Sex en geweld gebracht in de stijl van MTV

'Exit Groningse universiteit - men hoort Hermans' satanisch lachje door de bladzijden heen,' schreef T. van Deel afgelopen vrijdag in Trouw....

Was het zo erg? Dat 'Groningen' Hermans tot het laatst moet hebben beziggehouden, liet ook Arnold Heumakers in de Volkskrant niet onvermeld en misschien kun je Ruisend gruis maar het beste zien als een definitieve afrekening met de Groningse universiteit, waar Hermans jarenlang - met zijn hoge opvatting over de bèta-wetenschap - doceerde, maar die hem, in plaats van hem te eren met een professoraat, als een oplichter - want hij schreef literaire boeken! - aan de schandpaal nagelde.

Hoezeer Hermans hier zijn geloof verloor in het universitaire bedrijf heeft hij op tal van manieren tot uitdrukking gebracht - met als boodschap dat middelmatigheid aan de huidige almae matres wordt beloond en talent wordt verguisd. Maar zo verward als nu was hij niet eerder te werk gegaan. Had dat met zijn naderende einde te maken, zoals Reinjan Mulder zich in NRC-Handelsblad omzichtig afvroeg? Of was het boek gewoon niet af?

In alle recensies die ik las, werden nogal wat vragen opgeroepen met betrekking tot de 'roman'. Niettemin werd los van alle piëteit waarmee zo'n postume publikatie is omgeven getracht volledig recht te doen aan Hermans laatste kunststuk, wat kennelijk niet meeviel. Misschien was de benadering van Wilbert Smulders in NRC-Handelsblad - de krant die haar literaire supplement voor de gelegenheid geheel aan Hermans wijdde - nog het meest bevredigend omdat hij zijn kanttekeningen bij Ruisend gruis ('Hermans heeft betere verhalen geschreven') liet voorafgaan door een overzicht van het ganse oeuvre.

Vanzelfsprekend benam Ruisend gruis ons even het zicht op de tientallen andere literaire werken, die in deze tijd het licht zagen. Dat er zoveel boeken zijn, is op zichzelf niet bijzonder. In september schudt het verzamelde uitgeversbedrijf altijd flink wat uit de mouw. Opvallend is wel dat het aanbod dit jaar een verdere verschuiving in de richting van de literatuur te zien geeft. Ook uitgevers, zoals Ambo en Van Gennep, die graag in non-fictie doen, zijn nu vooral bellettristisch op de markt aanwezig. Dat is vreemd, want uit de verkoopcijfers blijkt, dat de belangstelling voor literatuur taant. Daar staat tegenover dat je met literaire auteurs, zeker als ze voor AKO-, Publieks- en Librisprijzen worden genomineerd - en dus op veel publiciteit mogen rekenen - veel meer kunt stunten.

Op tal van manieren wordt dat nagestreefd. Een voorbeeld is de manier waarop De Arbeiderspers de eerste roman van Hans Sahar in de handel brengt. 'Het opzienbarende debuut van een Haagse Marokkaan', staat op een felgeel buikbandje, en wie zo schreeuwt zal ook in Hilversum wel gehoord worden, want daar gaat het natuurlijk om: je auteur moet op de tv. Dat Sahar in zijn boek iets laat zien van de criminaliteit in allochtone kringen, iets wat aansluit bij de feiten die de criminoloog Frank Bovenkerk in de parlementaire enquête over de politie en de 'georganiseerde criminaliteit' verstrekte, is niet van belang ontbloot. Hier hoor je immers een stem 'van binnenuit'. Maar heel zwaar hoef je daar nu ook weer niet aan te tillen, want dit is fictie en niet eens zulke opwindende.

Het verhaal dat Sahar in Hoezo bloedmooi (¿ 25,-) vertelt over een jonge Marokkaanse scharrelaar, die voor geld zowel oudere vrouwen als oudere homoseksuelen bevredigt, hangt van de clichés aan elkaar. De toon in dit boek is van deze tijd, sex en geweld gebracht in de stijl van MTV, een clip die oppervlakkig het fysieke benadrukt en zich aan gecompliceerde gevoelens of gedachten niets gelegen laat liggen.

