Simons geeft lucide choreografie zwaarte met metalen kruis

De Rotterdamse Dansgroep met Fremdkörper (Rick Kam), Raven (Käthy Gosschalk), Song (Ton Simons). Rotterdamse Schouwburg. 10 december. Tournee...

ISABELLA LANZ

De Rotterdamse Dansgroep verenigt in Programma 2 drie generaties choreografen. Käthy Gosschalk, artistiek leider van de dansgroep, maakte Raven. Ton Simons, die al twintig jaar in New York werkt, keerde even terug naar zijn vroegere home om Song te choreograferen. En Rick Kam is van de jongste lichting, zijn Fremdkörper opent het programma.

Kam is beïnvloed door de losse stijl die de moderne dans momenteel in zijn greep heeft. De choreografie bestaat uit een aaneenschakeling van soli en duetten. Die worden al dan niet simultaan gedanst, nu eens prominent vóór op het podium, dan weer achter in een hoekje. Kop noch kont valt te onderscheiden aan de compositie. Leuk is wel dat Kam zijn dans zette op swingende muziek uit NoordAfrika. Wanneer die klinkt, waait er even een krachtige wervelwind over het podium. Vaker is het of de choreograaf wat zandkorrels rondstrooit. Gelukkig wordt zijn materiaal wel goed gedanst, waardoor je toch geboeid blijft kijken.

De structuur van Song is daarentegen wel dwingend. Nu heeft Simons ook twintig jaar de tijd gehad om zijn stijl te verfijnen. De laatste jaren is zijn werk serieuzer van toon geworden. Dat geldt zeker voor dit sextet. Enkele aria's uit Mozart's Cosi fan tutte en in het Engels vertaalde verzen van de twaalfde-eeuwse Perzische dichter/filosoof Omar Khayyam vormen de achtergrond. Opera en kwatrijnen gaan beide over afscheid nemen en de vluchtigheid van het leven. Song opent prachtig met een trio: Kory Perigo en Ty Boomerchine visualiseren de ornamenten uit de muziek, vitaal en speels, terwijl Joke Zijlstra op de diagonaal bedachtzaam langgerekte bewegingen maakt. Tegen het einde dansen dezelfde mannen tegen de achterwand en vormen een krachtig contrapunt tegenover de vrouwen (Allard, Zijlstra en Caroline Harder), die beurtelings opkomen voor een solo.

Van Song valt op veel manieren te genieten. Van de gave compositie, van de zuivere schoonheid in de beweging, van de grote muzikaliteit. En van de subtiele wijze waarop Simons zijn lucide choreografie zwaarte geeft door halverwege een metalen kruis op het podium neer te leggen. Dat symbool van de dood is tevens sec een formele constructie. Een uitgekiender balans tussen vorm en inhoud, abstractie en betekenis kun je niet bedenken.

Gosschalk is als choreografe niet geïnteresseerd in pure dans, wel in danstheater. Dat blijkt in Raven. Dat lijkt te gaan over de absurditeit van het moderne leven. Helder wordt die inhoud niet, hoewel de beelden mede door het decor van Peter de Kimpe scherp zijn. In de proloog loopt een vrouw (Allard) van links naar rechts, traag zoals in Robert Wilsons theater. Ze draagt zwarte kleding uit de negentiende eeuw. Treurt ze, rouwt ze? Klanken uit Tsjaikowsky's Pathétique vloeien bij haar verdwijnen over in stuwende muziek van Branca. Daarop verschijnt een groep modern geklede mensen die krampachtig bewegen, als robots. Van terzijde slaat de mysterieuze vrouw dit alles gade. Aan het slot wordt ze opnieuw middelpunt van de handeling. Ze weet een man te overtuigen niet mee te gaan met een jonge meid. Alleen in die scène krijgt Raven de zeggingskracht die je van een veteraan als Gosschalk mag verwachten.

Isabella Lanz

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden