Sexy antwoord op tuttigheid

Antoine Watteau was gegrepen door muziek en haar uitvoerders, maar zijn weelderige taferelen gedijen het best in stilte.

Antoine Watteau: de muziekles


Bozar, Brussel, t/m 23/5. bozar.be


Volgens Georg Wilhelm Friedrich Hegel - altijd riskant om een stuk mee te beginnen - was muziek de ultieme kunstvorm. De filosoof achtte artistieke disciplines hoogwaardiger naarmate zij een abstracter en dus meer filosofisch karakter hadden. Derhalve stond muziek soeverein aan de top van zijn pikorde, vóór de dichtkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst en, kansloos in de degradatiezone, architectuur.


Die theorie is flauwekul, dat weet u, dat weet ik, en toch valt er iets te zeggen voor de superioriteit van muziek. Zij heeft een universelere en directere toegang tot de emoties van het publiek dan andere kunsten. Misschien dat er daarom nogal wat schilders zijn geweest die in verf de ervaring van muziek probeerden te evenaren (Kandinsky) of een obsessieve belangstelling aan de dag legden voor muzikanten.


Antoine Watteau: de muziekles in museum Bozar, Brussel is een tentoonstelling in die laatste categorie: een schilder gegrepen door muziek en haar uitvoerders.


Antoine Watteau (1684-1721) was de belangrijkste Franse schilder van de 18de eeuw. Hij was een tijdgenoot van Bach, Händel, Couperin en Scarlatti (Alessandro). Zijn biografie is schimmig. De details over zijn leven zijn spaarzaam. We weten dat hij een zoon was van een dakdekker uit Valenciennes, toen nog Spaans-Nederland, en dat hij op z'n 18de naar Parijs vertrok voor een carrière als schilder. Voorts won hij de tweede prijs voor de Prix de Rome en was hij lid van de prestigieuze Académie. Hij kon lastig zijn. Biografen reppen van een prikkelbaar karakter. Wat vaststaat: zijn zwakke gestel. Op zijn 37ste overleed hij aan tuberculose.


Tijdens de vier decennia van Watteaus leven voltrok zich in de Franse cultuur een cruciale omslag. Lodewijk XIV stierf, de adel verplaatste zich van Versailles naar Parijs, de salon deed zijn intrede als sociale ontmoetingsplaats. Machtsverhoudingen verschoven en de kunsten schoven mee. In de klassieke muziek kregen de grote tragedies en balletten concurrentie van kleinere producties: de eenstemmige cantate begeleid door fluit, viool, discantgamba: kamermuziek. In de schilderkunst: het historiestuk van het landelijke tafereel. Het werd allemaal wat intiemer, verfijnder, vertrouwelijker, meer toegesneden op de menselijke maat. En tuttiger - dat werd het ook.


Watteaus belangrijkste wapenfeit in deze culturele omslag: het bedenken van een nieuw genre, het zogenoemde fête galante. U kent deze doeken: kleine, gedetailleerd geschilderde voorstellingen waarop een Fellini-achtige cast - aristocratische vrouwen, personages uit de commedia dell'arte, muzikanten - in een park verwikkeld zijn in een of andere festiviteit. De schilderijen hebben iets weemoedigs. Ze ademen een Nijhoff-achtige droefenis die je niet snel associeert met de frivole en behaagzuchtige sfeer van de 18de eeuw. Bekijk ze een tijdje en je wordt bevangen door een raar soort tijds-hoogtevrees. Watteau kan onder je huid kruipen.


In Brussel smaak je dat genoegen, maar niet vaak. Van de honderdenzoveel kunstwerken zijn er slechts vijftien echte fêtes galantes. De rest bestaat uit wat je met kwade wil secundair materiaal kunt noemen. Schetsen, vormstudies, een heleboel etsen naar Watteau door Boucher, Tardieu, Audran en Cars en andere bewonderaars, muziekinstrumenten (een viola da gamba, een klavecimbel) en bladmuziek. De selectie is minder willekeurig dan ze lijkt. De objecten zijn zetstukken in een doortimmerd kunsthistorisch en musicologisch betoog. Centrale stelling: muzikanten speelden in Watteaus kunst altijd een meer dan decoratieve rol.


Daar wil je wel aan. Niemand stak meer tijd en moeite in het doorgronden van de houdingen en gezichtsuitdrukkingen van muzikanten dan Watteau. Niemand ook beheerste die houdingen en die uitdrukkingen uiteindelijk beter dan hij. De opbollende wangen van de fluitist, de wiegende houding van een gitarist, de gekromde vingers, de concentratie - Watteau zag het, schetste het en nam het op in zijn fêtes galantes. Zijn muzikanten hadden een esthetische én een verhaaltechnische functie. Denkt u zich in: Watteau was een sexy schilder, hij wilde iets zeggen over erotiek en verleidingskunst, over versieren en versierd worden, stuk voor stuk abstracte noties die zich enkel laten verbeelden door middel van stoffelijke dingen. Door middel van mensen, bijvoorbeeld. Óf muziekinstrumenten.


Een doek waarop je dat mooi ziet is De verleider (de titels zijn na Watteaus dood toegekend door zijn verzamelaars), geschilderd tussen 1712 en 1714, olieverf op koper. Het tafereel is typisch Watteau: een mysterieus landschap, half decor, half natuur, zandweggetje, ruïne, in het geboomte wordt het al schemerig. In dat mysterieuze landschap: twee zittende vrouwen met geplooide jurken en gestijfde kragen. Naast hen een gitarist. Die gitaar is verhaal-technisch onmisbaar. Zonder hem zou je kijken naar twee vrouwen en een kerel in een parkje. Nu zie je een 18de-eeuwse pick-up. Er is betekenis toegevoegd. Een impressie is een verhaal geworden.


In Brussel worden hier nóg een paar lagen aan toegevoegd. William Christie, muziekdirecteur van het muziekensemble Les Arts Florissants gespecialiseerd in barok-muziek en medecurator van de expositie, selecteerde een muzikale begeleiding van tijdgenoten van Watteau, variërend van sonates van Vivaldi tot cantates van Montéclair. Ook is er een audiotour met onder meer fragmenten uit de Watteau-novelle van Pierre Michon. Het zijn genereuze, allervriendelijkste gestes, die je tegelijk prima kunt missen. Op z'n best leren ze je mooie, nieuwe componisten kennen; op z'n slechtst verstoren ze Watteaus mysterieuze, intieme sfeer. Klassieke muziek is de ultieme kunstvorm, vooruit; maar deze schilderijen gedijen het best in stilte.


Antoine Watteau: de muziekles is niet alleen een tentoonstelling, het is óók een diplomatieke missie. Zij haalt de culturele banden aan tussen België en Frankrijk en kan dientengevolge bogen op flinke namen onder de voorwoorden in de catalogus. Wij noemen een François Hollande, president van de Franse Republiek; een Elio di Rupo, eerste Minister van België; een Laurette Onkelinx, Minister van Sociale zaken. Boven die eerste naam lezen we dat de tentoonstelling een exposé is van 'het edelste wat een cultuur te bieden heeft: het vermogen om via de kunst volkeren dichter bij elkaar zal brengen.' Een waar hoogstandje van de speechschrijvers aan het Élysée. Chapeau!


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden