Sjalalalie sjalalala

In de stad krioelt het van de vogels. Jip Louwe Kooijmans, Amsterdams stadsvogelaar, schreef een boekje over waarom de gierzwaluw in de arbeiderswijk huist en de tjiftjaf zegt: doe mij maar Oud-Zuid.

Hij doet het al jaren, op het obsessieve af: kijken naar de stad door de ogen van vogels. Dus wijst stadsvogelaar Jip Louwe Kooijmans (47) op het wat ruige, met wilde planten begroeide spoorwegtalud langs de dijksgracht, hartje Amsterdam, en zegt: 'Ideaal voor heggenmussen.' En zowaar, een paar seconden later hoort hij de hoge en heldere zang van de heggenmus en zien we het vogeltje tussen het struweel.


Dan, bij het voorbijfietsen van de zandhopen en hijskranen in de buurt van de bibliotheek en het conservatorium, opnieuw een 'attentiemoment'. Louwe Kooijmans: 'Hier zou je straks in het voorjaar zomaar de zwarte roodstaart kunnen zien.' Want, zo verklaart hij, de zwarte roodstaart voelt zich bij uitstek thuis in bouwputten. 'Het is eigenlijk een vogel van puinhellingen in bergen. Maar als wij gaan bouwen, spuiten we eerst zand op en leggen we enorme stapels stenen neer. De ideale biotoop voor de zwarte roodstaart. Dus zie je ze in het voorjaar op de hijskranen, aan de randen van IJburg bijvoorbeeld.'


Als de wijk eenmaal klaar is, verdwijnt de zwarte roodstaart weer. Hij schuift als het ware mee met de hijskranen. Maar dan is er weer een goede kans dat de putter opduikt. Want de putter, die houdt van jonge, net aangeplante boompjes in nieuwbouwwijken. En als die boompjes groot worden, dan maakt de putter weer plaats voor de groenling, die houdt van oudere bomen.


Louwe Kooijmans heeft er een boekje over geschreven, over vogels in de stad, voor Vogelbescherming Nederland, zijn werkgever: Stadsvogels in hun domein, geënt op het boek Vogels in hun domein (1943) van de vermaarde bioloog Luuk Tinbergen. Vooral geschikt voor natuurbeschermers en stedenbouwers.


Voor zijn boekje heeft hij alle gegevens geanalyseerd van de tellingen die vrijwilligers al jaren doen in het kader van het Meetnet Urbane Soorten (MUS). Door die tellingen is een goed beeld ontstaan van de aantallen en soorten vogels in de stad.


Louwe Kooijmans heeft voor hoog en voor laag Nederland zeven wijktypen onderscheiden, met bijbehorende vogelsoorten. Naast die wijktypen onderscheidt hij nog twee aparte stedelijke biotopen voor vogels: bedrijfsterreinen en stadsparken. Hij heeft gemiddelden berekend en, zo zegt hij, de 'basiskwaliteit natuur' per wijktype beschreven. 'Dat is een soort referentiepunt. Je kunt zeggen: zit je als wijk boven het gemiddelde, dan doe je het goed. Zit je eronder, dan gaat het slecht.'


De stad als biotoop voor vogels dus. Voor 63 van de rond 180 in Nederland voorkomende broedvogels blijkt een bepaald wijktype van belang als broedgebied. Van deze 63 'stadsvogels' komen er acht voor in alle wijktypen: de gierzwaluw4, de huismus, de spreeuw, de kauw, de koolmees, de zwarte kraai, de merel en de houtduif. Daarna beginnen de verschillen. Louwe Kooijmans: 'De pimpelmees zie je in bijna alle wijken. Maar soms, als het wat spannender wordt, verliest hij de concurrentie met de koolmees . Hetzelfde geldt voor de ekster. Je zou zeggen: die zit overal. Maar in wijken met gesloten huizenblokken kan hij de concurrentie met de zwarte kraai vaak niet aan.'


Voor aanvang van een fietstochtje door Amsterdam, had Louwe Kooijmans vanuit een café aan de Prins Hendrikkade, in de historische stadskern tegenover het Centraal Station, gewezen op de stoeptegels voor het raam. 'Je ziet: nergens onkruid. Tegenwoordig wordt het zand dat wordt gebruikt bij de aanleg van stoepen gemengd met onkruidverdelgers. Dus groeit er nergens meer onkruid tussen de tegels. Het is een van de redenen waarom de huismus het zo slecht doet. Want op dat onkruid zaten de bladluizen en mussen voeren de bladluizen aan hun jongen.'


Over huismussen gesproken. Wanneer we eenmaal onderweg zijn en fietsen op de Kattenburgerkade, een niet bepaald vogelrijke naoorlogse woonwijk met 'gesloten' huizenblokken, klinkt het massale getjilp ons opeens tegemoet. En zien we ze opeens ook druk op en neer vliegen, tussen een heg en een plantsoen. 'Mussen zijn kolonievogels, ze leven in groepen. Zijn ze met minder dan tien, dan overleven ze niet. Willen ze als kolonie overleven moet binnen ongeveer tien vierkante meter alles beschikbaar zijn voor de hele groep.'


De stadsvogelaar (in Engeland is urban birding een begrip) spreekt van de drie V's: voedsel, veiligheid en voortplanting. Hij wijst op een spleet in de muur, onder het balkon van de portiekwoningen. 'Die spleet hoort daar niet, maar hij zit er wel. Ideaal voor mussennesten.' Dan wijst hij op de heg, vijf meter verderop. 'Dekking, veiligheid.' Even verderop is een plantsoentje waar een stapel vuilniszakken ligt. 'Voedsel'. 'Je kunt in zo'n wijk in twintig straten geen enkele mus tegenkomen en dan, door zo'n samenloop van omstandigheden, stuit je opeens op een kolonie.'


Even later, in een vooroorlogs arbeiderswijkje, de Oostenburgersdwarsstraat om precies te zijn: 'De oude arbeiderswijken zijn niet vogelrijk, maar voor de gierzwaluw vormen ze de ideale biotoop. Hier kunnen ze nog nestelen onder de daken. En omdat er geen bomen staan, wordt de toegang tot die daken niet belemmerd. Onbedoeld is dit dus een tophabitat voor gierzwaluwen geworden.'


Dat vond hij zelf een mooie ontdekking, zegt Louwe Kooijmans: de verschillen in vogelgemeenschappen zijn rechtstreeks terug te voeren op veranderende inzichten over ruimtelijke ordening sinds het begin van de vorige eeuw. Zo doen tuinvogels als merel en roodborstje, en struikvogels als heggenmus en winterkoning, het relatief slecht in vinexwijken.


De groenling tref je maar zelden aan in de naoorlogse uitbreidingswijken met gesloten huizenblokken en met weinig bomen op straat. In nieuwbouwwijken doen pioniers als fitis, putter en schol-ekster het goed. Moderne nieuwbouwwijken met veel water trekken vanzelfsprekend meerkoeten, eenden en meeuwen, en soms ook moerasvogels.


En, meer in het algemeen: wijken met open huizenblokken, waarbij de tuinen in directe verbinding staan met de omgeving, zijn meestal vogelrijker dan wijken met gesloten huizenblokken.


Louwe Kooijmans, die zijn verrekijker als een ware stadsvogelaar niet op zijn borst heeft hangen, maar onopvallend onder zijn arm, stopt bij een bordje aan het water op het KNSM-eiland. Niet voeren, staat er, in verband met een teveel aan meeuwen, duiven en ratten. 'Dat is eigenlijk wel gek', zegt hij. 'Wat je hier ziet is gesloten nieuwbouw, met weinig groen, veel water en veel steen. Kale rotsen aan het water. Als je dit bouwt dan weet je: dit is de ideale biotoop voor de stadsduif en de meeuw. En dan is er hier ook nog een marktje waar mensen eten op de grond laten vallen. Dan kun je wel klagen, maar je weet wat je krijgt als je zo bouwt. Als je roodborstjes en pimpelmezen wilt in plaats van duiven en eksters, dan moet je de wijk anders bouwen.'


Ook eigenaardig, zegt hij: 'In brochures van nieuwbouwwijken worden vaak enorme bomen ingetekend, hoger dan de huizen zelf. Maar als de huizen zijn opgeleverd staat er vaak geen enkele boom.'


Hij wijst op de lange, aaneengesloten rijen huizen aan de Panamakade. 'Weinig groen, weinig kieren en gaten. Dus zie je hier weinig park- en tuinvogels, weinig boomvogels als de houtduif en mezen, en weinig huizenbroeders. Wat je wel ziet is dat bewoners zelf overal geveltuintjes met klimplanten aanleggen. En nestkastjes ophangen. Een soort burgerlijke ongehoorzaamheid. Die behoefte aan meer vogeltjes is er toch.'


Het is eigenlijk vrij simpel, zegt de stadsvogelaar: vogels volgen het landschap, ook in de stad. 'In het waddengebied wordt de dynamiek bepaald door eb en vloed, in de stad wordt de dynamiek bepaald door mensen.'


Dus barst het in de historische kern van de stad van de stadsduiven en de kauwen. Het voedsel ligt daar letterlijk op straat. En er zijn voldoende mogelijkheden om in gebouwen te nestelen. 'In de jaren zestig en zeventig is er rond de stad veel recreatiegroen aangelegd. Die bomen zijn nu zo oud dat ze voor veel bosvogels geschikt zijn geworden. En van daaruit zijn soorten als de grote bonte specht, de gaai en de vink de steden gaan koloniseren. In elk stadspark broeden wel grote bonte spechten. Je ziet ze ook in de binnentuinen met veel oude bomen.'


Daarvan profiteert de halsbandparkiet dan weer. 'Er is vaak gezegd: de halsbandparkiet is slecht voor spechten. Maar de halsbandparkiet profiteert er juist van dat het zo goed gaat met de grote bonte specht. Want die maakt ieder jaar een nieuw hol en de halsbandparkiet nestelt in oude spechtenholen.'


Het ideale wijktype voor vogels is de tuinwijk, de 'vooroorlogse woonwijk met open huizenblokken'. Louwe Kooijmans: 'Daar zie je meer soorten dan in de meeste natuurgebieden.' In de grote steden zijn er weinig voorbeelden van, maar plaatsen als Zeist, Bussum, Wassenaar, Oegstgeest en Bloemendaal zijn ideaal voor vogels. 'Je ziet er bijna alles. Dat gaat van tjiftjaf en zwartkop tot grasmus, braamsluiper en tuinfluiter. Als die tuinrijke wijken dan nog eens dicht tegen een bos of een duinrand aanliggen, is de soortenrijkdom helemaal ongekend.'


De specialisatie van Louwe Kooijmans op stadsvogels dateert van een jaar of vijftien geleden. 'Ik dacht: ik kan wel een natuurgebied gaan inventariseren, maar ik weet al zeker wat daar zit. Maar van mijn eigen straat wist ik het niet. Toen ben ik daar een inventarisatie gestart.'


We fietsen er doorheen, de Czaar Peterstraat, typisch voorbeeld van een vooroorlogse straat. 'Een straat met een hardnekkig karakter. Ze zijn nu al jaren bezig met opknappen, er komen ook allerlei trendy winkeltjes, maar het blijft toch gewoon de Czaar Peterstraat, een beetje donker en niet echt sfeervol.'


Hij deed er aardige ontdekkingen. 'De boomkruiper deed helemaal niet wat de handboeken zeiden. Daarin stond: hij nestelt heel soms in gebouwen. Maar ik ontdekte dat hij hier altijd in gebouwen nestelde en maar één keer in een boom. En de houtduif, die zat met de jaarwisseling al op eieren, terwijl dat volgens de boekjes pas in mei gebeurt. Dat stimuleerde me erg om hiermee door te gaan.'


Sindsdien kijkt hij dus vanuit het perspectief van de vogel naar de stad. En ziet hij dingen die anderen niet zien. 'Ik heb een tijdje in de Jordaan gewerkt. Toen merkte ik: op elke gracht is een territorium van de boomkruiper. Daar moet je echt oog of oor voor hebben. Want het geluid van de boomkruiper kun je zomaar verwarren met een piepende tram.'


Door naar het Flevopark, wijktype stadspark. Staartmeesjes, koolmeesjes en blauwe reigers langs het fietspad, grauwe ganzen vliegen over, een buizerd cirkelt boven het park. 'Ik heb me lang afgevraagd: waarom broeden hier niet meer vogels dan in normale woonwijken? Ik had verwacht dat parken eruit zouden springen.' Hij stopt bij de grote speelweide. 'De verklaring is: dit is in het voorjaar toch het domein van mensen. Veel soorten die doorgaans op de grond nestelen, doen dat in de stad op de daken. Voor veel broedvogels is zo'n speelweide hooguit interessant als voedselbron.'


Neemt niet weg dat er in het voorjaar genoeg te beleven valt, in de rietkragen van de sloten en de plasjes rondom het park. 'Kleine karekieten, de waterhoen, futen, een blauwborstje als je geluk hebt. Geen klassieke stadsvogels, zou je zeggen.'


We fietsen over het dijkje langs het Science Park, met veel hoge nieuwbouw. 'Toen dit gebouwd werd, zag je aan de overkant de graafmachines, terwijl de scholeksters, pioniers, op het dak zaten.'


We houden halt op de Nesciobrug over het Amsterdam-Rijnkanaal. Links raast de A10, maar de stadsvogelaar wijst op een plukje bomen langs het kanaal. 'Achter dat bosje ligt nog een stukje weiland en daar broedt dan zomaar een kievit. Een typisch fenomeen van de rand van de stad.'


Op de Diemerzeedijk, even later, weer een kolonie mussen bij een volkstuinencomplex ('Je ziet: voedsel, veiligheid, voortplanting'). En aan het begin van IJburg wijst de stadsvogelaar op nog een mussenkolonie die er dankzij de bewoners is gekomen. 'Ze broeden tegenwoordig niet zozeer onder de dakpannen, maar in de gaten in de spouwmuren. Daar kun je bij het bouwen rekening mee houden.'


We kijken uit over het IJmeer en zien twee futen en een kuifeend. Mooie eend, de kuifeend.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden