Siegfried

Harry Mulisch is een fenomeen waarop de kritiek geen vat heeft. Bezwaren tegen de stijl of het geringe intellectuele gehalte van zijn werk stuiten af op het feit dat de schrijver zijn tekortkomingen keer op keer ruiterlijk toegeeft: nee, mooie zinnen schrijft hij niet, en het genre dat hij beoefent...

De recensenten houden zich over het algemeen goed aan de leeswijzer die Mulisch zelf heeft opgesteld. Ook al zijn ze het gewoonlijk eens met zijn eigen kritiek op stijl en inhoud, het zit hun geloof in Mulisch' grootheid niet in de weg. Bij het verschijnen van de roman Siegfried treedt dat fascinerende mechanisme opnieuw in werking.

Vooral Menno Schenke (Algemeen Dagblad) bewondert het boek zeer kritisch: in stilistisch opzicht overtuigt Siegfried niet en het boek is 'als je er langer over nadenkt, behalve spannend en lekker gecompliceerd ook een beetje flauwekul. Dat geldt vooral de filosofische gedachtenlijn over het Niets.' Maar goed, Siegfried is toch 'een prikkelende ideeënroman'.

Max Pam (HP/De Tijd) toont enige vertedering; in Siegfried spreekt 'een auteur aan het eind van zijn leven, een dolgedraaide auteur die zich nog één keer wil laten gaan'. Niettemin, 'voor iedereen die zich wil laten meeslepen door een onzinnig gedachte-experiment, is dit een schitterend boek'.

Hans Warren (GPD-bladen) schrijft zuchtend over de 'rimram' die we van Mulisch 'maar al te goed kennen', maar vindt wel dat Mulisch boeiend schrijft over zijn alter ego Herter en daarmee over zichzelf: 'Een van de aardigste kanten van Siegfried - eerder een ontspannen tussendoortje dan een werk om veel ophef over te maken - is dat je de roman kunt zien als een zelfportret.'

Er zijn ook recensenten die van kritiek op stijl en rimram niets willen weten. Volgens Jan Paul Bresser (Elsevier) komt Siegfried uit het 'soevereine laboratorium van Mulisch'. Jeroen Vullings (Vrij Nederland) gaat nog een stap verder in zijn geestdrift: Siegfried is een roman 'op eenzame, afgrondelijke hoogte'. Maar Vullings meet vervolgens zijn bewondering zo breed uit dat je halverwege de recensie - daar waar het gebruik van een cliffhanger als bewijs geldt voor 'het ultieme gemak' waarmee Mulisch schrijft - toch het bange vermoeden bevangt met een satire van doen te hebben.

De enige die nog een poging doet om Mulisch' theoretische verhandelingen serieus te nemen is Monica Soeting (de Volkskrant), die de schrijver vertwijfeld op de inconsequenties in zijn poetica wijst. Bij haar slaat de kritiek niet om in bewondering: 'Tenzij Mulisch Siegfried als één grote grap bedoeld heeft, is het onbegrijpelijk dat dergelijke borrelpraat voor het bewijs van Herters uitzonderlijke wijsheid moet doorgaan.'

Is het boek in zijn opzet geslaagd? Een antwoord op die vraag, meent Soeting, is vooral afhankelijk van geloof in het genie van de auteur. 'Wie Mulisch als überragender Ausnahmemensch beschouwt, zou dat kunnen denken. Lezers met een voorliefde voor laat twintigste-eeuwse opvattingen over de rol van de kunstenaar zullen daartoe minder geneigd zijn.' De recensenten, kortom, bespreken geen tekst maar zien zich geconfronteerd met een geloofssysteem. Een ieder die blijk geeft van lichte twijfel wordt door de aanhang gezien als een 'verstokte Mulisch-hater'. En andersom, schrijft Menno Schenke, 'zullen er veel lezers zijn die deze roman zullen verketteren omdat zij weigeren mee te gaan in Mulisch' gedachtenspinsels.'

Geloven of verketteren? Gelukkig hoeven we ons bij het maken van die keuze geen zorgen te maken over het effect op Mulisch zelf. In een interview in NRC Handelsblad zegt hij blij als altijd: 'Lezers kunnen me niets schelen.'

That's the spirit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.