Sahar staat niet zo ver af van een schrijvende, ongeveer even oude landgenoot, Joris Moens, die in zijn tweede boek, Zondagskind, de brandende liefde van een jonge arts-in-opleiding voor de allochtoonse schone Büsra uit de doeken doet. Ook hier gaat het van dik hout zaagt men planken, al heeft Moens wel wat meer te vertellen. Op een bepaalde manier doet zijn boek aan Turks fruit van Jan Wolkers denken, maar ik denk dat Zondagskind zonder de vastigheid van de medische kennis, waarvan Moens uitdeelt - hij is arts - eigenlijk niet zoveel om het lijf heeft. Het liefdesverhaal gaat grotendeels onder in het narcisme van Moens' hoofdpersoon, die ten slotte zijn weigering om zich aan wie of wat dan ook te binden als een màn onder ogen ziet (De Bezige Bij, ¿ 32,50).

Voor beide jonge auteurs geldt dat ze samenvallen met een wereld die we in toenemende mate - dank zij krant en tv - steeds benauwender voor ogen krijgen, maar waaraan precies die dingen ontbreken die in de literatuur - dank zij de verbeelding - te gelde gemaakt kunnen worden. Gebeurt dat in de andere boeken die ik deze week las dan wel, kun je je afvragen. Nou ja, me dunkt. In de nieuwe Brakman, Een voortreffelijke ridder, bijvoorbeeld raak je als vanouds met de schrijver op drift om te belanden in een fantastisch theater waar ogenschijnlijk alles mogelijk is en het je niet verbaast een verliefde Don Quichot tussen de Haagse of Scheveningse decors te zien opduiken (Querido, ¿ 29,90).

Van de Deen Peter Heg, die na Smilla's gevoel voor sneeuw waarschijnlijk geen nadere introductie meer nodig heeft, verscheen de pakkende roman Grensgevallen. Heg neemt in dit boek de lezer mee naar een internaat, waar getracht wordt drie 'randfiguren' (grensgevallen) voor te bereiden op hun terugkeer in de samenleving. Het zijn drie weeskinderen, die zo jong als ze zijn al het een en ander achter de kiezen hebben. Maar Hoeg zou de Peter Heg niet zijn die wij inmiddels uit zijn vorige boeken hebben leren kennen, als hij dit gegeven rechttoe, rechtaan zou hebben uitgewerkt. Wat er met die drie aan de hand is, wordt je als lezer even onvolledig en fragmentarisch voorgeschoteld als het voor die kinderen is. Zij ondergaan hun werkelijkheid als een complot, gestructureerd door de tijd en dat klinkt ingewikkeld, maar door Hegs vermogen zich in Peter, Katarina en August te verplaatsen, brengt hij veel van hun angsten boven water (Meulenhoff, ¿ 39,90).

Nòg intrigerender vond ik een boek van de mij volslagen onbekende Engelse schrijver Jocelyn Brooke (1908-1966), wiens indertijd bekende boeken zoals The Military Orchid (1948), A Mine of Serpents (1949), The Goose Cathedral (1950) en The Dog at Clambercrown (1955) in Engeland veelal nog slechts antiquarisch verkrijgbaar zijn, zoals Hans W. Bakx in zijn nawoord schrijft. De nu door Martha Heesen voor Coppens & Frenks vertaalde roman Het teken van een getrokken zwaard (The Image of a Drawn Sword, 1950) behelst het beklemmende verhaal van de eenzame employé Reynard Langrish, die door een onverwacht in zijn leven opgedoken type voor het leger wordt geronseld. Fascinerend is het om te lezen hoe de besluiteloze, machteloze, wereldvreemde Langrish door zijn nieuwe vriend wordt gemanipuleerd. Tegen zijn zin wordt hij op een uiterst merkwaardige manier uiteindelijk toch als soldaat ingelijfd.

Herhaaldelijk moest ik tijdens het lezen aan Kafka's Proces denken, hoewel Brooke volgens Bakx in zijn nabeschouwing, nog nooit iets van Kafka gelezen had toen hij Het teken van een getrokken zwaard schreef. Brooke peilde op eigen kracht, moet je dus aannemen, de hulpeloosheid van een individu ten opzichte van de maatschappelijke krachten die hem dreigen te breken, een 'proces' dat niet alleen degenen die Kafka gelezen hebben als tegelijk boeiend en onthullend zullen ervaren. Zoals gebruikelijk bij Coppens is dit boek weer voortreffelijk uitgegeven, al plaatste ik soms wat vraagtekens bij de militaire terminologie. Wat is bijvoorbeeld een soldaat-korporaal? En is een sergeant (wachtmeester) niet altijd een onderofficier? (¿ 47,90).

Een durend genoegen zijn De vertellingen van duizend en een nacht, die bij Bulaaq verschijnen, zoals degenen weten die de tot nu toe uitgekomen delen 1 & 2 en 5 & 6 hebben gelezen (de delen 3 & 4 komen later). Deze week kon ik me vermeien in de delen 7 & 8, waarin het opnieuw genieten is van de veelal erotische anecdotes, die in de gebrekkige edities uit je jeugd lang zo plastisch niet werden verteld als de vertaler Richard van Leeuwen dat nu doet. In deel acht zijn alle verhalen van Sindbad de Zeeman verzameld. Wie beide delen in de gebonden editie koopt (¿ 95,-), of de twee losse delen in paperback (per stuk ¿ 39,90), krijgt het boekje Ali Baba en de veertig rovers gratis (anders kost het ¿ 14,95).

Er is meer: een herdruk van Au Pair van W. F. Hermans (De Bezige Bij, ¿ 35,-); een herdruk van Massa en macht van Elias Canetti (Athenaeum-Polak & Van Gennep, ¿ 35,-); een vertaling van House of Splendid Isolation (Huis van volmaakte eenzaamheid) van Edna O'Brien (De Bezige Bij, ¿ 39,50); de tweede roman van Alan Lightman, Brave Benito (Meulenhoff, ¿ 34,90), die terecht de aandacht op zich vestigde met zijn eersteling Einsteins dromen; Het hoofd in de wolken van de veelgelezen nicht van Italo Svevo, Susanna Tamaro (Wereldbibliotheek, ¿ 29,50); de Verzamelde Gedichten van Martinus Nijhoff in de reeks Nederlandse Klassieken van Prometheus en Bert Bakker

(¿ 55,-); Immer met moed, een portret door Vera Funke van de uitgever J. M. Meulenhoff, de uitgeverij die deze week haar eeuwfeest viert (Meulenhoff, ¿ 19,95); Een vlag op het eiland, oudere verhalen van V. S. Naipaul (Atlas, ¿ 34,90); de gebundelde essays van Gerrit Krol, die behalve over wetenschap, literatuur en filosofie, over De mechanica van het liegen gaan, zoals zijn boek naar een van de opstellen is genoemd (Querido, ¿ 32,50); Slaapkamergesprekken van D. A. F. de Sade, een van zijn grofste, maar door de dialoog-vorm ook een van zijn meest leesbare aanvallen op christendom en religie ten faveure van het ongeremde seksuele genot (Bert Bakker, ¿ 29,90); Europa, mocht het ooit wakker worden van de filosoof Peter Sloterdijk (AP, ¿ 24,90) en Album van Insulinde van Peter van Zonneveld, die een beknopte geschiedenis geeft van de Indisch-Nederlandse literatuur (Amsterdam University Press, ¿ 29,50).

Zo zou ik nog kolommenlang kunnen doorgaan, maar dat zou me de adem benemen om op nog twee 'projecten' te wijzen, die om verschillende redenen uitzonderlijk mogen heten. Het eerste is de vertaling van Goethe's Aus meinem Leben - Dichtung und Wahrheit. Het moet een enorme klus geweest zijn van dit kolossale boek Nederlands te maken en die taak werd dan ook niet verricht door een universitaire germanist, maar door Erik Tjallinks, een socioloog en docent bedrijfskunde. Uit pure bewondering voor Goethe - die met dit boek in sommige opzichten zijn tijd ver vooruit was, zoals Tjallinks in zijn inleiding schrijft - nam hij dit werk ter hand. Verdichting en waarheid werd de Nederlandse titel (Ambo, ¿ 99,-).

Het andere boek is ook een autobiografie, het eerste van zes boeken die Henry Roth (1906) op hoge leeftijd over zijn leven als joodse immigrantenzoon in New York begon te schrijven. Voor het eerst deed hij dat in 1934, in Call it Sleep, een boek dat hem geld en roem bezorgde. Maar na zestig jaar moet hij het gevoel gekregen hebben dat dit toch te weinig was voor een heel leven en zette hij zich aan deze omvangrijke reeks, die de naam kreeg: Aan de genade van een ruwe stroom. Deel één heet Boven Mount Morris Park schijnt een ster (De Bezige Bij, ¿ 47,50).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden