Siciliaan trotseert almachtige maffia

Bang? Ja, natuurlijk is hij bang. ‘Maar ik weet mijn angst te sturen’, zegt Vincenzo Conticello. ‘Het stopt me niet. Integendeel, ik reageer juist met tegenacties.’

De vraag was of Conticello inderdaad zo’n sterk persoon is als hij lijkt. Of hij echt helemaal geen angst kent. Want hoe ongeremd deze zakenman spreekt over de cosa nostra, is zacht gezegd nogal ongebruikelijk. Hoe hij handelt, is zelfs uniek – bloedlink ook trouwens, in een stad als Palermo.

Conticello zegt nee tegen de pizzo.

Al bijna vier jaar weigert de 48-jarige Palermitaan beschermgeld te betalen aan de maffia. Dat is abnormaler dan het lijkt. Vrijwel alle ondernemers op Sicilië worden afgeperst, en van hen trekt 80 procent de portemonnee voor de ‘hulp’ en ‘protectie’ van ’s werelds bekendste misdaadorganisatie, blijkt uit onderzoeken. Het zijn cijfers die het Zuid-Italiaanse eiland nog steeds tot de maffiaregio van Europa maken.

Maar Conticello liet zijn afpersers weten dat zij konden ophoepelen. En hij is niet meer de enige.

‘Op 25 november 2005 kwamen ze voor het eerst’, zegt de eigenaar van Antica Focacceria San Francesco, een bekende broodjeszaak die al 165 jaar een belangrijk trefpunt vormt in La Kalsa, een beruchte maffiawijk in Palermo met nauwe straatjes waar je het wasgoed aan de balkons bijna kunt aanraken. ‘Een man kwam namens een aantal vrienden vertellen dat ik aan de regels moest voldoen. Zo zeggen ze dat meestal: dat je aan de regels moet voldoen.

‘Er waren vier maanden van waarschuwingen aan voorafgegaan: auto in brand, ruiten ingegooid, auto’s van klanten beschadigd. Die vernielingen zouden stoppen als ik maandelijks 500 euro zou betalen. Maar ik zei dat ik geen bescherming nodig had, dat ik prima voor mezelf kon zorgen. En daarna deed ik aangifte bij de politie.’

Niet alleen dat: vijf maanden na de eerste pizzo-eis zat Conticello in de rechtbank pal tegenover zijn afpersers, en getuigde hij persoonlijk over hun misdaden. De rechtszaal zat ook nog eens vol met tientallen jongeren die de zakenman openlijk steun betuigden. ‘Dat was de eerste keer dat zoiets gebeurde’, benadrukt Conticello. ‘Vroeger waren er tijdens processen tegen maffiosi uitsluitend familieleden van de verdachten in de rechtbank. Nu was het bijna omgekeerd. Dat geeft je mentaal enorm veel steun.’

Er is iets gaande op Sicilië. Geen Siciliaan zal spreken over een ‘revolutie’ of ‘een nieuwe lente’, maar toch: de houding van de bevolking tegenover de almachtige cosa nostra lijkt te veranderen. Klassieke taferelen van zwijgzame oude mannen die op uitgestorven dorpspleinen hooguit vertellen dat de maffia een verzinsel is, komen steeds minder voor. De maffia bestaat, en de bevolking durft haar openlijk te bekritiseren.

‘We verslaan de cosa nostra alleen als iedereen meedoet’, galmt het over het statige binnenplein van de neoclassicistische gemeentebibliotheek van Palermo. Er klinkt luid applaus. Officier van justitie Maurizio De Lucia geeft een publiekelijk inkijkje in de wereld van de georganiseerde misdaad. Aanleiding is het boek Il Cappio (De Strop), dat De Lucia met journalist Enrico Bellavia schreef over de rol van smeergeld en pizzo in de Siciliaanse samenleving.

Om de hoek

Forse kerels met kogelvrije vesten en nauwelijks verholen schiettuig tussen de broekriem, bewijzen dat het hier nog lang geen normaal ontspannen samenzijn betreft; de maffia woont in deze stad letterlijk om de hoek. Toch zijn op deze snikhete juli-avond meer dan tweehonderd Palermitanen naar de boekpresentatie gekomen. ‘Zeer verheugd’ is De Lucia over de grote opkomst, omdat deze aangeeft dat de tijden veranderen.

‘Een deel van de samenleving accepteert de maffia niet meer’, zegt de officier van justitie die het voorbije decennium in Palermo voorop ging in de strijd tegen de georganiseerde misdaad. ‘Voorheen was de maffia hier de baas. Iedereen boog het hoofd uit respect voor de boss. Maar dankzij de jongeren van Addiopizzo zijn er nu organisaties die zich tegen afpersing keren en een cultuur van wettigheid proberen te verspreiden.’

De jongeren van Addiopizzo: tot in de uithoeken van Sicilië staan zij inmiddels bekend als de verantwoordelijken voor ‘de kleine hoopvolle verandering’ die het eiland doormaakt. Hun organisatie (vrij vertaald: ‘Vaarwel protectiegeld’) ontstond zoals je dat eerder in speelfilms zou verwachten. Een stel maatschappelijk betrokken vrienden, twintigers nog, drinkt zich in 2004 een weg door de avond en bediscussieert onderwijl de uitwassen van de mondialisering en de geldverslindende bijeenkomsten van de G8 – totdat iemand de vraag stelt hoe het eigenlijk zit met de economische misstanden in hun eigen achtertuin.

Vrijwel heel Palermo bleek onderworpen aan maffiose chantage – zonder dat iemand tegenstand bood. De vriendenclub besloot tot actie: ze plakten ’s nachts de stad vol met stickers waarop de frase stond die heel Sicilië inmiddels uit het hoofd kent: ‘Een heel volk dat beschermgeld betaalt, is een volk zonder waardigheid.’

De Italiaanse en buitenlandse media brachten het initiatief als groot nieuws, en voordat ze het wisten bestierden de antiglobalisten de eerste burgerorganisatie die de Sicilianen met concrete plannen weet te overtuigen dat de strijd tegen de maffia geen verloren moeite hoeft te zijn.

‘Wij bieden vooral het gevoel dat je er niet alleen voor staat’, zegt de 21-jarige filosofie-studente Veronica Chifari van Addiopizzo. ‘Dat is zeer belangrijk. In het verleden zijn mensen vermoord, omdat zij in hun verweer tegen de maffia door de samenleving volstrekt aan hun lot werden overgelaten. Wij gaan letterlijk langs de deur, vooral van ondernemers. Wij nodigen hen uit om de pizzo af te wijzen en, zoals Vincenzo Conticello van de Antica Focacceria, de afpersers aan te geven. Daarbij bieden wij psychologische hulp en juridische steun met pro deo advocaten.’

Tegelijkertijd spreekt Addiopizzo rechtstreeks de burgers aan; wie de grootschalige misdaad wil uitroeien, zal zijn boodschappen zoveel mogelijk moeten doen bij winkeliers die geen pizzo meer betalen. De lijst met moedige weigeraars, die Addiopizzo op zijn website bijhoudt, telt na vijf jaar bijna 400 ondernemers. Sinds 2007 hebben 19 zakenlieden hun afpersers aangegeven; goed voor juridische aanklachten tegen 79 maffiosi.

‘Percentueel gezien zijn dat er nog heel weinig’, geeft Veronica Chifari toe. ‘Maar hun aantal groeit wel. In de periode voor 2007 deed jaarlijks hooguit één winkelier aangifte.’

Beruchte bloedbaden

Vriend en vijand zijn het erover eens dat deze nieuwe hang naar wettigheid voortvloeit uit drie beruchte bloedbaden van de cosa nostra. Begin jaren negentig vielen daarbij twaalf doden, onder wie textielondernemer Libero Grassi (die zijn afpersers weigerde te betalen), en de beroemde antimaffiarechters Giovanni Falcone en Paolo Borsellino (die nauwe banden hadden ontdekt tussen maffia en politiek).

‘Deze slachtingen hebben ertoe geleid dat de staat met de grootst mogelijke repressie ging optreden jegens de cosa nostra’, zegt Italiës hoogste antimaffiaprocureur Pietro Grasso in de Palermitaanse gemeentebibliotheek, waar vijf gewapende lijfwachten een hermetische kring om hem heen vormen.

Belangrijke maffiabazen als Totò Riina, Bernardo Provenzano en Salvatore Lo Piccolo verdwenen dankzij voortvarend politieoptreden in het gevang, waardoor het hoogste bestuursorgaan van de cosa nostra (de Cupola of Koepel) nu feitelijk is opgeheven.

‘Dat heeft de burgers op Sicilië enig vertrouwen gegeven’, zegt Grasso, ‘en dat heeft ook geleid tot initiatieven als Addiopizzo. In die zin is de houding van de Sicilianen ten opzichte van de cosa nostra anders dan die van de inwoners van Napels en omstreken tegenover de camorra. Daar verkeert de strijd nog in de beginfase.’

Desondanks durven velen nog niet te spreken van een ommezwaai. ‘Het glas is half vol of half leeg, al naar gelang je instelling’, zegt filosoof Augusto Cavadi, terwijl hij zijn scooter soepel door de drukke straten van Palermo stuurt. ‘Dertig jaar geleden vielen hier honderd maffiadoden per jaar, nu wordt bijna niemand meer vermoord. Toch zegt dat niet alles. De relatieve rust kan juist betekenen dat het niet nodig is te moorden, omdat het met de maffia zeer goed gaat.’

De cosa nostra kan volgens kenners alleen tegenstand worden geboden, indien burgers geen reden meer hebben om de hulp van de criminele megaholding te accepteren. ‘Pas als de Italiaanse staatsinstituties echte interesse tonen, kan het ergens toe leiden’, zegt Giuseppina Maisano, weduwe van de vermoorde textielondernemer Libero Grassi na de boekpresentatie in hartje Palermo. ‘Maar als je ziet dat iemand als Marcello Dell’Utri (rechterhand van premier Berlusconi, veroordeeld wegens banden met de maffia, red.) nog steeds in de politiek zit, dan zijn we toch gek geworden? Dan kun je toch geen vertrouwen in de staat hebben?’

Precies om die reden ontbreekt de eigenaar van een autoverhuurbedrijf in Palermo nog steeds op de lijst van Addiopizzo. ‘Natuurlijk voel ik dezelfde woede over de cosa nostra als anderen’, zegt de zakenman die anoniem wil blijven. ‘Maar ik weet ook dat ik grote risico’s neem als ik weiger beschermgeld te betalen. Kijk naar Vincenzo Conticello van de Antica Focacceria! Iedereen kende hem als een vrolijke, opgewekte man. Daar is nu niets van over.’

Vincenzo Conticello erkent: sinds hij getuigde tegen zijn afpersers, gaat hij met drie lijfwachten door het leven, zijn kat werd gedood, zelf ontving hij een aantal doodsbedreigingen.

‘Mijn leven is ingewikkeld geworden’, zegt hij. ‘Een fietstochtje met vrienden of gewoon een wandelingetje maken is niet meer mogelijk. Dat is de prijs die ik ervoor betaal. Maar het is de enige manier waarop je hierop kunt reageren. De prijs zou veel hoger zijn geweest als ik die pizzo wel had betaald: dan zou ik slaaf zijn geworden van de cosa nostra.’

Giuseppe Scaduto, een van de ruim 100 opgepakte maffiosi (AP)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.