de meeste dingen zijn in eerste instantie al erg genoeg, ook zonder reflectie, maar toch is het idee wijd verspreid in de beroepsgroep.

Laat ik ter illustratie een stukje aanhalen van Renate Rubinstein, die in Niets te verliezen en toch bang over haar aanstormende echtscheiding schreef, en over de paniek, die haar vriendenkring moest helpen dempen.

'Ik kreeg dus veel adviezen. Ruwweg vielen ze in twee categorieën uiteen: a. kappen, nooit meer willen spreken, scheiding eisen, slot op de deur veranderen, nieuw leven beginnen; b. geduld hebben, hoofd niet verliezen, leuke kleren kopen, in geen geval initiatief tot scheiding nemen en rustig afwachten tot hij terugkomt.

'Niemand zei: ''Weet je wat jij moet doen, jij gaat hele mooie stukjes in de krant maken waarmee je hem naar je terugschrijft.'' De enige die dat de juiste tactiek vond, was ikzelf. Het heeft niet zo gewerkt en iedereen vindt dat begrijpelijk. Behalve ik, ik sta er nog steeds versteld van dat het geschreven woord niet machtiger is.'

Schrijven als wonderolie. Man weg, moeder dood, dreigend faillisement, menopauze, beroving met geweld, ruzie op het werk: er zit maar een ding op, en dat is het nog eens overdoen, maar nu goed, op papier. Buitenstaanders menen vaak dat schrijvers zichzelf voortdurend in therapie nemen, en daarom hun dagelijkse ervaringen op schrift stellen, al dan niet in bewerkte vorm. Het zogenaamde van je afschrijven - een vorm van vrijetijdsverdrijf waar niemand die leeft van de pen zich aan bezondigt.

Want het gaat anders, denk ik, naïever, directer. Schrijvers geloven echt dat ze de kortste weg van A naar B hebben gevonden door het woord te nemen. De meest praktische route ook. Zou je ze vertellen dat er pillen zijn tegen opspelende hormonen, advocaten tegen deurwaarders en andere mannen tegen vreemdgaande echtgenoten, ze zouden het beleefd aanhoren en er diep in hun hart van overtuigd blijven dat het doekjes voor het bloeden zijn. Hoe omslachtig kan je worden. Er is maar een echte remedie die de kwaal bij de wortel aanpakt, en dat is gaan zitten en schrijven.

Ander voorbeeld: iemand die ik zeer goed ken, heeft naast haar schrijfcarrière ook nog een stokoude moeder, die er met de jaren niet milder op is geworden, zoals de mythe wil, maar lastiger en bloedzuigender. Bovendien is deze bejaarde vrouw niet iemand om in stilte te lijden, maar belt zij vanuit haar verpleegtehuis bij nacht en ontij haar enige dochter op om te klagen, te eisen en te schelden. Die is analytisch geschoold en ook verder bedreven in duiding en diagnose, en wist precies wat haar te doen stond; daar hele trefzekere columns over schrijven.

Toen ik haar daarmee complimenteerde, kon ze het niet laten tevreden over zichzelf op te merken: 'Stel je toch voor dat mijn moeder een dochter had gehad die niets van psychologie begreep.'

We lieten deze noodsituatie even tot ons doordringen, totdat het me daagde dat die onvoorstelbaar ongeschoolde, niet-analytische dochter wellicht de auto had genomen, en naar het verpleegtehuis was gereden, om, noem eens wat raars, de hand van haar oude moeder vast te houden.

Het is geen slechtigheid: het is een schrijver die daadkrachtig probeert in te grijpen.

Voor niet-schrijvers moet die reflex een even wereldvreemde als ondoeltreffende indruk maken. De buitenwereld denkt dat het om een kunstuiting gaat, een versiering dus, en is geneigd in levensbedreigende situaties naar andere middelen om te zien: geld, tanks, stakingen, actie, dingen die er echt toe doen. Het ultieme, levensreddende geschenk van de schrijver wordt minzaam van de hand gewezen. Nu even niet, lieverd, pappa en mamma zijn met serieuze zaken bezig. Dat blijft de beroepsgroep grieven, want, zoals Rubinstein schreef: 'Ik heb ook altijd gedacht dat de slavernij opgeheven werd omdat de regering van Amerika De hut van oom Tom gelezen had.'

Rubinstein is in dit verband sowieso een interessant voorbeeld, omdat zij zich niet aan de wetten hield die gelden voor het fictiereservaat. Zij tekende naar het leven zelf, en deed geen moeite dat met mist, pseudoniemen en rookgordijnen aan het oog te onttrekken. Sinds de literatuur ook haar beschermende vleugels heeft geslagen over de faction, het egodocument en de sleutelroman, is de scheiding tussen fictie en non-fictie fictiever geworden dan ooit. Waar houdt de literaire verbeelding op en begint het verslag? Geldt de dichterlijke vrijheid ook voor reporters? Is het verschil tussen het gesproken en geschreven woord zo groot, dat je altijd van een bewerking moet spreken 'vrij naar de werkelijkheid'?

Wie zich erin verdiept wordt geconfronteerd met overgangsgebieden en grijze zones, en het enige dat uitkomst biedt, is de formele benadering: een roman is een roman, zolang er roman opstaat. Net als bij wijn, leze men het etiket, en vertrouwt men erop dat beschrijving en inhoud overeenstemmen.

Maar nu het volgende: J. Voskuil schreef een romancyclus Het bureau over het Meertens-instituut, waar hij jarenlang zelf werkte. De kaft belooft dat alles keurig in het fictieve zal blijven, hoe bedrieglijk echt de scènes en de beschreven figuren ook mogen zijn. Maar dan verklaart de auteur in een interview achteraf dat hij 'garant kan staan' voor de feiten, zoals te vinden in het boek.

De medewerkers van het instituut voelen zich in gelijke mate herkend en genomen, en het ergste is, dat de schrijver dat nog toegeeft ook. Toch zou het mij niet verbazen als Voskuil zijn romancyclus oprecht beschouwt als een afscheidscadeau voor zijn ex-collega's. Want wat is het enige redmiddel in geval van zinloos werk en frustrerende arbeidsomstandigheden? Juist ja, een boek, de geschreven versie.

Voskuil heeft het gezegd, ook namens de anderen. Het is zo'n presentje waarop tot stomme verbazing van de schrijver hartelijke woede volgt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden