Sierra Leone graaft zich een ongeluk

Regeringsleger en rebellen in Sierra Leone vechten om diamanten, en niet voor het eerst. Al zeventig jaar beheerst het edelgesteente de politiek (met en zonder wapens) in het land....

'I am di killah.'

Een jongen is het, maar een gevaarlijke jongen. Door het open raam van de terreinauto kijkt hij ons grijnzend aan. Hoewel we het Krio, die pittige mengtaal van Sierra Leone, nauwelijks machtig zijn, begrijpen we zijn boodschap volkomen. Hij is de moordenaar, of we daarmee maar rekening willen houden. Natuurlijk, natuurlijk. Zijn verzoek om geld, eten, of minstens een van onze paar sieraden weten we af te slaan. Hij is immers niet gewapend vandaag, hij is enkel gedrogeerd. Met zijn vriendjes en zijn ene vriendinnetje bemant hij een der controleposten van de rebellen in het oosten van het land. En wij mogen door.

'Welcome to Disneyland Africa.' Ditmaal is het geen rebel, maar een militair van de vredesmacht Unamsil die ons op originele wijze begroet. Hij heet Loyd Jackson, is Canadees, en beleeft zijn laatste dag in Kenema, de plaats in het oosten van Sierra Leone vanwaar de vn contact probeert te krijgen met de rebellen in het diamantrijke noordoosten van het land. Als waarnemer maakt hij deel uit van het Koidu-team, zo genoemd naar het bolwerk van het ruf, het Revolutionair Verenigd Front. Jackson heeft zijn zes maanden erop zitten en wenst hier nooit meer terug te komen. Het ruf, zegt hij, 'is extreem wantrouwig tegenover alles en iedereen'. Een tocht op eigen gelegenheid naar Koidu is niet aan te bevelen.

Toch is dat het doel van de reis. Koidu is de hoofdstad van het district Kono. In dit gebied werden zo'n zeventig jaar geleden de eerste diamanten van Sierra Leone gevonden. Als al het geld dat met de stukjes koolstof kon worden verdiend in de schatkist van de overheid terecht was gekomen, had het land de afgelopen jaren zo'n 65 miljard dollar aan de eigen ontwikkeling kunnen besteden. Anno 2000 echter geldt Sierra Leone als het armste land te wereld. De diamanten, bron van enorme rijkdom, zijn vooral goed gebleken voor armoede en gewapende conflicten. Afrika graaft zich arm. Want wat voor Sierra Leone geldt, gaat ook op voor landen als Angola, Congo-Kinshasa en Liberia.

ruf-leider Foday Sankoh mag dan in juli 1999 een vredesakkoord gesloten hebben met president Tejan Kabbah, en tegenwoordig zelfs in de hoofdstad Freetown wonen, van een correcte uitvoering van het akkoord trekt hij zich niets aan. In de komst van de vn-macht Unamsil had hij sowieso geen trek. En ondanks smeken en soebatten bleef hij weigeren de vredesmacht toegang te geven tot de diamantgebieden. Koidu zit op slot. Zo is althans de praktijk. In theorie kan iedereen er heen. Er heerst nu immers, zo worden de rebellen eind april niet moe te onderstrepen, vrede in Sierra Leone.

En wat voor vrede. In een militaire tent aan de poort van de residentie van Sankoh in Freetown wordt de bagage minutieus doorzocht. Eenmaal binnen klinkt het 'welkom in de leeuwenkuil', een gemoedelijk bedoelde maar toch ietwat grimmige verwijzing naar de naam die de Portugezen het land ooit gaven: Sierra Leone, Leeuwenberg, zo genoemd naar de vorm van de heuvels op het schitterende schiereiland waarop Freetown ligt. Sankohs woordvoerder, Eldred Collins, is de gastheer. Hij is ons beschreven als een 'drugsverslaafde alcoholist, even gek en gevaarlijk als zijn baas'. Het is de tweede keer die dag dat we hem ontmoeten, en inderdaad, inmiddels staan de ogen een stuk minder helder dan vanochtend. Willen wij naar Koidu? Geen probleem? 'Jullie zijn vrij om te gaan. Wij staan niet toe dat iemand, wie dan ook, gemolesteerd wordt.' Een Sierraleoonse collega, werkend voor het radiostation Voice of the Handicapped, stelt de vraag toch nog maar eens. 'Ik heb een vriendinnetje in Koidu', zegt de blinde, scherpzinnige man. 'Kan ik haar gaan opzoeken?' Collins houdt hem voor dat de journalist, Atilla, getrouwd is. 'Ik heb een erg flexibele vrouw', reageert de collega. Hij piekert er overigens niet over naar Koidu te gaan.

Dan verschijnt ook Sankoh zelf. Hij gaat gekleed in een stemmig lichtpaarse bloes met streepje en bijpassende korte broek. Op zijn hoofd ontbreekt het wollen mutsje uiteraard niet. De man die medeverantwoordelijk is voor de dood van zeker 70 duizend Sierraleoners, de man op wiens bevel bij enkele duizenden burgers, volwassen en kinderen, armen en benen zijn afgehakt, die man lijkt vandaag in een rustige, nuchtere bui. 'Vuurt u er maar op los', zo leidt hij het vraaggesprek gepast in. Als we over diamanten komen te spreken, heeft hij het over 'waardeloze mineralen', zonder betekenis voor de ontwikkeling van zijn land. De Sierraleoners moeten uit vissen gaan, varkens hoeden, bomen planten, dan komt het allemaal goed, zo luidt zijn boodschap. Maar als we toch naar het diamantrijke Koidu willen? Dan kunnen we gaan, deelt hij mee, 'ik heb de zaak volledig onder controle'.

Dat is mooi. Toch hebben we graag een brief van het ruf, ondertekend door de grote baas zelf, waarin nog eens uitdrukkelijk wordt gesteld dat wij kunnen gaan en staan waar we willen. Ook die komt er uiteindelijk, al scheept woordvoerder Collins ons nog bijna een dag lang af met de mededeling dat in het huis van Sankoh, waar een grote generator staat opgesteld, geen stroom is en men dus niet in staat is 'de computer aan te zetten' om de tekst op officieel briefpapier van het ruf op te stellen. Bij het overhandigen van het papiertje kijkt Collins ons met een scheve glimlach aan. 'Heren, ik wens jullie veel succes.'

'Die brief', houdt Unamsil-soldaat Jackson ons in Kenema voor, 'is jullie diamant: de rebellen zullen een diepe buiging voor je maken als zij de handtekening van Sankoh zien.' We kunnen op pad.

'I am di killah.' Geen spoor van een diepe buiging bij de eerste controlepost van het ruf op de weg naar Tongo, een van de diamantgebieden. De brief zou zonder het beeldmerk van het RUF al snel waardeloos kunnen zijn: niet elke rebel kan lezen. Een voordeel daarvan is dat een Britse collega, die met ons is meegekomen, geen strobreed in de weg wordt gelegd. Zijn naam komt niet voor op de brief, maar dat valt de meeste rebellen niet eens op.

Ruim anderhalf jaar is geen enkele onafhankelijke waarnemer het diamantengebied van de rebellen meer in geweest. Onze komst wekt verbazing, soms wat onaangename verwarring, maar is ook goed voor een naar omstandigheden zeer ontspannen onthaal.

In Tongo houden de rebellen kwartier in de vroegere verkeerstoren van het lokale vliegveldje. Zoals de startbaan geen asfalt meer kent, zo zijn in de toren alle ramen al lang geleden uit de sponningen geschoten. Commandant Banya, een 30-jarige rebel en een van de weinigen in het stadje die openlijk een wapen dragen, gaat ons voor op zijn brommertje, dat als kenteken eenvoudig de letters ruf draagt. Eenmaal in de toren, en voordat we in kleine optocht door de straten zullen gaan, buigen de hoofden van de rebellen zich voor een gebed. Want diep gelovig, islamiet of christen, zijn ze allemaal: 'Vader, moge gerechtigheid zegevieren. Wij danken U voor de komst van onze broeders van de internationale gemeenschap.' Die broeders, dat zijn wij. Het is wennen aan de nieuwe rol.

Zoals overal in Sierra Leone is het heet en vochtig in Tongo. Commandant Banya, strak in het zwart gekleed, brengt ons naar de schaduw van het ruf-partijhuis, waar de 'broeders van de internationale gemeenschap' de geregisseerde klaagzangen aanhoren van de bevolking. 'We hebben geen eten, geen medicijnen, geen onderdak.' Burgers en rebellen zeggen beiden niet te begrijpen waarom internationale hulporganisaties zich in de regio almaar niet vertonen. Er is toch vrede, het is toch veilig? En aan diamantwinning doet men overigens niet. Niet in het ruf-partijhuis althans. Buiten op straat sjokken de mannen en jongens met hun schoppen en zeven op weg naar de diamantmijnen bij de Tongo-rivier.

De volgende dag gaan we dan toch echt op pad naar Koidu. De weg is bar slecht, en dat terwijl het regenseizoen nog moet beginnen. Commandant Tamba, die zo vriendelijk is mee te reizen en ons langs de controleposten te loodsen, onderwijst in de auto de flinterdunne politieke ideologie van het ruf. 'We geven de vrede een goeie kans', legt hij uit, 'maar als het verrotte politieke systeem niet verandert, trekken we opnieuw ten strijde.' Dat het ruf zelf grote schuld draagt aan het verrotte systeem, zegt hij er niet bij.

Na alle geruchten die in Freetown over Koidu te beluisteren zijn, heeft de stad voor ons bijna mythische proporties aangenomen. De aankomst is dan ontnuchterend. We worden welkom geheten door 'commandant Six Foot', een inderdaad lange kerel die eindeloos stuntelt met zijn bril, waarvan de pootjes steeds hun eigen weg gaan. Dit is The

Heart of the Matter, zoals Graham Greene zijn roman van ruim vijftig jaar geleden over Sierra Leone noemde. 'Deze plek', had Unamsil-woordvoerder Philip Winslow ons in de hoofdstad voorgehouden, 'is met geen pen te beschrijven.' Daarbij doelde hij op Sierra Leone in zijn geheel. Voor Koidu is de poging mogelijk de moeite waard.

De stad biedt de aanblik van een maanlandschap. Overal langs de hoofdweg staan honderden, zo niet duizenden mannen te wroeten in de grond. Hier komen de diamanten vandaan die het ruf grotendeels via Liberia naar buiten smokkelt; hier wordt het geld verdiend waarmee de rebellen zich kunnen voorbereiden op een nieuwe, bloedige oorlog. Alles en iedereen in de stad staat ten dienste van de diamantwinning. Voormalige kindsoldaten trekken onder gewapende begeleiding de mijnen in, een schop over de schouder, een zeef voor het 'wassen en schudden' van de diamanten in de hand. Jaren van oorlog hebben enorme verwoesting aangericht. In de huizen waarvan enkel nog de muren overeind staan, zoals in de wijk waar vroeger de Libanese diamanthandelaren woonden, worden nu zelfs de vroegere woonkamers omgespit, op zoek naar diamanten. Het is een stad die rijker zou kunnen zijn dan Antwerpen en Amsterdam, de twee centra van de diamantverkoop, bij elkaar. In plaats daarvan ontbreekt het in Koidu aan bijna alles, behalve aan ruwe diamanten en aan al even ruwe leden van het RUF, die de burgerbevolking volkomen in hun macht hebben. 'Hier worden geen diamanten gewonnen', wordt ons kort na aankomst voorgehouden. Het is alsof iemand zegt dat op Manhattan geen enkele wolkenkrabber staat.

Brigade-commandant kolonel Lansana Conteh is de ruf-man die verantwoordelijk is voor alle veiligheidszaken in Koidu. Wij zullen in zijn huis logeren. Aanvankelijk lijken we ook redelijk welkom. Totdat tot hem doordringt wat het betekent om journalisten op bezoek te hebben, mensen die schrijven en fotograferen. 'You guys snap-snap too much', is al snel zijn oordeel over het camerawerk. Langzaam begint zich het net om ons te sluiten. We hebben Koidu bereikt. Of en wanneer we er weer weg komen, wordt steeds onduidelijker. 'Oh life', zingt kolonel Conteh maar weer eens. Het in Sierra Leone zo populaire lied klinkt uit zijn mond eerder vermoeid en knorrig, dan vitaal. Hij is niet echt dol op het bezoek, al doen we nog zo veel moeite hem voor onze komst in te nemen. We schmieren 's avonds op zijn veranda Ketelbinkie en The Streets of London, vragen hem wanneer het schattige rode peertje in het plafond voor het laatst stroom heeft gehad ('tien jaar geleden') en zwijgen, onder de indruk van een tropische regenbui die het dekzeil laat flapperen boven de wrakkige auto, met het (verkeerd gespelde) opschrift Death Squard, die bij Conteh voor de deur staat geparkeerd. De stemming blijft uitermate ongemakkelijk.

Verwoeste ziekenhuizen zullen we fotograferen, vindt Conteh, de markt waar mensen van niets toch iets proberen te maken, en boeren die na jaren als vluchteling zijn teruggekeerd om hun akkers weer te bebouwen. Het snap-snappen van de diamantmijnen blijft streng verboden. Als we de volgende ochtend de zaak willen aankaarten bij veldcommandant Issa, een generaal van 28 jaar oud, moeten we eerst wachten tot hij van de zondagse kerkdienst is teruggekeerd. Issa zegt blij te zijn met onze komst als vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap. 'Onze mensen hebben vrede nodig', meent hij, 'wij vormen geen enkel obstakel op de weg naar vrede, my brother.'

Over het werk van een fotograaf laat hij zich niet uit. Dat is een zaak van kolonel Conteh, de man die in een minuut tijd zo'n drie keer van stemming wisselt en daarmee behalve zijn wispelturigheid ook zijn mogelijke dreiging bewijst. Conteh heeft dan via de militaire radio al zijn ongenoegen kenbaar gemaakt over bezoekers die 'veel problemen' bezorgen. Het net sluit zich definitief als plotseling aan het raam van onze terreinauto een stevige kerel verschijnt die zich enkel wenst voor te stellen als the guerrilla, een belangrijk ruf-lid uit de hoofdstad Freetown. Hij wijst naar onze Sierraleoonse chauffeur al-Hussaini: 'Meneer, u bent de chauffeur van Hassan Hashim, een Libanese diamanthandelaar uit Kenema, klopt dat?' De stomverbaasde man kan het niet ontkennen. The guerrilla kijkt hem nog eens aan en glimlacht dan in onze richting. Hij bedoelt maar: wij zouden wel eens helemaal geen journalisten kunnen zijn, maar ordinaire diamantjongens die in Koidu hun slag denken te slaan. In dat geval, zo maakt the guerrilla zonder woorden duidelijk, heeft hij ons helemaal door.

Wij voelen niet langer de behoefte hem of wie dan ook in Koidu tegen te spreken. De volgende ochtend om half zeven weigeren we beleefd mee te roken van de Malinese drugs waarmee jonge ruf-rebellen zich volroken bij gebrek aan goed voedsel. Ook laten we ogenschijnlijk zonder een krimp te geven over ons heengaan hoe dezelfde knapen een jongetje, met een bordje eten op zijn hoofd, dwingen het zo kostbare maal op de grond te smijten omdat hij vergeten is direct af te rekenen. Wij danken al onze gastheren beleefd en uitvoerig, maar moesten nu toch heus weer eens verder.

Uiteindelijk komt daarvoor de toestemming. Oh life.

Afrika graaft zich arm; Sierra Leone spit zich letterlijk een ongeluk. De diamantgebieden in het Kono-district zijn niet de enige in het land. Ook in delen die onder controle staan van de regering-Kabbah zakt het bodempeil gestaag door alle graafwerkzaamheden. De opbrengst van een ruwe diamant is pakweg tien procent van de prijs die wij in het Westen betalen voor 'het juweel' dat we onze partner cadeau doen. De diamantgravers zelf verdienen nauwelijks genoeg om aan eten te komen voor zichzelf en hun families. Dit gegeven is nog bitterder voor wie weet dat de laag grond die wordt weggespit om uit te komen bij de gravel waarin de diamanten zich kunnen bevinden, van zichzelf zeer vruchtbaar is en gebruikt zou kunnen worden voor de teelt van rijst en andere gewassen.

Aan de oevers van de Sewa-rivier, tussen de plaatsen Bo en Kenema, krijgen we eindelijk de tijd en ruimte om de 'mijnwerkzaamheden' te aanschouwen. Een wandeling van zo'n drie kwartier over een smal junglepad brengt ons in Baoma, een gebied dat niet in handen is van het ruf. Hier zijn complete families, dus ook de vrouwen en ook de kinderen, aan het werk om in opdracht van landeigenaren met graaflicenties en de Libanese tussenhandelaren de diamanten te zoeken en het residu van stofgoud boven de grond en boven het water te halen. Op de rivier liggen tientallen uitgeholde boomstammen, die dienstdoen als bootjes. Op sommige van die vaartuigen wordt een kleine generator meegezeuld die wordt omgetoverd tot compressor en daarmee tot zuurstofapparaat (met een ongezond hoog stikstofgehalte). Een dunne slang leidt van de generator naar de mondhoek van een diamantduiker. Deze heeft als uitrusting verder enkel een emmer en een loden band om het middel, laat zich naar de bodem van de rivier zakken, gaat daar wijdbeens zitten en schept emmer na emmer vol met het diamanthoudende gravel. Een ruk aan het koordje en de emmer wordt binnenboord gehaald. Sommige duikers blijven zo wel anderhalf uur onder water. Als zij boven komen, steken zij onmiddellijk een brandende sigaret tussen de natte lippen, als kon de dood hun niet snel genoeg komen. Duikers zonder slangetje en generator halen diep adem en haasten zich om binnen een paar minuten een emmer met gravel vol te krijgen.

'Het is een spel, een gok', zegt Mohammed Kamara. 'Ik kan winnen, ik kan verliezen. Als ik win, kan ik in korte tijd veel geld verdienen.' Kamara is de eigenaar van een plot aan de andere oever van de Sewa. Zijn gravers, het zijn er vele tientallen, zijn inmiddels zeker vijftien meter diep de grond in gegaan. Met mandjes wordt het gravel naar boven gebracht. Een letterlijk huizenhoge stapel gravel ligt klaar voor het zeefwerk van de volgende dag. Met enig geluk komt er een minuscule ruwe diamant uit te voorschijn, goed voor misschien wel vijfhonderd gulden. Veel geluk heeft hij nog niet gehad.

In de plaats Kenema staan de winkelborden van de Libanese families Jawad, Bittar, Jaward, Hashim en anderen. De diamanthandelaren, die ook elektronica verkopen, plus natuurlijk de schoppen en zeven voor het echte werk, zeggen aanvankelijk graag bereid te zijn over hun nering te vertellen. Maar ook zij besluiten uiteindelijk dat het te gevaarlijk is met journalisten te praten. Logisch, omdat een aantal van hen ondanks hun licenties verdacht wordt van illegale praktijken. Niet dat daartegen veel te doen valt. De assistent-directeur van het Mines Monitoring Office in Kenema, Edward Sandy, vertelt dat hij 'niet eens een brommertje' heeft om de diamantgebieden af te gaan. 'Hoe zouden wij hier de zaak kunnen controleren?'

Dus hebben diamantzoekende en moordende rebellen zo goed als vrij spel. En ook dwaze vrijbuiters, zoals de 53-jarige Amerikaan 'Greg', een Vietnam-veteraan, die na lang zeuren en veel smeergeld betalen zijn licentie in de wacht heeft gesleept. Hij heeft mensen ingehuurd om voor hem naar diamanten te duiken. Nog een maand, want daarna zal het water in de rivier door het regenseizoen te hoog staan. Wat maakt het dan de moeite waard? Greg trekt de mondhoeken omhoog en laat zijn slechte gebit zien: 'Ik hoop tegen die tijd genoeg te hebben verdiend om twee nieuwe tanden aan te schaffen.' Hij zegt het zonder een spoor van ironie.

Vertel het niemand. Ook niet het Sierraleoons jongetje van een jaar of vier dat eerder op onze tocht als een blind paard voor de terreinauto uit holde. Dacht hij dat wij de diamantzuchtige rebellen waren? Dezelfden die zijn moeder, zijn vader, zijn broertjes en zijn zusjes hadden vermoord? Dat wij hem nu kwamen halen? Uiteindelijk gooide hij zich tegen de bermwand aan en keek ons na met veel te grote kinderogen. Ogen vol angst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden