Silvio de onkwetsbare

Italië is het komend halfjaar voorzitter van de Europese Unie. Zelfverzekerd en onbedreigd kan Silvio Berlusconi aan zijn show beginnen....

Hij liet het woord 'calvario' vallen, de Italiaanse minister-president, toen hij verleden week de tweede aflevering van zijn theatrale optreden in de rechtbank in Milaan achter de rug had en de dag erop zag hoe de kamer het wetsontwerp dat zijn onschendbaarheid definitief regelde zonder al te veel moeite liet passeren.

Hij had zijn calvario erop zitten; en zo zwaar als die geweest was, zo ongeschonden was de minister-president, op het triomfantelijke af. 'Calvario', de betekenis ervan is in het Italiaans net iets breder dan in het Nederlands, 'lijdensweg'. Maar maak je van die 'c' een hoofdletter dan wordt het toch echt 'Golgotha'. Wie het uitspreekt, wekt ondubbelzinnige associaties.

Hij ziet het graag groot, Silvio Berlusconi, en aan grote woorden, vaak op het bespottelijke af, heeft hij geen gebrek. 'Ach, je moet hem gewoon zo nu en dan een draai om zijn oren geven', zei zijn moeder verleden jaar in een onbewaakt, dat wil zeggen: niet geregisseerd, ogenblik tegen journalisten. Wie de kostelijke bloemlezing Berlusconate leest, een verzameling citaten van de meester bijeen gebracht door twee parlementaire journalisten, begrijpt meteen wat la mamma bedoelt: een praatjesmaker.

De minister-president als liefhebber van de vrije nieuwsgaring: 'Schrijven jullie wat je wilt, en zeg precies wat ik gezegd heb.' De minister-president als womanizer: 'Ik ben niet in staat nee te zeggen. Gelukkig ben ik een man en geen vrouw.' De minister-president als staatsman, bewonderaar van Napoleon: 'Ook ik heb het wetboek geschreven, net als Justinianus en Napoleon.' De minister-president als de geboren onschuld: 'Mij van corruptie beschuldigen is als het arresteren van moeder Theresa omdat een kind uit haar instituut een appel heeft gejat.'

Wat hij kan, kunnen zijn tegenstanders net zo goed. In de Italiaanse boekhandel raap je ieder seizoen zo tien boeken bij elkaar waarin wordt aangetoond dat de minister-president een misdadiger, een potentaat, een opportunist, een domkop, ja, een dictator is, stuk voor stuk kranig met argumenten en documenten onderbouwd.

Geen zee gaat ze te hoog, zijn opponenten. In een lang en bitter essay aarzelde de bekende schrijver Antonio Tabucchi dit voorjaar niet Silvio Berlusconi met de Roemeense dictator Nicolae Ceaucescu te vergelijken. 'De macht om de macht', schreef Tabucchi, en: 'Na alle wetten van Berlusconi is Italië zo een volkomen onwettig land geworden.'

Nu is de Italiaanse cultuur, ook de politieke, bij uitstek een retorische cultuur, met een onlesbare hang naar dramatisch en operatesk optreden, maar de toon waarop Berlusconi en zijn opponenten van gedachten wisselen en het idioom waarin ze dat doen, gaat wel wat verder dan men er traditioneel gewoon is.

Enkele weken terug maande Claudio Magris, eminent geleerde, wereldberoemd schrijver en voormalig senator, op de voorpagina van de krant Corriere della Sera een van de ministers in Berlusconi's regering nu eindelijk eens te stoppen iedereen die ook maar een tikje links is meteen 'een communist' te noemen. Omgekeerd zijn de linkse Italiaanse politici zelf nooit te beroerd leden van de regeringspartijen ongezouten voor 'fascist' uit te maken. De erfenis van die twee misdadige verledens wordt er op een wat andere wijze verwerkt dan in Nederland.

Los van al dat gekrakeel dringt zich, zeker voor de andere Europeanen, aan de vooravond van Italië's voorzitterschap echter een samenhangende reeks vragen op. Die vragen worden in de meeste Europese landen gewoonlijk op een enigszins neerbuigende manier weggewimpeld, onder verwijzing naar het charmante karakter van het land en zijn temperamentvolle bewoners, als ging het bij Italië om een vrolijke bananenrepubliek waarvan je de politiek niet al te serieus hoeft te nemen. Heethoofden en druktemakers, die het niet zo nauw nemen met de wet, en ondertussen genieten van hun rijke verleden, hun uitstekende klimaat, hun prachtige landschap en de ongeëvenaarde kwaliteit van hun spijzen en dranken.

Die vragen zijn: hoe is het eigenlijk gesteld met de democratie en de rechtstaat in Italië? Wordt de wet er inderdaad schaamteloos naar de hand van de machthebbers gezet? Is die Berlusconi een operette-personage of dienen we hem serieus te nemen? Is hij louter opportunistisch of ronduit gevaarlijk?

En, als hij inderdaad zo'n bedenkelijke, sluwe patjepeër is, hoe komt het dan dat de Italianen ruim twee jaar geleden, bij de parlementsverkiezingen, hem en zijn geestverwanten een meerderheid hebben bezorgd? En, ten slotte, hoe kan het dat zijn regering, ondanks al die vinnige kritiek en de tweewekelijks over de keien rollende conflicten, toch zo stabiel is?

Want een ding is inmiddels wel duidelijk: het tweede kabinet-Berlusconi, dat in de zomer van 2001 aantrad, heeft een voorlopig einde gemaakt aan de gevaarlijkste ziekte die de Italiaanse republiek sedert de val van Mussolini kwelde, namelijk het voortdurend komen en gaan van regeringen.

Over Berlusconi's huidige kabinet is veel lelijks gezegd, maar het is inmiddels wel een van de langst zittende kabinetten in de na-oologse geschiedenis van Italië en niemand gelooft dat het binnen afzienbare tijd zal vallen.

Italië gaat dinsdag het periodieke voorzitterschap van de Europese Unie in met een onbedreigde, zelfverzekerde regering en een minister-president die blaakt van zelfvertrouwen. Hij heeft zelfs een welomlijnd program voor de zes maanden dat het voorzitterschap zal duren en behalve dat hij zal proberen er een show van te maken, zal hij stellig ook proberen zijn collegaregeringsleiders een serieuze agenda voor te leggen.

Toen eind mei in Italië regionale en her en der plaatselijke verkiezingen werden gehouden, rekende de linkse oppositie en de met haar verbonden pers zich meteen rijk. In het noordoosten, in de regio Veneto-Giulia-Friuli, won de combinatie van linkse partijen samenwerkend in de 'Ulivo' (de 'olijfboom', kortweg de 'olijf') en ook in Rome ging het roer om.

Dat dit vermoedelijk meer te maken had met de aansprekende figuur die links in het noordoosten tot lijsttrekker maakte en de indrukwekkende linkse burgemeester van Rome, en minder met het succes van de landelijke oppositie of een dalende populariteit van Berlusconi, vergaten zij er gemakshalve bij te vertellen.

Die verkiezingsuitslag zal heus wel gevolgen hebben voor de samenstelling van het kabinet en de scherpte van het kabinetsbeleid, maar dat komt doordat één van de regeringspartijen, de Lega Nord, het verlies in het noorden zo goed voelt - niet doordat Berlusconi en zijn Forza Italia zich bedreigd voelen.

Want zijn aanhang mag dan niet het karakter hebben van een traditionele politieke partij, met een uitgesproken ideologie en verankerd in maatschappelijke stromingen, zijn populariteit mag er zijn. Dat is een persoonlijke populariteit, of liever gezegd: een individuele overtuigingskracht, gebaseerd op wat de Italiaanse bevolking denkt dat Berlusconi's capaciteiten zijn, op zijn geschiedenis, op zijn voorbeeld; zou Berlusconi wegvallen als leider van Forza Italia, die partij zou ook in het niets oplossen.

Toen net na de Tweede Golfoorlog, dit voorjaar, gemeten werd op hoeveel steun de regering kon rekenen, was de uitkomst 56 procent. Dat was een bizar cijfer, omdat Italië die oorlog was ingegaan met een bevolking die mordicus tegen was - de vredesdemonstraties in Italië waren de grootste in Europa - en een regering die daarentegen luid en duidelijk verkondigde de Amerikanen te zullen steunen.

De stabiliteit van Berlusconi's regering, de steun die ze kreeg en behoudt van de bevolking en een aanzienlijk deel van de beleidsvoornemens die ze formuleert en uitvoert - de 'hervormingen', zoals ze hier heten - hebben alles te maken met het ontbreken van een alternatief, dat is, het ontbreken van een zinnige, samenhangende en heldere oppositie.

Die is op zichzelf weer voortgekomen uit de chaos die opeenvolgende linkse regeringen in Italië hebben weten te veroorzaken, op wat je gerust de ondergang van de sociaal-democratie kunt noemen. In essentie is het beleid van Berlusconi telkens weer een meedogenloze afrekening met het recente linkse verleden van Italië; hij gebruikt de aantijging van 'communisme' niet voor niets zo graag.

Daarom ook is het kortzichtig Italië als een rare anomalie in Europa te beschouwen: de crisis van links, de inhoudsloosheid van het courante sociaal-democratische denken en de voosheid van de flirt met managers en markteconomen van de afgelopen tien jaar, is er eenvoudig eerder aan het licht gekomen dan elders in Europa. Maar op beleidsmatig terrein laat de politiek van de Italiaanse regering zich gemakkelijk vergelijken met die van Spanje, Frankrijk of zelfs Nederland.

In Nederland schudde minister-president Wim Kok namens de sociaal-democraten zijn ideologische veren af en liet een verweesde natie achter en een partij die in feite geen programma meer heeft; bij de laatste verkiezingen waren het immers vooral de ideeën van Pim Fortuyn die de toon zetten, juist binnen de sociaal-democratische beweging.

In Frankrijk verloor de socialist Jospin zelfs van de nationalist Le Pen en vergadert de socialistische partij zich sedertdien suf om te bedenken wat ze in godsnaam terugzeggen moet. En in Spanje zit Aznar stevig in het zadel en wordt van de sociaal-democraten weinigsteekhoudends vernomen. Italië heeft, net als een aantal andere Europese landen, een rechtse regering, omdat er geen links alternatief is en er bovendien wordt afgerekend met een aantal mythen van links. Tijdens de jaren negentig, de jaren van na de Val van het Oostblok en het actieve pleidooi voor ontideologisering, is regeren besturen geworden - en aan wie kun je besturen beter overlaten dan aan een stelletje managers?

Berlusconi heeft het zijn kiezers twee jaar geleden duidelijk uitgelegd, in het huis aan huis verspreide boek Una storia Italiana, dat zijn danig geromantiseerde curriculum vitae bevatte: van eenvoudige jongen tot de rijkste man van het land. Moraal van dat verhaal: dit kunt u ook allemaal bereiken.

De problemen waarvoor de nationale regeringen zich gesteld zien, zijn over heel Europa vergelijkbaar: de noodzaak tot afslanking van de bureaucratie, de druk het onbetaalbaar geworden stelsel van sociale zekerheid drastisch te hervormen, de nijpende kwestie van immigratie en integratie en de erosie van het onderwijs.

Op geen van die problemen, die welbeschouwd allemaal raken aan de traditioneel linkse ideologie van solidariteit en verantwoordelijkheid, weet links een begin van het vermoeden van een antwoord te formuleren. Rechts daarentegen wel, op pragmatische en veelal pijnlijk realistische gronden. Een van de belangrijkste posten in Berlusconi's kabinet is daarom die van de minister van hervormingen.

Of dat tot louter opportunisme en het najagen van eigenbelang leidt, staat nog te bezien. De twee meest besproken wetten die in dit verband onder het huidige kabinet-Berlusconi in Italië zijn aangenomen, zijn de wet die het de gedaagde in een proces mogelijk maakt een rechtbank te wraken op grond van het reële vermoeden van politieke vooringenomenheid van die rechtbank en de wet die de onschendbaarheid regelt van de vijf belangrijkste ambtsdragers van de staat.

Beide wetten zijn in en buiten Italië afgeschilderd als schrijnende voorbeelden van Berlusconi's machtsmisbruik. Maar de wet op de onschendbaarheid werd ontworpen door een senator van links en lag al lang voor in het parlement, al van ver voor Berlusconi's aantreden.

In veel democratische landen bestaat zo'n wet: het belang van de staat wordt er op goede gronden hoger geacht dan dat van de individuele afrekening met een verdachte. De wet-Ciramu, die de laakbare vooringenomenheid van een rechtbank aanvechtbaar maakt, is weliswaar gemaakt en toegesneden op het geval-Berlusconi, maar raakt een veel dieper liggend probleem dan het zijne, namelijk de politisering van zowel de magistratuur als de rechtbank in Italië.

'De rode toga's', heten ze hier, en er zijn te veel pijnlijke voorbeelden van om Berlusconi's tirades tegen de Milanese rechtbank als klinkklare nonsens af te doen. Niet voor niets staat hervorming van de rechterlijke macht al jaren hoog op de agenda van zowel links als rechts in Italië - alleen maakt rechts er nu werk van.

De werkelijkheid is, anders gezegd, complexer dan de simplistische beschuldiging van rechteloosheid en rechtsverkrachting suggereert. Onmiskenbaar maakt de regering-Berlusconi gebruik van haar machtspositie, bestaande uit een meerderheid in het parlement - maar dat is eigen aan iedere regering.

In een aantal gevallen dient de uitoefening van de macht, op het gevaarlijke en in ieder geval verwerpelijke af, het belang van individuele leden van de regeringspartijen, dat van de ministerpresident voorop. Dat is iets wat bij een linkse regering natuurlijk nooit zou voorkomen.

Het vervelende is echter, dat niemand dat gelooft, zelfs de sprekers van de linkse politieke partijen niet. Toen Berlusconi eind verleden jaar de Rai, de publieke omroep, onder druk zette om twee presentatoren hun congé te geven, was de wereld te klein. En terecht: de regeringsleider hoort zich niet te bemoeien met de redactionele onafhankelijkheid van de media.

Maar toen, enkele dagen na het incident, de politieke bindingen van de redacteuren en presentatoren van de belangrijkste actualiteitenprogramma's openbaar werden gemaakt, verstarde de kritiek: vrijwel zonder uitzondering links georiënteerd en allemaal aangenomen en benoemd ten tijde van linkse kabinetten.

Nu kan het best zijn dat een binding met een linkse politieke partij iemand een betere journalist maakt of dat je, als je journalist bent, vanzelf wel links wordt, maar de meeste Italianen hebben toch de indruk dat de verklaring simpeler is. Berlusconi geeft zijn tegenstanders een koekje van eigen deeg, hij rekent af met de schijnheiligheid van zijn voorgangers. Dat levert zeker niet per se een goede of nobele politiek op, maar het maakt de kritiek op zijn optreden wel ongeloofwaardig.

Het is in Italië vrijwel dagelijks te zien aan de onmacht van de parlementaire oppositie, veelal hartstochtelijker in de weer met het vraagstuk wie die mag leiden dan met de concrete, beleidsinhoudelijke weerwoorden aan de regering. De werkelijke oppositie tegen Berlusconi en de bedreigingen die hij zou kunnen veroorzaken vindt buiten het parlement plaats. Het zijn de girotondini, de bezorgde burgers die keer op keer onder leiding van de filmmaker Nanni Moretti de straat opgaan, die een geloofwaardige oppositie kunnen voeren.

Niet voor niets is de voormalige leider van de linkse vakbond CGIL, Sergio Cofferati, sedert hij in november voor zichzelf is begonnen, dat wil zeggen: zich warm loopt om bij de volgende verkiezingen het leiderschap van links naar zich toe te trekken, sterk tegen deze beweging aan gaan schurken.

Toen de president van de Italiaanse nationale bank onlangs probeerde te analyseren waar de malaise in de Italiaanse economie aan te wijten was, wees hij op de geringe omvang van de ondernemingen: gemiddeld 6,9 werknemer per bedrijf. Italië is een land van kleine ondernemers, je kunt ook zeggen: van ondernemende mensen. Het ambacht en de zelfstandigheid staan er in hoog aanzien, de grote industrie heeft er maar enkele bedrijven.

Het is vooral onder die kleine ondernemers dat Berlusconi, zelf op een ondoorzichtige manier met niks begonnen, veel aanhang heeft. Het is ook die groep die zijn regering het eerst heeft bediend: generaal pardon voor geknoei met de belastingwetten, generaal pardon voor illegale bouwpraktijken. Dat zijn maatregelen waarbij vrijwel iedere Italiaan baat heeft gehad en ze zijn kenmerkend voor een politiek van schoon schip maken.

En niet alleen met de middenklasse, ook met de onderste klasse. Eind verleden jaar kondigde de regering-Berlusconi, tot grote woede van juist de vakbonden en de linkse politieke partijen, een generaal pardon voor de illegalen af: wie kon aantonen een plekje in de Italiaanse samenleving te hebben gevonden, een baantje en een dak boven zijn hoofd, mocht blijven. Dat bleken er 500 duizend te zijn, het aantal illegalen was tweemaal groter dan de regering in haar zwartste nachtmerries gevreesd had. Maar beloofd is beloofd en wie een formulier invulde kreeg een soort verblijfsstatus. Daarna moet er beleid worden geformuleerd.

En daar schort het aan. Om de nek van iedere Italiaanse premier hangt al tientallen jaren de molensteen van de hervormingen, die van het pensioenstelsel voorop. Die steen wordt zienderogen zwaarder. De afgelopen twee jaar heeft de regering-Berlusconi veel studie laten maken van de terreinen waarop hervormingen noodzakelijk zijn, van beleid is het veelal nog niet gekomen. Je kunt er vergif op innemen dat de twee lastigste, de pensioenen en de problematiek van de illegale immigratie, door de minister-president het komende halfjaar tot een Europese kwestie zullen worden gemaakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden